Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6549

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2005
Datum publicatie
01-06-2005
Zaaknummer
200406511/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 mei 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (hierna: het college) met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals dat luidde tot 3 april 2000, aan [aanvrager] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van 5 appartementen aan de Pastoor Mullenderstraat te Munstergeleen, op het perceel kadastraal bekend gemeente Sittard, sectie […], nr. […] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406511/1.

Datum uitspraak: 1 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 juli 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (hierna: het college) met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals dat luidde tot 3 april 2000, aan [aanvrager] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van 5 appartementen aan de Pastoor Mullenderstraat te Munstergeleen, op het perceel kadastraal bekend gemeente Sittard, sectie […], nr. […] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 11 juli 2000 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 september 2001 heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 juli 2002 heeft de Afdeling het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het besluit van het college van 11 juli 2000 vernietigd.

Op 18 november 2002 is door de gemeente Sittard-Geleen een gelijkluidend bouwplan ingediend.

Bij besluit van 25 februari 2003 heeft het college aan de gemeente Sittard-Geleen bouwvergunning en vrijstelling met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, zoals dat luidt sinds 3 april 2003, verleend voor het inmiddels gerealiseerde appartementencomplex.

Eveneens bij besluit van 25 februari 2003 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen dat gebouwde appartementencomplex.

Bij besluiten van 29 juli 2003 heeft het college het door appellanten tegen de besluiten van 25 februari 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tevens heeft het college het besluit van 2 mei 2000 herroepen.

Bij uitspraak van 6 juli 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het tegen deze besluiten door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 23 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 5 augustus 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 september 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2005, waar [gemachtigde] is verschenen. Het college is, met bericht, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan betreft de bouw van 5 appartementen verdeeld over drie verdiepingen.

2.1.1.    De omstandigheid dat de gemeente Sittard-Geleen geen eigenaar is van het gebouw waar het bouwplan op ziet, staat, anders dan appellanten hebben betoogd, niet aan het doen van een bouwaanvraag of het verlenen van een vrijstelling en bouwvergunning in de weg.

2.1.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Munstergeleen Centrum" heeft het perceel de bestemmingen "woondoeleinden" en "verblijfsdoeleinden". Niet in geschil is dat het bouwplan hiermee in strijd is. Om medewerking aan de aanvraag te kunnen verlenen heeft het college toepassing gegeven aan artikel 19, tweede lid, van de WRO.

2.1.3.    Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijke of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

   Ingevolge het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

2.1.4.    Appellanten betogen tevergeefs dat geen sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing.

   De ruimtelijke onderbouwing wordt gevormd door een notitie van november 2002 van de Afdeling bouwen en milieu. Daarin is aangegeven dat het bouwplan weliswaar in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, maar het bestemmingsplan op het gedeelte van het perceel waar de bestemming "woondoeleinden" van toepassing is, reeds twee bouwlagen en een zolder toestaat, zodat de afwijking wat dat betreft enkel is gelegen in het bouwen van een derde bouwlaag. Voorts is aangegeven dat het bouwplan in overeenstemming is met de uitgangspunten van het "Provinciaal Omgevingsplan Limburg" van 29 juni 2001, hetgeen door appellanten niet is bestreden.

   Gelet hierop kan niet worden staande gehouden dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Dat de Afdeling in haar uitspraak van 24 juli 2002, no. 200105007/1, heeft geoordeeld dat de inbreuk van het bouwplan, waarvoor bij besluit van 2 mei 2000 met toepassing van artikel 19 van de WRO, zoals dat luidde tot 3 april 2000, vrijstelling en bouwvergunning is verleend, op het planologische regime niet als gering kan worden aangemerkt, betekent, anders dan appellanten kennelijk menen, niet dat het thans door de gemeente ingediende bouwplan niet voorzien kan worden van een goede ruimtelijke onderbouwing als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO, zoals dat thans luidt. Het in de jurisprudentie voor artikel 19 van de WRO, zoals dat tot 3 april 2003 luidde, ontwikkelde urgentievereiste, wordt onder de werking van het nieuwe artikel 19 niet meer gesteld.

2.1.5.    Voorts is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat niet kan worden staande gehouden dat het college na afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid de gevraagde vrijstelling heeft kunnen verlenen. In de notitie van november 2000 van de Afdeling bouwen en milieu is weergegeven dat van milieuhygienische en stedenbouwkundige bezwaren geen sprake is. Het gebouw sluit volgens de notitie wat betreft architectuur, massa, kleur en materiaal redelijk goed aan bij de omliggende bebouwing. Verder is er geen sprake van noemenswaardige uitzichtbelemmering, privacy- of lichtvermindering. Appellanten hebben dit niet gemotiveerd bestreden.

2.2.    Het betoog van appellanten richt zich verder tevergeefs tegen het oordeel van de rechtbank dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden tegen het appartementencomplex. De rechtbank is terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat die bevoegdheid ontbrak, nu geen sprake was van een overtreding van een wettelijk voorschrift.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Duursma

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2005

378.