Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6132

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-05-2005
Datum publicatie
25-05-2005
Zaaknummer
200306947/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 september 2003, kenmerk BM/JK, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een pluimvee- en paardenhouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Grave, sectie […], nummers […], […] en […]. Dit besluit is op 11 september 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2005/4538
Milieurecht Totaal 2005/2947
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306947/1.

Datum uitspraak: 25 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], en anderen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Grave,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2003, kenmerk BM/JK, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een pluimvee- en paardenhouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Grave, sectie […], nummers […], […] en […]. Dit besluit is op 11 september 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 20 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 21 oktober 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 november 2003.

Bij brief van 29 december 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 mei 2004, waar appellanten in persoon en bijgestaan door mr. G.R.A.G. Goorts, advocaat te Deurne, en verweerder, vertegenwoordigd door J.M.P. Kamp, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord vergunninghouder, als partij, in persoon en bijgestaan door mr. M.E.F. Haven, gemachtigde, en [getuige], als getuige.

Na de behandeling ter zitting zijn nadere stukken ontvangen van verweerder, appellanten en van de getuige. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na het schorsen van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het vooronderzoek hervat.

De Afdeling heeft de zaak op een nadere zitting behandeld op 21 maart 2005, waar appellanten in persoon en bijgestaan door mr. G.R.A.G. Goorts, advocaat te Deurne, en verweerder, vertegenwoordigd door J.M.P. Kamp, ambtenaar van de gemeente, en [gemachtigde], zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord vergunninghouder, als partij, in persoon en bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, gemachtigde, en [getuige], als getuige.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten hebben op de zitting op 6 mei 2004 de beroepsgronden over het referentieniveau van het omgevingsgeluid en het ontbreken van de woning aan [locatie] als immissiepunt in het akoestisch rapport ingetrokken.

2.2.    Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van 30.800 opfokscharrelkippen en 6 volwassen paarden. Eerder is voor deze inrichting op 15 augustus 1995 krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend.

2.3.    Appellanten hebben betoogd dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een kwetsbaar gebied als bedoeld in de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: de Wav) dat binnen een zone van 250 meter van de inrichting, waarvoor bij het bestreden besluit vergunning is verleend, is gelegen. De verordening waarbij dit gebied is aangewezen als voor verzuring gevoelig gebied als bedoeld in de Interimwet ammoniak en veehouderij is weliswaar bij besluit van 18 december 2001 ingetrokken, echter dit besluit is niet op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend gemaakt zodat het intrekkingsbesluit niet in werking is getreden, aldus appellanten.

2.3.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wav worden als kwetsbaar gebied aangemerkt gebieden die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur, en onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij als voor verzuring gevoelig krachtens artikel 1, tweede lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij waren aangemerkt.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel stellen voor de toepassing van het eerste lid gedeputeerde staten bij besluit vast welke gebieden in hun provincie deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur, voorzover dat onderscheidenlijk op zodanige wijze als noodzakelijk is om te kunnen vaststellen welke van de in het eerste lid, onder a of b, bedoelde gebieden als kwetsbaar moeten worden aangemerkt. Een zodanig besluit gaat vergezeld van een of meer kaarten.

   Ingevolge het derde lid van dit artikel worden, voorzover binnen een provincie of een deel van een provincie het in het tweede lid bedoelde besluit niet is bekend gemaakt, in die provincie of dat deel van die provincie als kwetsbaar gebied aangemerkt alle gebieden, bedoeld in het eerste lid onder a en b.

   Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij, zoals die bepaling luidde op 31 december 2001, geven de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij ministeriële regeling aan welke ecologisch of natuurwetenschappelijk waardevolle gebieden die gevoelig zijn voor verzuring of eutrofiëring, voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden aangemerkt als voor verzuring gevoelig gebied.

   Ingevolge artikel 2 aanhef en onder b, van de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij, zoals die bepaling luidde op 31 december 2001, worden voor de toepassing van de Interimwet ammoniak en veehouderij en de daarop berustende bepalingen als voor verzuring gevoelig gebied aangemerkt bossen, natuurterreinen en landschapselementen, die zijn gelegen op voor verzuring gevoelige grond en door de gemeenteraad bij verordening krachtens de Gemeentewet op een bijbehorende kaart als voor verzuring gevoelig gebied zijn aangewezen.

2.3.2.    Verweerder heeft bij nadere memorie erkend dat hij het intrekkingsbesluit van 18 december 2001 niet bekend heeft gemaakt.

2.3.3.    Vaststaat dat het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog geen besluit als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wav had genomen. Ter nadere zitting is gebleken dat verweerder het besluit waarbij voormelde verordening is vastgesteld eveneens niet bekend heeft gemaakt. Naar het oordeel van de Afdeling is de verordening derhalve niet in werking getreden en kan het door appellanten bedoelde gebied niet worden aangemerkt als gebied als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wav. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

2.4.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5.    Appellanten vrezen stankhinder van de inrichting waarvoor bij het bestreden besluit vergunning is verleend. Hiertoe hebben zij betoogd dat verweerder de woning op het perceel [locatie] (hierna: de woning) ten onrechte niet bij zijn beoordeling heeft betrokken. Anders dan verweerder kennelijk veronderstelt is de woning geen bedrijfswoning, aldus appellanten.

2.5.1.    Verweerder heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) gehanteerd. Voorzover het de indeling in omgevingscategorieën betreft, heeft hij toepassing gegeven aan de brochure Veehouderij en Hinderwet.

   Verweerder heeft de woning niet betrokken bij zijn beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder, omdat in de woning familie van vergunninghouder woont die hand- en spandiensten ten bate van de onderhavige inrichting verricht, alsmede toezicht houdt bij afwezigheid van vergunninghouder.

2.5.2.    De Afdeling stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat de bewoners van de woning blijkens een mede door hen ondertekende overeenkomst van 18 januari 1999 betrokken zijn geweest bij de exploitatie van de inrichting waarvoor bij het bestreden besluit vergunning is verleend. Deze betrokkenheid bestond onder meer uit het houden van toezicht, het vangen van kippen, het laden en lossen van kippen, het schoonmaken van stallen en het eventueel repareren van stallen. Voorts maken de bewoners van de woning gebruik van dezelfde nutsvoorzieningen als de drijver van de inrichting.

   Vaststaat dat de woning is opgericht als bedrijfswoning bij voormelde inrichting. Zelfs indien de bewoners ten tijde van het bestreden besluit geen betrokkenheid meer hadden bij het drijven van de inrichting, zoals door appellanten gesteld en door de getuige op de nadere zitting verklaard, is de Afdeling van oordeel dat zich geen functieverandering in de zin van de Richtlijn heeft voorgedaan en dat in dit verband de woning als agrarische bedrijfswoning dient te worden aangemerkt, nu de feitelijke bewoning en de eigendomsverhoudingen sinds het aangaan van voornoemde overeenkomst niet zijn veranderd. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de woning niet bij de beoordeling van stankhinder behoefde te worden betrokken.

   Voorzover appellanten hebben betoogd dat de burgerwoningen van derden in de directe omgeving van de inrichting ten onrechte in categorie III in plaats van categorie II zijn ingedeeld is de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 26 juni 2003 in zaak no. 200104942/2 van oordeel dat verweerder deze woningen terecht in categorie III heeft ingedeeld, nu niet is gebleken van feiten of omstandigheden die nopen tot een ander oordeel.

   Nu, mede gezien het vorenstaande, uit de stukken blijkt dat aan de afstandseisen uit de Richtlijn kan worden voldaan, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van onaanvaardbare stankhinder.

2.6.    Appellanten hebben aangevoerd dat zij twijfelen aan de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het akoestisch rapport van 1 juli 2003, kenmerk L553-2-R (hierna: het akoestisch rapport). Voorts hebben zij betoogd dat de woning in het akoestisch rapport en in de bij het bestreden besluit verleende vergunning ten onrechte niet als immissiepunt is aangemerkt.

   De Afdeling overweegt dat onder de in rechtsoverweging 2.5.2 genoemde omstandigheden de woning geen bescherming tegen geluidhinder behoeft. Voorts ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben betoogd geen grond voor het oordeel dat het akoestisch rapport gebaseerd is op onjuiste aannames. Deze beroepsgronden falen derhalve.

2.7.    Appellanten hebben betoogd dat het bij het bestreden besluit vergunde huisvestingssysteem niet voldoet aan het alara-beginsel nu dit met een chemisch luchtwassysteem uitgevoerd had moeten worden.

   Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat een luchtwassysteem in de pluimveehouderij bij scharrelstallen tot dusver niet is toegepast en dat hiervoor in de Regeling ammoniak en veehouderij geen emissiefactoren zijn gegeven.

   Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een chemisch luchtwassysteem niet behoefde te worden voorgeschreven.

2.8.    Het beroep is ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Van Hardeveld

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2005

312.