Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6143

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-05-2005
Datum publicatie
25-05-2005
Zaaknummer
200400022/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2002 (hierna: besluit I) heeft appellant sub 1 (hierna: het college) aan appellante sub 2 (hierna: Zeeman) met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van 36 woningen op het perceel kadastraal bekend Zevenbergen, sectie k, nummer 1046 (ged.), plaatselijk bekend Generaal Allenweg ong., gemeente Moerdijk (hierna: perceel A).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200400022/1.

Datum uitspraak: 25 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk,

2.    de besloten vennootschap Zeeman Vastgoed B.V., gevestigd te Hoorn,

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 26 november 2003 in het geding tussen:

1.    [wederpartij sub1], gevestigd te Zevenbergen,

2.    [wederpartij sub 2], gevestigd te Zevenbergen,

3.    de besloten vennootschap Rotako B.V., gevestigd te Zevenbergen,

4.    de besloten vennootschappen APR Holding B.V. en APR Elektronika Productie B.V., gevestigd te Zevenbergen

en

appellant sub 1.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2002 (hierna: besluit I) heeft appellant sub 1 (hierna: het college) aan appellante sub 2 (hierna: Zeeman) met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van 36 woningen op het perceel kadastraal bekend Zevenbergen, sectie k, nummer 1046 (ged.), plaatselijk bekend Generaal Allenweg ong., gemeente Moerdijk (hierna: perceel A).

Bij besluit van 12 december 2002 (hierna: besluit II) heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening aan Zeeman vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van 36 appartementen op het perceel kadastraal bekend Zevenbergen, sectie L, nummer 5976 (ged.), plaatselijk bekend Huizershoek 1 t/m 36, gemeente Moerdijk (hierna: perceel B).

Bij afzonderlijke besluiten van 20 juni 2003 heeft het college het tegen besluit I door [wederpartij sub 2]. (hierna: Red River) gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, het tegen besluit I door [wederpartij sub 1] (beide hierna: PRS), de besloten vennootschap Rotako B.V. (hierna: Rotako) en de besloten vennootschappen APR Holding B.V. en APR Elektronika Productie B.V. (beide hierna: APR) gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het tegen besluit II door APR gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 november 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda (hierna: de voorzieningenrechter) de daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de bestreden beslissingen op bezwaar vernietigd en het college opgedragen nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief van 24 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2003, en Zeeman bij brief van 29 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 20 januari 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 2 februari 2004 heeft APR een memorie ingediend. Bij brief van 10 februari 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2004, waar het college, vertegenwoordigd door drs. S. Hartog-Dahmeijer, F. Hommel, C. de Klerck, ing. R. Wilbrink en ing. R. Vliex en Zeeman, vertegenwoordigd door mr. W.J.M. Loomans, advocaat te Hoorn, zijn verschenen. Daar zijn ook gehoord APR, vertegenwoordigd door mr. N.Th. ter Haar-Romeny, advocaat te Breda en [partij], Red River en Rotako, vertegenwoordigd door mr. B. Baan, advocaat te Etten-Leur en [partij] en PRS, vertegenwoordigd door mr. P.L.J.M. van Dun, advocaat te Tilburg en [partij].

Het onderzoek ter zitting is vervolgens met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 39 van de Wet op de Raad van State heropend.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 4 januari 2005, waar het college, vertegenwoordigd door drs. S. Hartog-Dahmeijer, F. Hommel, H. Marinus, ing. R. Vliex en ing. R. Wilbrink en Zeeman, vertegenwoordigd door mr. W.J.M. Loomans, advocaat te Hoorn, zijn verschenen. Daar zijn ook gehoord APR, vertegenwoordigd door mr. N.Th. ter Haar Romeny, advocaat te Zevenbergen en [partijen] , Red River en Rotako, vertegenwoordigd door mr. B. Baan, advocaat te Etten-Leur, en [partijen] en PRS, vertegenwoordigd door mr. P.L.J.M. van Dun, advocaat te Tilburg, en [partijen].

2.1.    Overwegingen

Ten aanzien van besluit I

2.2.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.3.    Het betoog van het college dat de rechtbank heeft miskend dat het college het bezwaar van Red River tegen besluit I terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, faalt. Gelet op de afstand van 35 meter tussen de bedrijfsgebouwen van Red River en de het dichtst daarbij te bouwen woning kan, anders dan het college betoogt, niet staande gehouden worden dat dit besluit de bedrijfsvoering van Red River niet kan raken. Red River dient derhalve als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij besluit I te worden aangemerkt.

Ten aanzien van de besluiten I en II

2.4.    Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

   Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voorzover hier van belang, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.5.    De projecten bestaan uit de bouw van 36 woningen en 36 appartementen.

2.6.    Niet in geschil is dat de projecten in strijd zijn met de ingevolge het bestemmingsplan "Molengors" op perceel A rustende bestemmingen "Recreatieve voorzieningen" en "Bedrijfsdoeleinden" en met de ingevolge het als bestemmingsplan geldende "Uitbreidingsplan 1942 basisplan" en "Partiële wijziging uitbreidingsplan in hoofdzaak landelijk gebied II" op perceel B rustende bestemmingen "Industrie" en "Landelijk gebied". Teneinde de realisering van de bouwplannen toch mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, vrijstelling verleend.

2.7.    Blijkens de bestreden beslissingen op bezwaar bestaat de ruimtelijke onderbouwing van de projecten uit het (voor)ontwerpbestemmingsplan "Kop Roode Vaart", de rapporten van de Regionale Milieudienst (hierna: RMD) van 24 juli 2002 en maart 2003 en de risicoanalyse van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) van april 2003. De projecten zijn voorzien op gronden waaraan in het (voor)ontwerpbestemmingsplan de bestemming "Wonen B -WB-" is toegekend.

2.8.    Appellanten komen onder meer op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de ruimtelijke onderbouwing van de projecten op een aantal punten te kort schiet. Volgens appellanten heeft de voorzieningenrechter ten onrechte geoordeeld dat ter plaatse van de geplande woningbouw een redelijk tot goed geluidsklimaat zal heersen en dat APR, PRS, Red River en Rotako in hun huidige en toekomstige bedrijfsvoering geen belemmeringen zullen ondervinden ten gevolge van de geplande woningbouw.

2.9.    Het bestemmingsplan "Kop Roode Vaart" is bij besluit van het college van 20 mei 2003 vastgesteld en bij besluit van 3 februari 2004 van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, voor wat betreft de hier van belang zijnde onderdelen, goedgekeurd. Bij haar uitspraak van heden heeft de Afdeling, voorzover hier van belang, de beroepen van APR, PRS, Red River en Rotako gegrond verklaard en het besluit van het college van gedeputeerde staten vernietigd voorzover het betreft de goedkeuring van de plandelen "Wonen B -WB-" voorzover aangegeven op de bij de uitspraak behorende gewaarmerkte kaart. Onder verwijzing naar hetgeen in die uitspraak is overwogen is de Afdeling met de voorzieningenrechter van oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld. Nu gelet daarop niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 19, tweede lid, van de WRO, moet worden geconcludeerd dat het college niet gerechtigd was toepassing te geven aan de in dit artikellid neergelegde zelfstandige vrijstellingsprocedure. De voorzieningenrechter is derhalve terecht, zij het op andere gronden, tot de conclusie gekomen dat de bestreden besluiten voor vernietiging in aanmerking komen.

2.10.    Hetgeen appellanten voor het overige hebben aangevoerd behoeft gelet op het vorenstaande geen bespreking.

2.11.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De kosten van de deskundigenrapporten van de firma Peutz van 5 februari 2003, 18 juli 2003 en 6 november 2003 komen niet voor vergoeding in aanmerking nu deze niet zijn gemaakt in verband met de behandeling van het hoger beroep.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 26 november 2003, 03/1601 WRO, 03/1621 WRO, 03/1623 WRO, 03/1667 WRO, 03/1669 WRO;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk in de door APR Holding B.V. en APR Elektronika B.V. in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 805,00, in de door [wederpartij sub 2]. in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 483,00 en in de door [wederpartij sub 1]. in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 483,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de bedragen dienen door de gemeente Moerdijk te worden betaald aan respectievelijk APR Holding B.V. en APR Elektronika B.V, [wederpartij sub 2]. en [wederpartij sub 1].

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.W.C.M. van Emmerik, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Van Emmerik

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2005

218-398.