Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6186

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-05-2005
Datum publicatie
25-05-2005
Zaaknummer
200409095/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 januari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deurne (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning verleend voor het splitsen van een boerderij aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200409095/1.

Datum uitspraak: 25 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 30 september 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Deurne.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deurne (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning verleend voor het splitsen van een boerderij aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 6 juli 2004 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 september 2004, verzonden op 1 oktober 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 9 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 december 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 18 januari 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2005, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door C.J.A. van den Heuvel, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is verschenen [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. G.R.A.G. Goorts, advocaat te Deurne.

2.    Overwegingen

2.1.    De boerderij is thans reeds in gebruik als burgerwoning. Het bouwplan voorziet in een splitsing van de boerderij in die zin dat daarin een tweede burgerwoning wordt gerealiseerd.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" is het perceel bestemd voor "Woondoeleinden".

   Ingevolge artikel 20, lid A, onder I, van de planvoorschriften, voorzover van belang, mag op de tot "Woondoeleinden" bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd tot instandhouding en herstel, waaronder algehele vernieuwing, van de op het tijdstip van tervisielegging aanwezige woning (overeenkomstig aanduiding op de plankaart: vrijstaande woning).

   Ingevolge artikel 42, lid B, onder IV, sub 3, van de planvoorschriften, voorzover van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het plan ten behoeve van splitsing van woningen (onder splitsing wordt verstaan het zodanig verbouwen van een - op een tot "Woondoeleinden" bestemd perceel - aanwezige vrijstaande woning, dat in feite twee woningen ontstaan), mits het betreft een voormalige, al dan niet verbouwde, boerderij en vooraf van gedeputeerde staten een verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.

   Niet in geschil is dat in dit geval aan de vereisten voor het verlenen van vrijstelling ingevolge artikel 42, lid B, onder IV, sub 3 is voldaan.

2.3.    Appellanten exploiteren een varkenshouderij aan de [locatie]. Zij betogen dat de realisatie van een tweede woning na splitsing tot gevolg heeft dat de boerderij binnen de hindercirkel van het bedrijf komt te liggen.

2.4.    Dat betoog faalt. Anders dan appellanten veronderstellen betekent de woningsplitsing niet dat de omgevingscategorie als bedoeld in de brochure Veehouderij en Hinderwet wijzigt van omgevingscategorie III naar II. In de directe omgeving van de varkenshouderij bevindt zich een aantal burgerwoningen en voormalige agrarische bedrijfswoningen te midden van agrarische bedrijven. De niet-agrarische bebouwing is evenwel niet zo geconcentreerd dat het gebied daardoor een bepaalde woonfunctie verkrijgt en als omgevingscategorie II zou moeten worden geduid. Gelet ook op de ter zitting gegeven toelichting aan de hand van kaarten en fotomateriaal kan niet worden staande gehouden dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat van een categorie III-situatie sprake is. De splitsing van de boerderij brengt daarin geen verandering. Het college heeft onbetwist vastgesteld dat - uitgaande van deze omgevingscategorie - de minimaal aan te houden afstand van (stank-)emissiepunten van het bedrijf tot de boerderij ingevolge de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 ongeveer 54 m bedraagt. Vaststaat dat de boerderij, ook na de splitsing, op grotere afstand is gesitueerd.

   Appellanten kunnen niet worden gevolgd in hun betoog dat het college voor de berekening van de hiervoor bedoelde afstand ten onrechte niet is uitgegaan van de omrekeningsfactoren zoals die gelden krachtens de Wet stankemissie in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de wet). De werkingssfeer van die wet is beperkt tot reconstructiegebieden waarvoor een reconstructieplan is bekendgemaakt. Hiervan is in dit geval geen sprake. Het college heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2004, inzake no. 200304128/1, (M en R 2004/4 nr. 77), terecht geen aanleiding gezien om bij zijn besluit omtrent vrijstelling niettemin van die omrekeningsfactoren uit te gaan. Uit die uitspraak volgt immers dat de in de bijlage van de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 opgenomen omrekeningsfactoren in een geval als hier aan de orde als de meest recente milieutechnische inzichten kunnen worden aanvaard. De omstandigheid dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de verleende verklaring van geen bezwaar ten behoeve van het bouwplan ten onrechte heeft overwogen dat toepassing van de krachtens de wet geldende omrekeningsfactoren achterwege dient te blijven omdat Van der Zanden hierdoor in een slechtere positie zou komen te verkeren, kan aan het voorgaande niet afdoen.

2.5.    Ten slotte faalt het betoog van appellanten dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen omdat de uitbreidingsmogelijkheden van de varkenshouderij worden beperkt door uitvoering van het bouwplan. Het gedeelte van de boerderij waarop de aanvraag betrekking heeft is, naar van de zijde van [vergunninghouder] onweersproken is gesteld, reeds ruim 30 jaar in gebruik als noodwoning. Vaststaat voorts dat de reeds in de boerderij aanwezige woning is gelegen op kortere afstand van de varkenshouderij van appellanten dan de tweede woning waarin het bouwplan voorziet. Zoals hiervoor reeds is overwogen leidt realisering van het bouwplan niet tot een wijziging van de omgevingscategorie. Derhalve valt niet in te zien dat de uitbreidingsmogelijkheden tengevolge van het bouwplan worden beperkt. Ook hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd kan niet leiden het oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het verlenen van vrijstelling heeft kunnen besluiten.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Willems

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2005

412.