Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6151

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2005
Datum publicatie
25-05-2005
Zaaknummer
200503457/1 en 200503457/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juni 2004 heeft verweerder een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 5.000,00 per week dat er zonder vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer activiteiten plaatsvinden op het perceel [locatie] te [plaats]. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 50.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503457/1 en 200503457/2.

Datum uitspraak: 20 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2004 heeft verweerder een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 5.000,00 per week dat er zonder vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer activiteiten plaatsvinden op het perceel [locatie] te [plaats]. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 50.000,00.

Bij brief van 19 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 20 april 2005, heeft appellante beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het beweerdelijk door haar gemaakte bezwaar van 2 augustus 2004 tegen het besluit van 22 juni 2004.

Bij brief van 19 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 22 april 2005, heeft appellante de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. F.W. Schokking, advocaat te Nuland, en [gemachtigde] en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.M. Keltering-Schothuis en ing. S.L. Winter, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    Overwegingen

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.    De Voorzitter stelt vast dat het geschil zich toespitst op de vraag of het faxbericht van appellante van 2 augustus 2004 moet worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het besluit van verweerder van 22 juni 2004. De Voorzitter is van oordeel dat dit het geval is, temeer nu het faxbericht binnen de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is ingekomen.

De Voorzitter stelt verder vast dat verweerder bij faxbericht van 3 augustus 2004, verzonden op 4 augustus 2004, heeft gereageerd op het faxbericht van appellante. De Voorzitter is van oordeel dat dit faxbericht moet worden beschouwd als de beslissing op het bezwaar. Dat deze beslissing op bezwaar niet voldoet aan de formele eisen die de Algemene wet bestuursrecht daaraan stelt, doet hieraan niet af. Voorzover appellante stelt dat niet-ontvankelijkverklaring van haar beroep op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht achterwege moet worden gelaten vanwege het ontbreken van rechtsmiddelenvoorlichting in het besluit van verweerder van 3 augustus 2004, overweegt de Voorzitter dat dit feit onvoldoende is om een termijnoverschrijding van meer dan zes maanden verschoonbaar te doen zijn. De Voorzitter heeft daarbij in aanmerking genomen dat het faxbericht van 3 augustus 2004 geen ruimte biedt voor twijfel aan het besluitkarakter ervan, aangezien het een uitdrukkelijke afwijzing van het verzoek van appellante bevat.

2.3.    Uit het vorenstaande volgt dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dient te worden afgewezen.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

II.    wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. Heijerman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2005

255.