Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6176

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-05-2005
Datum publicatie
25-05-2005
Zaaknummer
200406957/1 en 200406958/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wateringen (thans: Westland; hierna: het college) vrijstelling verleend op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) ten behoeve van de aanleg en het gebruik van het meest noordelijke voetbalveld, een trainingsveld, de ontsluiting, de fietsenstalling en de parkeervoorzieningen ten behoeve van het sportcomplex KMD in het gebied tussen het perceel Heulweg 34, de provinciale weg N211 (Wippolderlaan) en de wijk Suydervelt te Wateringen (hierna: het sportcomplex). Voorts heeft het college bij besluiten van 7 oktober 2003 en 11 november 2003 onder verlening van vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO, bouwvergunning verleend voor de bouw van ballenvangers met een hoogte van 8 meter op het perceel gelegen aan de Heulweg 32a te Wateringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200406957/1 en 200406958/1.

Datum uitspraak: 25 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 juli 2004 in de gedingen tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wateringen (thans: Westland; hierna: het college) vrijstelling verleend op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) ten behoeve van de aanleg en het gebruik van het meest noordelijke voetbalveld, een trainingsveld, de ontsluiting, de fietsenstalling en de parkeervoorzieningen ten behoeve van het sportcomplex KMD in het gebied tussen het perceel Heulweg 34, de provinciale weg N211 (Wippolderlaan) en de wijk Suydervelt te Wateringen (hierna: het sportcomplex). Voorts heeft het college bij besluiten van 7 oktober 2003 en 11 november 2003 onder verlening van vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO, bouwvergunning verleend voor de bouw van ballenvangers met een hoogte van 8 meter op het perceel gelegen aan de Heulweg 32a te Wateringen.

Bij besluiten van 7 januari 2003 en 23 december 2003 heeft het college de daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraken van 20 juli 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken hebben appellanten bij brieven van 18 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 november 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2005, waar namens appellanten is verschenen [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door B. Schuit en mr. J.C. van Strien, ambtenaren bij de gemeente, het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, vertegenwoordigd door mr. P.J.V.M Severijns, zijn verschenen. Voorts is verschenen [gemachtigde], vertegenwoordiger van de sportvereniging die van het sportcomplex gebruik maakt.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten betogen, samengevat weergegeven, dat de rechtbank heeft miskend dat het college is afgeweken van de afstand van 50 meter die in de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" is aanbevolen voor woningen tot aan een sportcomplex  en dat mede gelet hierop hun belangen bij de verleende vrijstellingen onevenredig zijn geschaad.

2.1.1.    Het sportcomplex is gelegen in een gebied waarvoor vier bestemmingsplannen gelden. In haar uitspraak van 10 april 2000, zaak nr. E01.99.0032/1 (ter voorlichting van partijen aangehecht) heeft de Afdeling deels goedkeuring verleend en deels goedkeuring onthouden aan het noordelijk deel van het bestemmingsplan "Suydervelt" vanwege een op dat moment nog aanwezig glastuinbouwbedrijf. In dit gebied waarbinnen de aanleg van het derde wedstrijdveld, het trainingsveld, een deel van de parkeervoorzieningen en de fietsenstalling zijn voorzien gelden daarom nog de oude bestemmingsplannen "Wateringen Dorp" en "Plan in Hoofdzaak". In het gebied waarbinnen het andere deel van de parkeervoorzieningen, de ontsluiting en de ballenvangers zijn voorzien geldt het bestemmingsplan "N211/N54/N22 (veilingroute/c.a.)". Ten einde de strijdigheid met deze bestemmingsplannen op te heffen heeft het college de betwiste vrijstellingen verleend.

2.1.2.    De plaats waar de ballenvangers zijn voorzien ligt op een afstand van ongeveer 100 meter van de woningen van appellanten, terwijl de gronden opgenomen in het bestemmingsplan "N211/N54/N222 (veilingroute)c.a." op ongeveer 250 meter van de woningen liggen. Deze afstanden wijken niet af van de aanbevolen afstand in de VNG-brochure.

De afstand van de woningen van appellanten tot aan de gronden opgenomen in het bestemmingsplan "Suydervelt" bedraagt ongeveer 18 meter. Dat deze afstand afwijkt van de aanbevolen afstand in de VNG-brochure kan echter thans niet aan de orde zijn, nu de goedkeuring van het desbetreffende deel van dit bestemmingsplan door de Afdelingsuitspraak van 10 april 2000 in stand is gelaten. Met betrekking tot de gronden opgenomen in de bestemmingsplannen "Wateringen Dorp" en "Plan in Hoofdzaak", waarvan een deel op minder dan 50 meter van de woningen zijn gelegen mocht het college aansluiten bij de planologische keuze voor het oprichten van het sportcomplex zoals die is gemaakt in het bestemmingsplan "Suydervelt".

De ballenvangers, de ontsluiting, de fietsenstalling en de parkeervoorzieningen dienen te worden aangemerkt als noodzakelijke voorzieningen voor het gebruik van het sportcomplex. Daarbij komt dat de verwachting van appellanten dat er geen voetbalveld zou worden aangelegd in het gebied waarin het sportcomplex is gelegen niet gefundeerd is, reeds nu uit de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2000, kan worden afgeleid dat de aanleg van een voetbalveld niet is uitgesloten. Voorts is met de aanleg van een voetbalveld, wellicht op een andere wijze dan appellanten voor ogen hadden, een groene invulling gegeven aan de locatie waar eerst de drafrenbaan lag.

2.1.3.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan niet kan worden staande gehouden dat de belangen van appellanten door de verleende vrijstellingen onevenredig worden geschaad. Met de rechtbank is de Afdeling dan ook van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het college bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de gevraagde vrijstellingen te verlenen. Het betoog faalt.

2.2.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Klein Nulent

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2005

218-430.