Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6545

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-05-2005
Datum publicatie
01-06-2005
Zaaknummer
200503348/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 oktober 2004 heeft verzoeker (hierna: het college) aan de gemeente Maastricht een vergunning als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988 verleend voor het restaureren en consolideren van het fort Sint Pieter en het aanbrengen van veiligheidsvoorzieningen op het perceel Luikerweg 80 te Maastricht, kadastraal bekend gemeente Maastricht, sectie A, nr 1074.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200503348/2.

Datum uitspraak: 24 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van onder meer:

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht,

verzoeker,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/296 WET VV + 05/295 WET FEE van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 18 maart 2005 in het geding tussen:

1.    [wederpartij sub 1], wonend te [plaats],

2.    Fort St. Pieter B.V., gevestigd te Maastricht

en

verzoeker.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2004 heeft verzoeker (hierna: het college) aan de gemeente Maastricht een vergunning als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988 verleend voor het restaureren en consolideren van het fort Sint Pieter en het aanbrengen van veiligheidsvoorzieningen op het perceel Luikerweg 80 te Maastricht, kadastraal bekend gemeente Maastricht, sectie A, nr 1074.

Bij besluit van 17 januari 2005 heeft het college het daartegen door [wederpartij sub 1] en Fort St. Pieter B.V. (hierna: Fort St. Pieter) gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 18 maart 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door [wederpartij sub 1] en Fort St. Pieter ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 januari 2005 vernietigd en bepaald dat het college binnen zes weken na de datum van verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2005, hoger beroep ingesteld.

Daarbij heeft verzoeker tevens de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 mei 2005, waar verzoeker, vertegenwoordigd door mr. D.A. Nymeijer-Hildering, werkzaam bij de gemeente Maastricht, en [wederpartij sub 1] in persoon en Fort St. Pieter, vertegenwoordigd door [wederpartij sub 1], bijgestaan door mr. M.G.I.A. van Haastert-Allertz en mr. F.G.E.M. Tripels, advocaten te Maastricht, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het verzoek heeft geen verdere strekking, dan dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat het college in afwachting van de uitspraak op het ingestelde hoger beroep niet opnieuw op het bezwaarschrift hoeft te beslissen.

2.2.    Gelet op de stukken en hetgeen het college ter zitting naar voren heeft gebracht, is aannemelijk dat in dit geval ten behoeve van een nieuwe beslissing op bezwaar nog vele werkzaamheden zullen moeten worden verricht en die beslissing derhalve niet op korte termijn zal kunnen worden genomen. [wederpartij sub 1] en Fort St. Pieter hebben dat op zich ook niet bestreden. Voorts hebben [wederpartij sub 1] en Fort St. Pieter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een zodanig zwaarwegend belang hebben bij een spoedige nieuwe beslissing op bezwaar, dat het belang van het college vooralsnog geen nieuwe beslissing op bezwaar te hoeven nemen daarvoor moet wijken. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het hoger beroep binnen afzienbare tijd ter zitting zal worden behandeld.  

2.3.    De conclusie is dat het verzoek op na te melden wijze voor toewijzing in aanmerking komt.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat het college van burgemeester en wethouders geen nieuwe beslissing op het bezwaar hoeft te nemen, voordat de Afdeling in hoger beroep heeft beslist.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2005

71-435.