Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6139

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-05-2005
Datum publicatie
25-05-2005
Zaaknummer
200503731/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 maart 2005, kenmerk DRZ/05/1481/SD/SM, heeft verweerder naar aanleiding van de aanvraag van 7 december 2004 van verzoekster onder voorschriften vergunning ingevolge artikel 12 van de Natuurbeschermingswet verleend voor het uitvoeren van onderzoek naar mosselzaadinvang met mosselkorven in de Waddenzee tot uiterlijk 1 mei 2008.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503731/1.

Datum uitspraak: 19 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Nederlands Instituut voor Visserij Onderzoek B.V./Animal Science Group, gevestigd te Yerseke, (verzoekster),

in het geding tussen:

 

1. CPO Visserijbelangen Wieringen, gevestigd te Den Oever en

2. West 6 B.V., gevestigd te Den Helder

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2005, kenmerk DRZ/05/1481/SD/SM, heeft verweerder naar aanleiding van de aanvraag van 7 december 2004 van verzoekster onder voorschriften vergunning ingevolge artikel 12 van de Natuurbeschermingswet verleend voor het uitvoeren van onderzoek naar mosselzaadinvang met mosselkorven in de Waddenzee tot uiterlijk 1 mei 2008.

Tegen dit besluit hebben CPO Visserijbelangen Wieringen en West 6 B.V. bezwaar gemaakt.

Bij brief van 26 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 27 april 2005, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Partijen hebben nog nadere stukken in het geding gebracht.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 mei 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. L.J. van Langevelde, advocaat te Bergen op Zoom en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.M.B. Kuijpers, J.J.M. Kouwenhoven en ing. G. Mast, ambtenaren van het ministerie, zijn verschenen.

Voorts zijn CPO Visserijbelangen Wieringen (hierna: CPO), vertegenwoordigd door [secretaris] en West 6 B.V. (hierna: West 6), vertegenwoordigd door mr.drs. M.E.F. Staal, advocaat te Utrecht en [directeur] daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Verzoekster betoogt dat zij groot spoedeisend belang heeft bij opheffing van de schorsende werking van de bezwaren. De productie van mossellarven vindt in de komende weken plaats. Het doel van het onderzoek is juist om deze larven te laten hechten aan de mosselkorven. Als deze niet tijdig geplaatst kunnen worden, gaat dit seizoen verloren en kan het geplande onderzoek niet worden uitgevoerd. Vanwege de per seizoen sterk wisselende omstandigheden in de Waddenzee, is het noodzakelijk dat het onderzoek zich over meer seizoenen uitstrekt. Bij een kortere onderzoeksduur kunnen er naar alle waarschijnlijkheid geen wetenschappelijke conclusies uit de waarnemingen worden getrokken en heeft het onderzoek in feite geen zin meer, aldus verzoekster.

2.2.    De in geding zijnde vergunning is verleend voor drie locaties in het staatsnatuurmonument de Waddenzee, te weten in het zuidelijk deel van het Oergat, het zuidelijk deel van het Malzwin en het noordelijk deel van het Marsdiep ter hoogte van De Hors. Een vierde locatie ligt buiten het staatsnatuurmonument. De vergunning heeft daarop geen betrekking.

2.3.    Door middel van het onderzoek is het mogelijk een zelfvoorzienend ecologisch meer duurzaam productieproces tot stand te brengen dan in de vrije mosselzaadvisserij. Het mosselkorfproject bestaat uit een geheel nieuwe combinatie van bekende en nieuw te ontwikkelen concepten en technieken. De vergunning heeft betrekking op totaal 68 mosselkorven. De korf (een spoel met daaromheen een touw) wordt om een paal gemonteerd en onder de waterspiegel geplaatst. Door de getijdestroming kan zaad op het touw neerslaan. De getijdestroming is op de drie locaties zodanig sterk dat geen ophoping van faeces van mosselen zal plaatsvinden. Om zaad en halfwasmosselen te scheiden, worden de korven op oogstmomenten opgehaald en geschraapt. Na sortering worden de halfwasmosselen op de korven teruggezet. Het mosselzaad wordt teruggeplaatst op de korven met behulp van een sok. De korven worden in rijen geplaatst op 2,5 m afstand van elkaar, met een doorgang tussen de rijen van 25 m. De palen worden ongeveer 4 tot 4,5 m de wadbodem ingeslagen. De korven zelf zullen nooit boven het wateroppervlak uitsteken.

2.4.    De Voorzitter stelt vast dat het mosselkorfproject past in het kader van het op 1 oktober 2004 vastgestelde 'Beleidsbesluit schelpdiervisserij 2005-2020: Ruimte voor een zilte oogst' (hierna: Beleidsbesluit). Het Beleidsbesluit biedt mogelijkheden voor het ontwikkelen van alternatieve mosselzaadbronnen, die kunnen leiden tot een verdere reductie van de vrije mosselzaadvisserij met behoud van een economisch rendabele visserijtak. Welke mogelijkheden deze alternatieve bronnen daadwerkelijk bieden, kan slechts blijken uit de ontwikkelingen in de praktijk. In 2007 zal het kabinet op basis van de experimenten die dan hebben plaatsgevonden beslissen of en onder welke voorwaarden in de Nederlandse kustwateren en/of de Noordzee ruimte gereserveerd kan worden voor commerciële toepassing van mosselzaadvanginstallaties als thans aan de orde. De Voorzitter acht dit beleid niet onredelijk.

2.5.    Het bestreden besluit bevat vanaf pagina 30 en volgende een passende beoordeling als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Verweerder heeft op basis van de beste wetenschappelijke kennis onder andere de mogelijk te verwachten effecten beoordeeld op de vogelsoorten die duikend hun voedsel bemachtigen, op zeehonden en de bodemflora en -fauna. Daarnaast heeft verweerder mogelijke cumulatieve effecten beoordeeld. Een en ander afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen van de Waddenzee. Voorts heeft verweerder een aantal monitoringsvoorschriften aan de vergunning verbonden. CPO en West 6 hebben geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat verweerder deze passende beoordeling niet op juiste wijze heeft uitgevoerd. Voor het overige hebben CPO en West 6 uitsluitend niet-ecologische argumenten aangevoerd, die bij de toepassing van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet geen rol kunnen spelen.

2.6.     In hetgeen uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken, ziet de Voorzitter geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat het mosselkorfproject geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van de Waddenzee.    

Het verzoek komt derhalve op na te melden wijze voor inwilliging in aanmerking.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

treft de voorlopige voorziening dat de opschortende werking van de ingediende bezwaren tegen het besluit van 1 maart 2005, kenmerk DRZ/05/1481/SD/SM, wordt opgeheven;

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Broekman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2005

12.