Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6184

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-05-2005
Datum publicatie
25-05-2005
Zaaknummer
200408568/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 augustus 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijk bij Duurstede (hierna: het college) geweigerd aan appellant vrijstelling als bedoeld in art 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en bouwvergunning te verlenen voor een reeds geplaatste overkapping op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408568/1.

Datum uitspraak: 25 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. SBR 04/541 van de rechtbank Utrecht van 19 augustus 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Wijk bij Duurstede.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijk bij Duurstede (hierna: het college) geweigerd aan appellant vrijstelling als bedoeld in art 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en bouwvergunning te verlenen voor een reeds geplaatste overkapping op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 11 april 2003 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 24 oktober 2003 heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Bij besluit van 22 juli 2003 heeft het college appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de op het perceel [locatie] geplaatste overkapping te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 19 januari 2004 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar, alsmede het door appellant tegen het besluit van 20 augustus 2002 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en die besluiten, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten.

Bij uitspraak van 19 augustus 2004, verzonden op 8 september 2004, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 29 november 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2005, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. G.H.J. Gardebroek, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

Ten aanzien van de weigering vrijstelling en bouwvergunning

2.1.    Het - gerealiseerde - bouwwerk betreft een overkapping met een oppervlakte van 88 m2 en een hoogte van 4,5 meter.

2.2.    Ingevolge het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1994 Langbroek" geldt ter plaatse de bestemming "Agrarisch bedrijf (A)".

   Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart nader voor agrarisch bedrijf aangeduide gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mogen op of in de in het eerste lid bedoelde gronden uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd.

   Ingevolge artikel 14, vierde lid, van de planvoorschriften, kan het college in geval van gedeeltelijke beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid, voor een gebruik ten behoeve van opslagdoeleinden van elders gevestigde niet-agrarische bedrijven alsook voor caravanstalling, mits dit gebruik slechts 1 gebouw niet zijnde het hoofdbedrijfsgebouw betreft en onder de voorwaarden dat:

a. geen sprake is van zelfstandige bedrijfsactiviteiten;

b. de hoeveelheid bebouwing niet wordt uitgebreid;

c. sprake is van een goede ontsluiting van het betreffende gebouw.

2.3.    Appellant betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de overkapping niet ten behoeve van zijn agrarische bedrijf is opgericht en derhalve in strijd is met de bestemming.

   Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen moet volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling - bijvoorbeeld de uitspraak van 21 november 1996 in zaak no. H01.96.0154 (JB 1997/7, Rawb 1997, 54 en Gst 7049, 9) - bij de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming van het perceel kan worden gebruikt, doch mede of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Het concrete, beoogde gebruik van het bouwwerk vormt op voorhand een reden om bouwvergunning te weigeren, indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat dit gebruik uitsluitend of mede betrekking heeft op andere doeleinden dan die, waarin de bestemming voorziet.

   Appellant heeft bij de indiening van de aanvraag om bouwvergunning niet aangegeven waarvoor hij de overkapping wenste te gebruiken. Tijdens een op 11 juni 2002 gehouden controle is door het college geconstateerd dat de overkapping werd gebruikt ten behoeve van het hobbymatig stallen van vrachtauto's. Niet in geschil is, dat appellant ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar zijn agrarische bedrijf (een rundveehouderij) gedeeltelijk had beëindigd en een gedeelte van de bestaande bedrijfsbebouwing had verhuurd aan derden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college op basis van deze gegevens zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat het beoogde gebruik mede betrekking had op andere dan agrarische doeleinden. De enkele omstandigheid dat ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar geen vrachtauto's meer werden gestald onder de overkapping, leidt niet tot een ander oordeel. Appellant heeft gesteld dat de overkapping thans uitsluitend wordt gebruikt voor de stalling van machines die benodigd zijn voor de uitoefening van zijn agrarische bedrijf. Ter zitting heeft appellant evenwel erkend dat dit gebruik van de overkapping dateert van na het nemen van de beslissing op bezwaar. Bedoelde gebruikswijziging doet er niet aan af dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college ten tijde van belang op basis van de hem bekende gegevens heeft kunnen oordelen dat het gebruik niet uitsluitend diende ten behoeve van agrarische doeleinden en dat de overkapping derhalve niet paste binnen de bestemming.

2.4.    Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het college de weigering om met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling te verlenen voor de overkapping onvoldoende heeft gemotiveerd, faalt. Het college heeft in de beslissing op bezwaar aangegeven dat aan het verlenen van vrijstelling geen medewerking wordt verleend omdat de overkapping niet past in het ontwerp-bestemmingsplan "Buitengebied" en in strijd is met het provinciale beleid, neergelegd in de "Provinciale handleiding bestemmingsplannen Buitengebied". Niet kan worden staande gehouden dat het college de vrijstelling niet op deze grond heeft kunnen weigeren. De rechtbank is terecht tot dat oordeel gekomen.

Ten aanzien van de last onder dwangsom

2.5.    Vast staat dat de overkapping zonder de vereiste bouwvergunning is opgericht, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

2.6.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7.    Zoals hierboven is overwogen bestond ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar geen concreet uitzicht op legalisatie. De rechtbank heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat het college terecht tot handhavend optreden is overgegaan.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Schortinghuis

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2005

66-422.