Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6552

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2005
Datum publicatie
01-06-2005
Zaaknummer
200409201/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juni 2002 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd [wederpartij] vergunning te verlenen voor het innemen van een standplaats voor de verkoop van vis op het terrein van de Konmar vestiging te Joure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2005/3444
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409201/1.

Datum uitspraak: 1 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 20 oktober 2004 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2002 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd [wederpartij] vergunning te verlenen voor het innemen van een standplaats voor de verkoop van vis op het terrein van de Konmar vestiging te Joure.

Bij besluit van 1 oktober 2002 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 juni 2003 heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 1 oktober 2002 vernietigd.

Bij besluit van 17 oktober 2003 heeft het college het door [wederpartij] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 oktober 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 17 oktober 2003 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 10 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 12 november 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 december 2004 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2005, waar het college, vertegenwoordigd door J.P. Huisman, ambtenaar van de gemeente, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.        Ingevolge artikel 5.2.3, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Skarsterlân (hierna: de APV) is het verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats:

a.     met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken, dan wel diensten aan te bieden;

b.     anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek.

    Ingevolge het zesde lid van dit artikel kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd:

a.     in het belang van de openbare orde;

b.     in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

c.     in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

d.    in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;

e.    wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt;

f.     vanwege de strijd met een geldend bestemmingsplan.

2.1.1.    Het college voert bij de toepassing van artikel 5.2.3 van de APV een standplaatsenbeleid, dat is neergelegd in de nota "Dag-standplaatsenbeleid" (hierna: de beleidsnota). In de beleidsnota is met het oog op het uiterlijk aanzien van de gemeente, het aantal te verlenen vergunningen voor het innemen van standplaatsen aan een maximum gebonden. Voor Joure is het maximale aantal standplaatsen vastgesteld op vier.

In de beleidsnota zijn de locaties vermeld waar standplaatsen mogen worden ingenomen. Voor Joure is de locatie de "Sinnebuorren" aangewezen.

2.2.        De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat het college zijn standplaatsenbeleid wat het maximale aantal dagstandplaatsen betreft, niet voldoende heeft gemotiveerd en dat dit beleid op zichzelf niet als een deugdelijke grond voor weigering van de vergunning kan worden aanvaard.

2.2.1.    Het college bestrijdt dit oordeel van de rechtbank met succes. Het beleid om het aantal standplaatsvergunningen aan een maximum te binden is blijkens de beleidsnota ingegeven door het in artikel 5.2.3, zesde lid, onder c, van de APV vermelde belang en vindt derhalve steun in de in de APV gestelde criteria. Aan het college kan voorts niet worden tegengeworpen dat het bij de limitering van het aantal standplaatsen geen rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van zelfstandige of geïsoleerde gebieden en kernen binnen de gemeente. Het college heeft voor elk van de afzonderlijke kernen, waaronder Joure, een maximum aantal standplaatsen vastgesteld. In zoverre onderscheidt deze zaak zich van de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van 12 augustus 1987 en 4 juli 1995, nos. R03.85.5211 en R03.92.2810 (aangehecht), waarnaar de rechtbank heeft verwezen. Hetgeen door [wederpartij] is aangevoerd biedt, ook bezien in het licht van die uitspraken, geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren het aantal standplaatsen uit te breiden met de locatie waarvoor [wederpartij] vergunning heeft gevraagd. Gelet hierop en nu het vastgestelde maximum is afgestemd op de vraag naar standplaatsen en het college onweersproken heeft gesteld dat het aanbod aan standplaatsen in de gemeente en ook in het dorp Joure in 2002, 2003 en 2004 ruim voldoende was om aan de vraag te voldoen, is er geen grond voor het oordeel dat het college het beleid op dit onderdeel niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen en toepassen.

2.3.        De rechtbank is in de aangevallen uitspraak niet toegekomen aan de beoordeling van de keuze van het college om alleen de "Sinnebuorren" aan te wijzen als locatie voor het innemen van standplaatsen in Joure en de beslissing om niet af te wijken van deze keuze ten behoeve van [wederpartij].

       In zijn beroep bij de rechtbank heeft [wederpartij] in dit verband aangevoerd dat de beleidsnota ten onrechte geen inzicht verschaft in de wijze waarop de locatiekeuze tot stand is gekomen. Verder heeft hij aangevoerd dat de locatie waar hij standplaats wil innemen voldoet aan de criteria. Het uiterlijk aanzien van de gemeente wordt volgens hem niet aangetast, omdat de standplaats niet zichtbaar is vanaf de openbare weg. De dichtstbijzijnde woning bevindt zich op een afstand van ongeveer 55 meter, zodat naar zijn mening niet behoeft te worden gevreesd voor geurhinder. Ten slotte is er volgens hem een genoegzame scheiding tussen de woon- en de werkomgeving.

2.3.1.    Blijkens de beleidsnota is uitgangspunt van het beleid dat de locaties waar standplaats kan worden ingenomen op een zodanige wijze worden gekozen dat dit ruimtelijk verantwoord is. Naast het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving is bij de locatiekeuze ook rekening gehouden met het belang van het voorkomen of beperken van overlast en het belang van verkeersvrijheid en -veiligheid.

   In het besluit van 19 juni 2002, dat bij het besluit van 17 oktober 2003 is gehandhaafd, is de keuze voor de "Sinnebuorren" in Joure nader toegelicht. Blijkens dat besluit hanteert het college als uitgangspunt dat standplaatsen gecentreerd moeten zijn. Verspreiding van standplaatsen over diverse locaties in de dorpskern Joure acht het college ongewenst. Voor de "Sinnebuorren" is gekozen omdat deze locatie aansluit bij de Midstraat, de winkelstraat van Joure, zodat het winkelend publiek er langs komt. Tevens leent de omgeving, een ruim plein met parkeervoorzieningen, zich goed voor de aanwezigheid van diverse mobiele verkooppunten. De grond is bovendien in eigendom van de gemeente.

   Het beleid om standplaatsen te centreren is ingegeven door een aantal in artikel 5.2.3, zesde lid, van de APV vermelde belangen en is derhalve niet in strijd met die bepaling. De Afdeling ziet verder geen grond voor het oordeel dat dit beleid niet in redelijkheid kan worden gevoerd, noch  voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot de aanwijzing van de "Sinnebuorren" als standplaatslocatie heeft kunnen komen. De keuze voor deze locatie is voldoende gemotiveerd.

2.3.2.    Voorzover [wederpartij] heeft bedoeld te betogen dat het college in dit geval aanleiding had moeten zien om van zijn beleid af te wijken vanwege de door hem gestelde en hierboven vermelde omstandigheden, slaagt dit betoog niet. Omstandigheden als deze moeten worden geacht in overweging te zijn genomen bij de vorming van het beleid en de keuze van de locatie. Van bijzondere omstandigheden is dan ook geen sprake.

2.4.        Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet voorts aanleiding, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond te verklaren.  

2.5.        Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 20 oktober 2004, 03/1227 GEMWT;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Visser

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2005

148.