Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6136

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-05-2005
Datum publicatie
25-05-2005
Zaaknummer
200408033/8
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 september 2004 hebben provinciale staten van Overijssel, op voorstel van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 9 december 2003 het reconstructieplan "Reconstructieplan Salland-Twente" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200408033/8.

Datum uitspraak: 19 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

provinciale staten van Overijssel, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerders.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2004 hebben provinciale staten van Overijssel, op voorstel van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 9 december 2003 het reconstructieplan "Reconstructieplan Salland-Twente" vastgesteld.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatsecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer hebben bij besluit van 2 november 2004 het reconstructieplan goedgekeurd.

Tegen het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan en het daarmee samenhangende goedkeuringsbesluit heeft onder meer verzoekster bij brief van 13 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2004, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 mei 2005, waar verzoekster vertegenwoordigd door ing. R.F.M. Kuiphuis, gemachtigde, en provinciale staten, vertegenwoordigd door mr. L.R. Menkveld, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatsecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zijn, met bericht van afwezigheid, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Ingevolge artikel 4 van de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: de Rwc) vindt in de concentratiegebieden ter bevordering van een goede ruimtelijke structuur van de concentratiegebieden, in het bijzonder met betrekking tot landbouw, natuur, bos, landschap, recreatie, water, milieu en infrastructuur, alsmede ter verbetering van een goed woon-, werk- en leefklimaat en van de economische structuur, een reconstructie plaats.

Ingevolge artikel 5 van de Rwc omvat de reconstructie de gecoördineerde en geïntegreerde voorbereiding, vaststelling en uitvoering van maatregelen en voorzieningen, waaronder in ieder geval maatregelen en voorzieningen:

a. ter verbetering van de ruimtelijke structuur ten behoeve van de landbouw, mede teneinde de veterinaire risico's voortvloeiend uit een hoge veedichtheid te verminderen;

b. ter verbetering van de kwaliteit van natuur en landschap en

c. ter verbetering van de kwaliteit van milieu en water.

2.3.    Het reconstructieplan Salland-Twente ziet op de reconstructie van de gebieden Salland en Twente.

2.4.    Verzoekster stelt dat haar gronden op het perceel [locatie] te [plaats] ten onrechte in het reconstructieplan zijn aangewezen als extensiveringsgebied. In dit verband stelt zij dat het voor het bedrijf van groot belang is dat het niet verplaatst hoeft te worden en dat er geen duidelijkheid bestaat over de beschikbare financiële middelen voor een eventuele verplaatsing. In de omgeving van het bedrijf zijn geen andere varkensbedrijven en geen natuurgebieden aanwezig. Voorts is zij van mening dat het reconstructieplan niet had mogen worden vastgesteld voordat de definitieve kwetsbare gebieden in het kader van de Wet Ammoniak en Veehouderij waren aangewezen.

Bovendien stelt zij zich op het standpunt dat het in strijd is met het gelijkheidsbeginsel dat de intensieve veehouderijen wel en de biologische veehouderijen niet verplaatst behoeven te worden uit het extensiveringsgebied. Zij verzoekt om schorsing van het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan en het daarmee samenhangende goedkeuringsbesluit, opdat de door haar aangevraagde milieu- en bouwvergunning kunnen worden verleend.

2.5.    Provinciale staten stellen zich onder meer op het standpunt dat de gronden van verzoekster binnen 250 meter van het voor verzuring gevoelige gebied Reutum en binnen de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur liggen. Nu er tevens ter plaatse sprake is van gestapelde problematiek en het bedrijf van verzoekster groeipotenties heeft zijn haar gronden aangewezen als extensiveringsgebied.

De Wet Ammoniak en Veehouderij geldt naar hun mening niet voor de biologische veehouderij en om die reden behoeven de biologische veehouderijen niet uit de extensiveringsgebieden verplaatst te worden.

2.6.    Ter zitting is komen vast te staan dat de gronden van verzoekster binnen 250 meter van het voor verzuring gevoelige gebied Reutum en binnen de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur liggen.

Op pagina 103 van het reconstructieplan staat vermeld, voor zover van belang, dat bij de keuze van de aanwijzing van de extensiveringsgebieden de voor verzuring gevoelige gebieden binnen de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur de basis zijn geweest. Aanvullend zijn zones van 250 meter rond een aantal van de voor verzuring gevoelige gebieden aangewezen als extensiveringsgebied. Daarbij moet sprake zijn van gestapelde problematiek en de aanwezigheid van groeipotenties voor intensieve veehouderijen.

De Voorzitter acht deze wijze van aanwijzing van de extensiveringsgebieden niet onjuist of onredelijk.

Blijkens pagina 114 van de Reactienota ontwerp-reconstructieplan zijn de redenen voor de gestapelde problematiek in het gebied Reutum dat ter plaatse nieuwe natuur kan worden gerealiseerd en kwaliteitswateren aanwezig zijn. Verder is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de veehouderij van verzoekster groeipotentie heeft.

2.6.1.    Ingevolge artikel 1 van de Rwc wordt onder een extensiveringsgebied verstaan een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat wonen of natuur, waar uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt.

Op pagina 118 van het reconstructieplan staat vermeld dat nieuwvestiging, hervestiging en uitbreiding van intensieve veehouderij wordt tegengegaan.

Blijkens pagina 106 van het reconstructieplan wordt onder een intensieve veehouderij verstaan een agrarisch bedrijf of een deel daarvan met tenminste 250 m2 bedrijfsvloeroppervlak dat wordt gebruikt voor veehouderij volgens de Wet milieubeheer en waar geen melkrundvee, schapen, paarden of dieren 'biologisch' worden gehouden en waar geen dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer.

Gelet op het voorgaande wordt de biologische intensieve veehouderij in de extensiveringsgebieden uitgezonderd van de regel in het reconstructieplan dat nieuwvestiging, hervestiging en uitbreiding van intensieve veehouderij wordt tegengegaan. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat die uitzondering is gebaseerd op de uitzondering die de Wet Ammoniak en Veehouderij voor biologische productiemethoden maakt. Gelet hierop verwacht de Voorzitter niet dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel in de bodemprocedure kans van slagen heeft.

2.6.2.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter geen grond voor de verwachting dat in de bodemprocedure wordt geoordeeld dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. Ook in hetgeen verzoekster overigens heeft aangevoerd bestaat geen grond voor een zodanig oordeel.

Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening komt derhalve niet voor toewijzing in aanmerking.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Broekman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2005

12-449.