Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6182

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-05-2005
Datum publicatie
25-05-2005
Zaaknummer
200408296/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Loppersum (hierna: het college) geweigerd aan appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het verbouwen van een loods tot een atelier c.q. bedrijfswoning op het perceel kadastraal bekend gemeente Loppersum, sectie […], nr. […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (bouwplan A).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408296/1.

Datum uitspraak: 25 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaken met nrs. 03/173 en 04/188 van de rechtbank Groningen van 14 september 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Loppersum.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Loppersum (hierna: het college) geweigerd aan appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het verbouwen van een loods tot een atelier c.q. bedrijfswoning op het perceel kadastraal bekend gemeente Loppersum, sectie […], nr. […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (bouwplan A).

Bij besluit van 20 januari 2003 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 4 maart 2003 heeft het college geweigerd aan appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het uitbreiden van een keramische artikelen fabriek op hetzelfde perceel (bouwplan B).

Bij besluit van 26 januari 2004 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, het verzoek van appellant om de toegangsweg naar het perceel te verharden niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek van appellant om schadevergoeding c.q. het nemen van een zelfstandig schadebesluit afgewezen.

Bij uitspraak van 14 september 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) de door appellant tegen de besluiten van 20 januari 2003 en 26 januari 2004 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op 11 oktober 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 16 november 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2005, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door drs. M.R.J. Smit, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bouwplan A betreft het verbouwen van een bestaande loods op het perceel tot een atelier c.q. dienstwoning. Bouwplan B ziet op de bouw van een schuur met een oppervlakte van 105 m2.

2.2.    De Afdeling volgt appellant niet in zijn betoog dat de rechtbank niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de door appellant tegen de besluiten van 20 januari 2003 en 26 januari 2004 afzonderlijk ingestelde beroepen gevoegd te behandelen.

   Ingevolge artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan de rechtbank zaken over hetzelfde of een verwant onderwerp ter behandeling voegen en de behandeling van gevoegde zaken splitsen. Anders dan appellant meent stond de enkele omstandigheid dat het om twee afzonderlijke bouwplannen gaat niet aan gevoegde behandeling in de weg. Het gaat immers om verwante bouwplannen van een en dezelfde aanvrager op hetzelfde perceel. Voorts is niet gebleken dat appellant, zoals hij stelt, door voeging van de zaken in zijn belangen is geschaad.

2.3.    Ingevolge het bestemmingsplan "Boerdam-Fraamklap" geldt ter plaatse de bestemming "Industriële bedrijven".

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de als zodanig op de plankaart met een "I" aangegeven gronden bestemd voor een fabriek voor steen-, pannen-, draineer-, buizen- en keramische artikelen (fabriek), waaronder begrepen uit steen en pannen gefabriceerde elementen met de bijbehorende gebouwen, andere bouwwerken en erven.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de bouwplannen in strijd zijn met het bestemmingsplan.

   Dat betoog faalt. Appellant heeft verklaard dat de bouwwerken zijn bestemd voor de uitoefening van een door zijn dochter ter plaatse op te richten bedrijf, gericht op het ontwerpen van sjablonen en het stempelen en beschilderen van tegels, keramische artikelen en dakpannen. De tegels, keramische artikelen en dakpannen zullen niet ter plaatse worden geproduceerd, maar worden aangekocht en vervolgens beschilderd en/of (machinaal) bestempeld. Niet is gebleken dat appellant het ter zitting in hoger beroep geuite voornemen om zelf tegels te vervaardigen reeds eerder in de procedure aan het college kenbaar heeft gemaakt. Derhalve kon het college daarmee in de besluitvorming geen rekening te houden. Op grond van de toentertijd voorhanden informatie over het voorgenomen gebruik is het college er terecht van uitgegaan dat ter plaatse geen productie van keramische artikelen zou plaatsvinden. Gelet daarop is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een industrieel bedrijf als bedoeld in de planvoorschriften en dat het beoogd gebruik van de bouwwerken in strijd is met de bestemming.

   De bouwplannen kunnen derhalve alleen worden gerealiseerd met vrijstelling als bedoeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Anders dan appellant betoogt heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat artikel 46, derde lid, van de Woningwet in zo'n geval belet dat de vergunningen van rechtswege zijn verleend.

2.5.    Nu het beoogd gebruik van de bouwwerken in strijd is met het bestemmingsplan heeft het college gelet op het bepaalde in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet terecht geweigerd daarvoor bouwvergunning te verlenen.

2.6.    Anders dan appellant betoogt bestaat geen grond voor het oordeel dat het college bij afwijzing van de aanvraag om bouwvergunning voor bouwplan B niet mocht verwijzen naar zijn in het besluit tot afwijzing van bouwplan A verwoorde standpunt, dat ter plaatse geen industrieel bedrijf wordt uitgeoefend. Niet is gebleken dat zich na het besluit tot afwijzing van bouwplan A wijzigingen hebben voorgedaan met betrekking tot het beoogde gebruik, dan wel dat het college bij de beoordeling van bouwplan B is uitgegaan van onjuiste feitelijke gegevens. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking, hetgeen hiervoor onder 2.4 is weergegeven, dat het voornemen om ter plaatse zelf tegels te vervaardigen eerst is geuit in hoger beroep.

2.7.    De rechtbank heeft voorts op goede gronden overwogen dat de omstandigheid dat het college niet binnen de door de wet voorgeschreven termijnen op de bezwaarschriften van appellant heeft beslist niet met zich brengt dat de besluiten waartegen beroep is ingesteld enkel op die grond voor vernietiging in aanmerking komen. Met betrekking tot het betoog van appellant dat het college niet tijdig op de bouwaanvragen heeft beslist is hiervoor reeds overwogen dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat dit niet tot gevolg heeft gehad dat bouwvergunningen van rechtswege zijn ontstaan. Hetgeen appellant in hoger beroep nog heeft aangevoerd met betrekking tot procedurele gebreken, leidt niet tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

2.8.    Ten aanzien van het betoog van appellant dat het college ten onrechte leges heeft geheven voor het beoordelen van de bouwplannen, wordt overwogen dat de algemene bestuursrechter, gelet op het bepaalde in artikel 8:4, aanhef en onder g, van de Awb, niet bevoegd is daarop uitspraak te doen.

2.9.    Tenslotte is, anders dan appellant betoogt, het in bezwaar gedane verzoek om vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, door het college terecht afgewezen. Niet is immers voldaan aan de in die bepaling gestelde voorwaarde dat de bestreden besluiten zijn herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

2.10.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Schortinghuis

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2005

66-422.