Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6164

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-05-2005
Datum publicatie
25-05-2005
Zaaknummer
200408055/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2000 heeft appellant (hierna: het dagelijks bestuur) de op 4 november 1999 aan de besloten vennootschap De Hollandsche Maatschappij voor Vastgoedontwikkeling B.V. (hierna: De Hollandsche) verleende stimuleringsbijdrage van ƒ 224.000,00 (€ 101.646,77) ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200408055/1.

Datum uitspraak: 25 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het dagelijks bestuur van de stadsregio Rotterdam,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. BELEI 03/2167 VRLK van de rechtbank Rotterdam van 17 augustus 2004 in het geding tussen:

de besloten vennootschap De Hollandsche Maatschappij voor Vastgoedontwikkeling B.V., gevestigd te Alkmaar,

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2000 heeft appellant (hierna: het dagelijks bestuur) de op 4 november 1999 aan de besloten vennootschap De Hollandsche Maatschappij voor Vastgoedontwikkeling B.V. (hierna: De Hollandsche) verleende stimuleringsbijdrage van ƒ 224.000,00 (€ 101.646,77) ingetrokken.

Bij besluit van 25 juni 2003 heeft appellant het daartegen door De Hollandsche gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 augustus 2004, verzonden op 18 augustus 2004, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door De Hollandsche ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 28 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 29 september 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 maart 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 november 2004 heeft De Hollandsche van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de Hollandsche. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Kuipers, gemachtigde, en De Hollandsche, vertegenwoordigd door drs. H.P.G. de Boer, gemachtigde, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 36, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening Woninggebonden Subsidies 1995, zoals deze luidt sinds 24 februari 1999 en voorzover hier van belang (hierna: de Verordening), verleent het dagelijks bestuur geldelijke steun onder de voorwaarde dat voor 1 december volgend op het jaar van het besluit tot verlening van geldelijke steun de eerste paal is geslagen. Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder d wordt die steun verleend onder de voorwaarde dat het besluit waarbij de geldelijke steun is verleend komt te vervallen, indien niet voor de onder sub c genoemde datum met de werkzaamheden is gestart.

   Ingevolge het tweede lid van artikel 36 kan het dagelijks bestuur op verzoek van burgemeester en wethouders en/of de initiatiefnemer de in het eerste lid onder c bedoelde termijn met maximaal 12 maanden verlengen.

   Ingevolge artikel 47 kan het dagelijks bestuur - voor zover hier van belang - het besluit tot verlening geheel of gedeeltelijk intrekken indien niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de Verordening.

2.2.    Aan De Hollandsche is op 4 november 1999 op grond van de Verordening een stimuleringsbijdrage verleend voor de bouw van 32 middeldure koopwoningen aan het Pinasplein te Rotterdam (bouwplan Ichtus-Pinasplein). Deze bijdrage is op 15 december 2000 ingetrokken omdat niet tijdig met de bouw was gestart.

2.3.    De rechtbank heeft overwogen dat De Hollandsche nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de bestreden beslissing op bezwaar en dat dit is gelegen in de omstandigheid dat niet uitgesloten kan worden dat De Hollandsche het bouwplan nog kan realiseren. Het dagelijks bestuur bestrijdt dat dat belang nog bestond. Hij is van mening dat dit voortvloeit uit het feit dat het bouwproject waarvoor aan De Hollandsche de stimuleringsbijdrage was verstrekt niet meer kon worden gerealiseerd, omdat de daarvoor benodigde bouwgrond niet meer beschikbaar was.

2.3.1.    De grond waarop De Hollandsche het bouwplan wil realiseren is eigendom van de gemeente Rotterdam. Uit de brief van de directeur van het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam (OBR) van 20 juni 2000 aan De Hollandsche blijkt dat de grondreservering door de gemeente ten behoeve van het bouwplan van De Hollandsche op 1 juni 2000 is beëindigd alsmede dat een besluit zal worden voorbereid over de keuze tussen renovatie of sloop en nieuwbouw van de op de locatie aanwezige school. Bij brief van 25 oktober 2001 heeft de directeur van het OBR De Hollandsche medegedeeld dat de gemeenteraad en de deelgemeente definitief hebben besloten het aldaar aanwezige schoolgebouw her te bestemmen als een verzamelgebouw met een sociaal/cultureel/maatschappelijke functie.

2.3.2.    Gelet op het voorgaande was al geruime tijd vóór de behandeling van het beroep door de rechtbank duidelijk dat de bouwlocatie voor het plan van De Hollandsche niet meer beschikbaar was en dat de gemeente Rotterdam ter plaatse een andere ontwikkeling voorstond resulterend in een plan tot herbestemming van het schoolgebouw, niet zijnde een woonbestemming. Deze (feitelijke) ontwikkelingen hebben tot gevolg dat het realiseren van het bouwplan Ichtus-Pinasplein niet meer tot de mogelijkheden behoort. Relevant is daarbij dat het dagelijks bestuur noch de stadsregio Rotterdam ter zake van de grond, het daarop aanwezige schoolgebouw en het gebruik daarvan enige bevoegdheid toekomt. Dit betekent dat De Hollandsche met het beroep tegen die beslissing op bezwaar niet meer kon bereiken dat zij haar bouwplan alsnog met de geldelijke bijdrage, zoals die op 4 november 1999 door het dagelijks bestuur was verleend, zou kunnen verwezenlijken. Haar belang bij een beoordeling van die beslissing was dan ook komen te vervallen. De rechtbank heeft dit miskend.

2.3.3.    Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep gegrond is en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. In aanmerking genomen dat van een ander dan het bij de rechtbank gestelde belang niet is gebleken zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van De Hollandsche niet-ontvankelijk verklaren.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 augustus 2004, BELEI 03/2167 VRLK;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2005

47-384.