Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6147

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-05-2005
Datum publicatie
25-05-2005
Zaaknummer
200408010/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 januari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (hierna: het college) geweigerd vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te verlenen voor het gebruik van een oppervlakte van 1200 m2 van het pand [locatie] te Purmerend voor detailhandel in wit- en bruingoed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200408010/1.

Datum uitspraak: 25 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 18 augustus 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (hierna: het college) geweigerd vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te verlenen voor het gebruik van een oppervlakte van 1200 m2 van het pand [locatie] te Purmerend voor detailhandel in wit- en bruingoed.

Bij besluit van 18 juli 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 19 maart 2003 heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 18 juli 2002 vernietigd.

Bij besluit van 30 oktober 2003 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en de weigering de vrijstelling te verlenen gehandhaafd.

Bij uitspraak van 18 augustus 2004, verzonden op 19 augustus 2004, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 24 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 27 september 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 oktober 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 januari 2005 heeft het college een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2005, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. M.C. Stoové, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door P.J.J. Brakel, ambtenaar van de gemeente Purmerend, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het college heeft aan de weigering vrijstelling te verlenen ten grondslag gelegd de nota "Detailhandelsstructuurvisie/gemeentelijke detailhandelsbeleid 2002-2007" (hierna: de beleidsnota), welke op 30 januari 2003 door de gemeenteraad is vastgesteld en op 21 februari 2003 in werking is getreden. Het beleid is er blijkens de nota onder meer op gericht de recreatieve winkelfunctie van de binnenstad te versterken en branches waarin laagfrequent wordt gekocht elders te vestigen. Detailhandel buiten de binnenstad en de buurt- en wijkwinkelcentra is op grond van de nota niet toegestaan. In het gebied dat als "Overig Purmerend met uitzondering van de Kop van West" is aangeduid is uitsluitend na een daartoe verleende vrijstelling de vestiging van zogenoemde perifere detailhandel in met name opgesomde branches toegelaten. Detailhandel in bruin- en witgoed wordt niet genoemd in de opsomming. Blijkens de nota is het beleid erop gericht in de "Kop van West" woonwinkels, waaronder detailhandel in bruin- en witgoed te concentreren. Doel daarvan is de realisering van een ten opzichte van de binnenstad aanvullend winkelaanbod in grootschalige vorm, thematisch en voor doelgerichte laagfrequente aankopen.

2.2.    Anders dan appellanten betogen, bestaat in dit geval geen grond te oordelen dat dit beleid in zijn algemeenheid onredelijk moet worden geacht. Ook kan niet worden gezegd dat het toelaten van uitsluitend de in de nota genoemde branches in het gebied "Overig Purmerend met uitzondering van de Kop van West" niet zou zijn toegestaan omdat daaraan geen ruimtelijke motieven ten grondslag liggen. Zoals ook namens het college ter zitting naar voren is gebracht, heeft dit beleid met name ook tot doel te voorkomen dat grootschalige detailhandelsvestigingen met verkeersaantrekkende werking in de nabijheid van woonwijken worden opgericht, een situatie die zich bij het verlenen van de gewenste vrijstelling zou voordoen. Van ontoelaatbare branchering is dan ook geen sprake.

2.3.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de locatie niet perifeer is gelegen en dat het college derhalve een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de beleidsnota. Daarbij hebben zij er tevens op gewezen dat in dit kader aan de tussen de rechtsvoorgangster van [appellant 1] en de gemeente Purmerend gemaakte privaatrechtelijke afspraken, neergelegd in een overeenkomst van 11 juni 1996, inhoudende dat ter plaatse geen detailhandel in bruin- en witgoed zou kunnen plaatsvinden, geen doorslaggevende betekenis mag worden toegekend.

2.3.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het door appellanten ingenomen standpunt, dat de locatie niet perifeer is, niet relevant is omdat in de beleidsnota geen invulling wordt gegeven aan het begrip perifeer. Van belang is of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de locatie buiten het kernwinkelgebied is gelegen, zodat het beleid voor "Overig Purmerend met uitzondering van de Kop van West" van toepassing is. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat niet is gebleken dat verweerder de beleidsnota in dit geval onjuist heeft toegepast. Het college heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat de locatie van de binnenstad wordt gescheiden door de Beemsterringvaart, die een natuurlijke overgang vormt tussen de binnenstad en het omliggende gebied.

   Hetgeen appellanten nog hebben aangevoerd omtrent de privaatrechtelijke afspraken behoeft - wat daar ook van zij - gelet op het vorenoverwogene geen bespreking meer.

2.4.    Het betoog van appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat het college de aanvraag had dienen te toetsen aan het beleid dat gold ten tijde van de eerste beslissing op bezwaar van 18 juli 2002, omdat dat beleid gunstiger zou zijn, kan reeds niet slagen, nu de rechtbank terecht heeft  overwogen dat het beleid ten tijde van het nemen van de eerste beslissing op bezwaar niet anders is dan het in de nota vastgelegde beleid. De tussen de gemeente Purmerend en rechtsvoorganger van [appellant 1] gesloten privaatrechtelijke overeenkomst van 11 juni 1996 bevestigt dit nog eens.

2.5.    Voorts bestond er voor het college, anders dan appellanten betogen, geen aanleiding om bij de heroverweging van de geweigerde vrijstelling rekening te houden met het locatiebeleid van de Nota Ruimte, reeds omdat de Nota Ruimte op dat moment nog niet in werking was getreden. Overigens kan uit de Nota Ruimte niet worden afgeleid, zoals appellanten kennelijk menen, dat er van gemeentewege geen belemmeringen meer opgeworpen kunnen worden ten aanzien van de locaties waar detailhandel kan worden uitgeoefend.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Lodder

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2005

17-381.