Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6172

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-05-2005
Datum publicatie
25-05-2005
Zaaknummer
200407448/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2003 heeft de gemeenteraad van Moerdijk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2003, het bestemmingsplan "Kern Fijnaart" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407448/1.

Datum uitspraak: 25 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4.    [appellanten sub 4], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2003 heeft de gemeenteraad van Moerdijk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2003, het bestemmingsplan "Kern Fijnaart" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 13 juli 2004, no. 966954, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 1 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2004, appellant sub 2 bij brief van 3 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 6 september 2004, appellant sub 3 bij brief van 3 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2004, en appellanten sub 4 bij brief van 7 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2004, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant sub 3 en van de gemeenteraad van Moerdijk. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2005, waar appellant sub 2 in persoon, appellant sub 3, vertegenwoordigd door [appellant sub 2], gemachtigde, appellanten sub 4 bij monde van [gem, en bijgestaan door mr. M.J. Smaling, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. G.R. van Bruggen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Moerdijk, vertegenwoordigd door ing. J.A. van Broekhoven, ambtenaar van de gemeente.

Appellanten sub 1 zijn niet verschenen.

2.    Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1.    [appellanten sub 1] en [appellanten sub 4] stellen dat, nu het ontwerp in afwijking van het voorontwerp in een twintigtal aanleunwoningen voorziet, de gemeenteraad nogmaals de gelegenheid tot inspraak had moeten bieden. Deze beroepsgrond steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Dit is slechts anders voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake een zienswijze in te brengen.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor. Voorts merkt de Afdeling op dat, in tegenstelling tot hetgeen appellanten betogen, genoemde beroepsgrond geen betrekking heeft op een ambtshalve te beoordelen aspect.

De beroepen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 4] zijn in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Formeel bezwaar

2.3.    Verder hebben [appellanten sub 1] als formeel bezwaar aangevoerd dat zij de brief met daarin de reactie van de gemeenteraad op hun bedenkingen eerst na de provinciale hoorzitting hebben ontvangen.    

2.3.1.    In de Wet op de Ruimtelijke Ordening valt geen bepaling aan te wijzen op grond waarvan in een geval als hier aan de orde de verplichting bestaat om vóór aanvang van de provinciale hoorzitting appellanten de reactie van de gemeenteraad op hun bedenkingen toe te sturen. Evenmin brengt in dit geval de zorgvuldigheid, dan wel enige andere wettelijke bepaling dit met zich.

De Afdeling ziet in hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd dan ook geen reden te oordelen dat de in de wet neergelegde procedure in zoverre niet op een juiste wijze is doorlopen.

De beroepsgronden betreffende het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" met de aanduiding "11"

Het standpunt van appellanten

2.4.    [appellanten sub 1] en [appellanten sub 4] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" met de aanduiding "11" aan de Edvard Griegstraat, ten behoeve van de bouw van aanleunwoningen.

Appellanten betwisten de behoefte aan zorgvoorzieningen ter plaatse en stellen dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de behoefte aan zorg op lange termijn.

Verder betogen appellanten dat de hoogte, aard en omvang van de voorziene bebouwing zodanig zijn dat deze een ernstige inbreuk maakt op hun woongenot, onder andere in de vorm van verminderde lichtinval, en privacy.

Tevens stellen zij dat ten onrechte een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting van de nabij de aanleunwoningen gelegen weg, ontbreekt.    

Het bestreden besluit

2.4.1.    Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft dit plandeel goedgekeurd.

Hij heeft daartoe overwogen dat de behoefte aan de uitbreiding van het verzorgingshuis en de daarmee samenhangende nieuwbouw van aanleunwoningen en de situering in de directe nabijheid van het bestaande verzorgingshuis voldoende is aangetoond. Aangezien deze inbreidingslocatie in het centrum van Fijnaart ligt, zijn dichtere bebouwingsvormen volgens hem aanvaardbaar.

Het plan zal niet leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en  leefklimaat van appellanten, aldus verweerder.

De vaststelling van de feiten

2.4.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

De gemeenteraad heeft met het plan onder meer beoogd de uitbreiding van het verzorgingshuis Fendertshof mogelijk te maken. Ten behoeve van de uitbreiding aan de achterzijde van het verzorgingshuis dienen daar 33 aanleunwoningen te worden gesloopt. Ter vervanging wordt aan de Edvard Griegstraat - achter de woningen, dan wel praktijkruimte van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 4] - een twintigtal aanleunwoningen gebouwd.

In opdracht van het provinciale bestuur is de zorgbehoefte onderzocht in de kern Fijnaart. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Lokale verkenning zorgbehoefte 2000". In 2001 is door het gemeentebestuur in samenwerking met het provinciale bestuur opnieuw de behoefte aan zorg onderzocht. De uitkomsten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Zorg in Fijnaart".

Volgens deze rapporten zal in 2005 een tekort van ongeveer 30 verzorgingshuis- en verpleeghuisplaatsen zijn ontstaan. In 2015 zal volgens deze rapporten sprake zijn van een tekort van ongeveer 47 verzorgingshuis- en verpleeghuisplaatsen.

De gronden hebben de bestemming "Maatschappelijke voorzieningen".

Ingevolge artikel 8.2.3., onder c, van de planvoorschriften voorzover hier van belang, mag het bebouwingspercentage op gronden met deze bestemming niet meer dan 75% bedragen.

Ingevolge artikel 8.2.3., onder b, is overschrijding van het bebouwingsvlak toegestaan ten behoeve van ondergeschikte delen van gebouwen indien dit uit stedenbouwkundig en verkeerskundig oogpunt aanvaardbaar is en tevens aan de volgende voorwaarden is voldaan:

-de diepte bedraagt niet meer dan 1,25 m;

-de oppervlakte bedraagt niet meer dan 6 m2;

-de afstand tot de begrenzing van de bestemming, die gericht is naar de weg, bedraagt niet minder dan 1 m.

Ingevolge artikel 8.2.4., onder b, zijn gebouwen van ondergeschikte aard buiten de bebouwingsvlakken toegestaan tot een gezamenlijke oppervlakte van 50 m2 per bouwperceel en een goothoogte van 3 m. De bouwhoogte van gebouwen van ondergeschikte aard moet minder zijn dan 5 m.

Ingevolge artikel 8.2.4., onder a, mag de bouwhoogte op gronden met de genoemde bestemming niet meer bedragen dan op de plankaart is aangegeven.

Op de plankaart is een maximale bebouwingshoogte opgenomen van 11 m.

Blijkens de plankaart geldt voor de omringende gronden een maximale bebouwingshoogte die varieert tussen de 8 en 10 meter. De maximale bebouwingshoogte voor het verzorgingstehuis direct aan de overzijde van de Edvard Griegstraat is 11 meter.

De afstand tussen het bebouwingsvlak aan de Edvard Griegstraat en de woningen, dan wel praktijkruimte van appellanten is 10 tot 14 meter.

2.4.3.    Ingevolge artikel 77, aanhef, van de Wet geluidhinder wordt bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, vanwege het college van burgemeester en wethouders een akoestisch onderzoek ingesteld.

Ingevolge artikel 74, eerste lid, aanhef, bevindt zich langs een weg een zone.

Ingevolge artikel 74, tweede lid, sub b, geldt het eerste lid niet met betrekking tot wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt.

Blijkens de stukken gold ten tijde van de vaststelling van het plan voor de weg waaraan de aanleunwoningen zijn voorzien een maximale snelheid van 30 kilometer per uur.

Het oordeel van de Afdeling

2.4.4.    Gelet op de in rechtsoverweging 2.4.2. genoemde onderzoeken kan de Afdeling appellanten niet volgen in hun stelling dat de gemeenteraad, dan wel verweerder respectievelijk ten tijde van de vaststelling van het plan, dan wel ten tijde van het nemen van het bestreden besluit over onvoldoende onderzoek beschikte omtrent de behoefte aan zorg op zowel korte, als lange termijn.

Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de genoemde onderzoeken zodanige gebreken vertonen dat verweerder zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet had mogen baseren.  

Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de kern Fijnaart voldoende behoefte bestaat aan de voorziene uitbreiding van het verzorgingshuis.

2.4.5.    Gelet op de onder 2.4.2. genoemde bebouwingsmogelijkheden kan, in aanmerking genomen dat appellanten thans een vrij uitzicht hebben, naar het oordeel van de Afdeling niet worden ontkend dat met de bouw van de aanleunwoningen een verlies van uitzicht en privacy zal optreden. Evenmin acht de Afdeling uitgesloten dat de bouw van de aanleunwoningen zal leiden tot een verminderde lichtinval in de tuinen van omwonenden.

Evenwel ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door het plan veroorzaakte aantasting van het woon- en leefklimaat van appellanten niet onaanvaardbaar is. De Afdeling heeft daarbij de afstand tussen de grens van het bebouwingsvlak enerzijds en de praktijkruimte, dan wel de woningen van appellanten anderzijds in aanmerking genomen. Wat betreft de maximale bebouwingsmogelijkheden heeft verweerder bij zijn beoordeling tevens kunnen betrekken dat de aanleunwoningen zijn voorzien op een inbreidingslocatie in stedelijk gebied. Aangaande de maximale bebouwingshoogte is verder van belang dat aansluiting is gezocht bij de maximale bebouwingshoogte voor het nabijgelegen bestaande gedeelte van het verzorgingshuis. Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de maximaal toegestane bebouwingshoogte voor de aanleunwoningen niet substantieel afwijkt van de maximaal toegestane bebouwingshoogte voor de gronden in de omgeving.

2.4.6.    Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.4.3. heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat op grond van de Wet geluidhinder geen akoestisch onderzoek behoefde te worden ingesteld. Appellanten hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat niettemin als gevolg van het plan een dusdanig grote geluidsbelasting op de omgeving zal optreden dat vanwege mogelijke strijd met een goede ruimtelijke ordening een akoestisch onderzoek diende te worden ingesteld.

2.4.7.     Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten in zoverre hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder op dit punt terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. De beroepen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 4] zijn in zoverre ongegrond.

De beroepsgronden betreffende het plandeel met de bestemming "Verspreide voorzieningen" met de aanduiding "praktijkruimte toegestaan" en artikel 5.2. van de planvoorschriften

Het standpunt van appellanten

2.5.    Verder stellen [appellanten sub 1] in beroep dat verweerder het plandeel met de bestemming "Verspreide voorzieningen" met de aanduiding "praktijkruimte toegestaan" voor hun tandartspraktijk ten onrechte heeft goedgekeurd.

Zij voeren hiertoe aan dat deze bestemming en aanduiding tot gevolg hebben dat het aanwezige woonhuis is wegbestemd.

Verder kunnen zij zich niet verenigen met artikel 5.2., van de planvoorschriften, voorzover dat slechts een eenmalige uitbreiding van een praktijkruimte met 10% mogelijk maakt. Appellanten stellen dat dit te meer klemt nu het plan voorziet in aanzienlijke bouwmogelijkheden op het aangrenzende perceel.

Het bestreden besluit

2.5.1.    Verweerder heeft geen reden gezien dit plandeel en voorschrift in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft deze goedgekeurd. Hij heeft daartoe overwogen dat het plan grotendeels conserverend van aard is en slechts beperkte uitbreidingsmogelijkheden biedt. De bestemming voor de gronden van appellanten is daarmee in overeenstemming, aldus verweerder. Dit neemt niet weg dat het plan tevens voorziet in enkele nieuwe ontwikkelingen waaronder de bouw van aanleunwoningen op het aangrenzende perceel.

De vaststelling van de feiten

2.5.2.    Aan de gronden waarop de tandartspraktijk van appellanten is gevestigd is de bestemming "Verspreide voorzieningen" toegekend met de aanduiding "praktijkruimte toegestaan".

Ingevolge artikel 5.1. van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn gronden met deze bestemming en aanduiding bestemd voor een praktijkruimte en voor wonen.

Ingevolge artikel 5.2.2. is wonen toegestaan op de begane grond en op de verdieping; het aantal woningen per bestemmingsvlak, zoals dit aanwezig is ten tijde van de ter visielegging van het ontwerp, mag niet worden uitgebreid.

Zowel ten tijde van de ter inzagelegging van het ontwerp als ten tijde van het nemen van het bestreden besluit omtrent goedkeuring van het plan was op het perceel van appellanten één woning aanwezig.

Ingevolge artikel 5.2.1., voorzover hier van belang, mogen de bestaande praktijkruimten worden voortgezet en per functie met maximaal 10% van het bestaande bedrijfsvloeroppervlak worden uitgebreid.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.3.    Gelet op het overwogene onder 2.5.2. is op het perceel van appellanten ingevolge artikel 5.1. in samenhang bezien met artikel 5.2.2. van de planvoorschriften wonen toegestaan op de begane grond en de verdieping. Voorzover appellanten stellen dat de woning ter plaatse niet als zodanig is bestemd, mist het beroep dan ook feitelijke grondslag.

2.5.4.    De tandartspraktijk van appellanten is in het plan als zodanig bestemd. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de in artikel 5.2.1. van de planvoorschriften geboden uitbreidingsmogelijkheid in het algemeen onevenredig beperkend is.

Ingevolge dit voorschrift kan de praktijkruimte met 10% van het bestaande bedrijfsvloeroppervlak worden uitgebreid. Niet gebleken is dat appellanten concrete uitbreidingsplannen voor hun tandartspraktijk hebben.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de Afdeling dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voldoende uitbreidingsmogelijkheden biedt. Dat het plan op het aangrenzende perceel

- met een andere bestemming - grotere uitbreidingsmogelijkheden biedt, maakt dit niet anders.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voorschrift in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten in zoverre hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

2.5.5.    Het beroep van drs. [appellanten sub 1] is op deze onderdelen ongegrond.

De beroepsgronden betreffende het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduiding "glastuinbouw", voorzover verweerder daaraan bij het bestreden besluit goedkeuring heeft verleend

Het standpunt van appellanten

2.6.    [appellant sub 2] en [appellant sub 3] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte grotendeels goedkeuring heeft verleend aan de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduiding "glastuinbouw" voor het perceel [locatie].

Zij voeren hiertoe aan dat dit perceel ten onrechte deel uitmaakt van dit plan en niet van het bestemmingsplan "Buitengebied". Zij stellen dat dit plan in vergelijking tot het plan "Buitengebied" en het voorheen geldende plan te beperkend is wat betreft de uitbreidingsmogelijkheden en de maximaal toegestane bebouwingshoogte.  

Het bestreden besluit

2.6.1.    Verweerder heeft dit plandeel met de bestemming en aanduiding niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Hij stelt dat de gronden in dit plan zijn opgenomen vanwege de ligging van het glastuinbouwbedrijf en de ruimtelijke samenhang met de kern. Bovendien is het voor de uitbreidingsmogelijkheden van dit bedrijf niet van belang of het plan "Buitengebied", dan wel dit plan daarop van toepassing is, aldus verweerder. Hij wijst er verder op dat dit plan niet minder uitbreidingsmogelijkheden biedt dan het voorheen geldende plan.

De vaststelling van de feiten

2.6.2.    Blijkens de plantoelichting is de ligging van de plangrenzen ingegeven door de grenzen van de geldende bestemmingsplannen en het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan "Buitengebied". Verder is een aantal voorzieningen in het plan opgenomen, die gezien hun functie bij de kern horen.

Het perceel grenst aan twee zijden aan delen van de kern Fijnaart.

Vanwege de omgevingskwaliteit heeft de gemeenteraad in het plan voorschriften opgenomen om het bouwvolume op het perceel te beperken.

Ingevolge artikel 15.2.2., onder b, van de planvoorschriften, mag de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen niet meer bedragen dan op de kaart is aangegeven. Op de plankaart is een maximale bebouwingshoogte van 5 meter opgenomen.

Vaststaat dat de bestaande kas en loods op het perceel ongeveer 4 meter hoog zijn.

De plantoelichting vermeldt dat het plan grotendeels conserverend van aard is en slechts beperkte uitbreidingsmogelijkheden biedt voor agrarische bedrijven. Blijkens de stukken heeft de gemeenteraad een gebied aan de Hazeldonkse Zandweg aangewezen als doorgroeigebied voor glastuinbouwbedrijven. Verder is in de gemeentelijke "Visie glastuinbouw" een aantal solitaire glastuinbouwbedrijven aangewezen. Het gemeentelijke beleid is erop gericht dat uitsluitend bedrijven die in het genoemde gebied liggen, dan wel in de genoemde Visie zijn aangewezen, uitbreidingsmogelijkheden krijgen. Het bedrijf aan de [locatie] ligt niet in dit gebied en is evenmin in de "Visie glastuinbouw" aangewezen als solitair glastuinbouwbedrijf.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.3.     Gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening komt de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan.

Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

De Afdeling is, gelet op de stukken, van oordeel dat in dit geval verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat hij deze ook overigens terecht heeft goedgekeurd. Daarbij heeft de Afdeling betrokken dat het plan betrekking heeft op de kern Fijnaart en het glastuinbouwbedrijf grenst aan deze kern.

Gezien deze ligging van het glastuinbouwbedrijf en de hoogte van de bestaande bebouwing, heeft verweerder kunnen instemmen met een maximale bebouwingshoogte van 5 meter.

De ligging van het glastuinbouwbedrijf in aanmerking genomen, alsmede de conserverende aard van het plan, heeft verweerder de bebouwingsmogelijkheden van het plan niet onevenredig beperkend behoeven te achten. De Afdeling heeft daarbij betrokken dat het plan blijkens het verhandelde ter zitting nagenoeg dezelfde uitbreidingsmogelijkheden biedt als het voorheen geldende plan.

Derhalve heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten in zoverre hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder op dit punt terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

De beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] zijn in zoverre ongegrond.

Overigens heeft verweerder ter zitting toegezegd dat indien appellanten in de toekomst om technische redenen, met name wat betreft de bouwhoogte van de kassen, grotere bebouwingsmogelijkheden nodig mochten hebben, verweerder te zijner tijd de mogelijkheden daartoe zal bezien.

De beroepsgrond betreffende het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduiding "glastuinbouw", voorzover verweerder daaraan bij het bestreden besluit goedkeuring heeft onthouden

Het bestreden besluit

2.7.    Verweerder heeft aan een gedeelte van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduiding "glastuinbouw" voor het perceel aan de Molenstraat 5A goedkeuring onthouden. Hij heeft daartoe overwogen dat de bestaande bebouwing op het perceel onjuist is ingetekend. Volgens hem heeft de gemeenteraad bij de westelijke begrenzing van het bouwblok geen rekening gehouden met de bestaande bebouwing.

Het standpunt van appellanten

2.7.1.    [appellant sub 2] en [appellant sub 3] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat de westelijke grens van het bouwvlak dient aan te sluiten bij de grens van de bestaande bebouwing. Zij stellen dat de westelijke grens van het bouwvlak dient samen te vallen met de perceelsgrens, zodat de gronden geheel kunnen worden bebouwd.

De vaststelling van de feiten

2.7.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

Op het perceel [locatie] is een glastuinbouwbedrijf gevestigd. Blijkens de stukken zijn in de directe nabijheid van het perceel onder meer woningen en centrumvoorzieningen voorzien.

Op de plankaart is voor het perceel [locatie] een bouwvlak opgenomen.

Ingevolge artikel 15.2.1., onder a, van de planvoorschriften voorzover hier van belang, mag het bebouwingsvlak, zoals aangeduid op de plankaart, behoudens de onder c. genoemde uitzonderingen, niet worden overschreden.

Ingevolge artikel 15.2.1., onder c, is overschrijding van bebouwingsgrens I en het bebouwingsvlak naar de wegzijde toe, toegestaan ten behoeve van ondergeschikte onderdelen van gebouwen, zoals erkers, luifels en balkons, indien dit uit verkeerskundig en stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is en tevens aan een aantal voorwaarden is voldaan.

Ingevolge artikel 15.2.2., onder a, zijn gebouwen uitsluitend toegestaan binnen het op de plankaart aangegeven "bebouwingsvlak".

Het oordeel van de Afdeling

2.7.3.    Door de onthouding van goedkeuring aan het planonderdeel waartegen de inhoudelijke bezwaren van appellanten zijn gericht, is in zoverre aan de bezwaren van appellanten tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de gemeenteraad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, kan echter niet slechts deze onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in deze procedure ter beoordeling staan.

De Afdeling vat het beroep van appellanten daarom aldus op dat zij zich er tegen verzetten dat aan de onthouding van goedkeuring uitsluitend de in het bestreden besluit genoemde overwegingen ten grondslag zijn gelegd.

In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de grens van het bebouwingsvlak in een plan ter voldoening aan de uit artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voortvloeiende verplichting dient te worden aangepast aan de bestaande bebouwing ter plaatse.

Niet in geschil is dat de grens van de feitelijke bebouwing niet samenvalt met de perceelsgrens. De wens van appellanten om de westelijke grens van het bouwvlak te laten samenvallen met de perceelsgrens komt derhalve neer op de mogelijkheid de bestaande bebouwing uit te breiden.

Het gemeentelijke beleid ten aanzien van de uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven als genoemd in rechtsoverweging 2.6.2. acht de Afdeling niet onredelijk. Het beroep van appellanten geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder en de gemeenteraad in dit geval niet aan het gemeentelijke beleid hebben kunnen vasthouden. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat de gronden in stedelijk gebied liggen en glastuinbouw geen stedelijke functie betreft. Verder heeft de Afdeling daarbij betrokken dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt.

Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder de genoemde motivering in redelijkheid ten grondslag heeft kunnen leggen aan zijn besluit.

De beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] zijn in zoverre ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 4] niet-ontvankelijk voorzover die betrekking hebben op het houden van een tweede inspraakronde;

II.    verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] geheel en de beroepen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 4] voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Klein

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2005

176-425.