Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6129

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-05-2005
Datum publicatie
25-05-2005
Zaaknummer
200402586/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2003 heeft de gemeenteraad van Moerdijk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 mei 2003, het bestemmingsplan "Kop Roode Vaart" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2005, 76K
Milieurecht Totaal 2005/5425
JOM 2007/339
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200402586/1.

Datum uitspraak: 25 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid "APR Holding B.V." en "APR Elektronika Productie B.V.", gevestigd te Zevenbergen,

2.    [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

3.    [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],

4.    [appellanten sub 4], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2003 heeft de gemeenteraad van Moerdijk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 mei 2003, het bestemmingsplan "Kop Roode Vaart" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 3 februari 2004, no. 929540, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 (hierna: APR) bij brief van 26 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 26 maart 2004, appellante sub 2 bij brief van 29 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen per fax op 29 maart 2004, appellante sub 3 bij brief van 29 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen per fax op 29 maart 2004, en appellanten sub 4 bij brief van 29 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 30 maart 2004, beroep ingesteld. APR heeft haar beroep aangevuld bij brief van 31 maart 2004. [appellante sub 2] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 26 april 2004. [appellante sub 3] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 26 april 2004. [appellanten sub 4] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 27 april 2004.

Bij brief van 3 juni 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 8 oktober 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellanten sub 4]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 januari 2005, waar APR, vertegenwoordigd door mr. N.Th. ter Haar Romeny, advocaat te Zevenbergen, en J.I.M. Prister-Plag, R. Roel en C. Machielsen, [appellante sub 2] en [appellante sub 3], vertegenwoordigd door mr. B. Baan, advocaat te Etten-Leur, en [gemachtigde], H. Rongen, R. Roel en R. Brink, [appellanten sub 4], vertegenwoordigd door mr. P.L.J.M. van Dun, advocaat te Tilburg, en [gemachtigde] en R. Brink, en verweerder, vertegenwoordigd door G.A.M. van den Broek en mr. E.F.M. Vos, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Moerdijk, vertegenwoordigd door drs. S. Hartog-Dahmeijer, F. Hommel, H. Marinus, ing. R. Vliex en ing. R. Wilbrink, ambtenaren van de gemeente, gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2.    Met het plan wordt onder meer beoogd de bouw van woningen mogelijk te maken ten zuiden van het centrum van Zevenbergen, in de nabijheid van de bedrijven van appellanten. Ter hoogte van de kop van de "Roode Vaart" wordt onder meer voorzien in de bouw van twee appartementencomplexen aan de Huizershoek ten westen van de "Roode Vaart", alsmede in de bouw van 36 woningen aan de Generaal Allenweg ten oosten van de "Roode Vaart".

2.3.    Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Wonen B -WB-" voorzover die voorzien in woningbouw nabij hun bedrijven. Zij voeren hiertoe aan dat de beoogde woningbouw zal leiden tot een beperking van hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden alsmede dat ter plaatse van de beoogde woningbouw sprake zal zijn van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

2.4.    De gemeenteraad heeft voor de beantwoording van de vraag of ter plaatse van de voorziene woningen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat sprake zal zijn en wat de gevolgen van de bouw van deze woningen zullen zijn voor de omliggende bedrijven, waaronder die van appellanten, het standpunt ingenomen dat het plangebied aangemerkt moet worden als een 'rustige woonwijk' in de zin van de VNG Brochure "Bedrijven en Milieuzonering" (hierna: de brochure). Wat betreft de geluidsbelasting voor woningen geldt daarbij als streefwaarde 45 dB(A) etmaalwaarde. Hiervan uitgaande stelt de gemeenteraad zich op het standpunt dat de huidige bedrijfsvoering en de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van appellanten niet worden belemmerd door de beoogde woningbouw. Ter plaatse van de beoogde woningbouw is tevens een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. Ten slotte meent de gemeenteraad dat het gecumuleerde geluidsniveau van 48 dB(A) etmaalwaarde onder de door de gemeenteraad gehanteerde streefwaarde van 50 dB(A) voor gecumuleerde geluidsbelasting blijft, zodat ook vanuit dat oogpunt de woningbouw aanvaardbaar is.

2.5.    Verweerder heeft het plan in zoverre in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan goedgekeurd. Wat betreft de aan te houden afstanden tussen woningen en bedrijven met het oog op een goed woonklimaat enerzijds en de belangen van de bedrijven anderzijds, is verweerder ervan uitgegaan dat het plangebied en de directe omgeving daarvan aangemerkt behoren te worden als 'gemengd gebied' in de zin van de brochure. Daartoe heeft hij in aanmerking genomen dat de woningen en andere functies in het gebied niet strikt van elkaar gescheiden zullen zijn. Wat betreft de norm voor een aanvaardbare geluidsbelasting heeft verweerder zich aangesloten bij de door de gemeenteraad gehanteerde streefwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde. Nu het hier om een gemengd gebied gaat acht verweerder overschrijdingen van deze waarde, tot 50 dB(A) aanvaardbaar. Hiervan uitgaande stelt verweerder dat de beoogde woningbouw geen belemmering vormt voor de huidige en toekomstige bedrijfsvoering van appellanten en dat tevens een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningbouw is verzekerd. Er is verweerder niet gebleken van enige uitbreidingsplannen. Ten aanzien van de cumulatieve geluidhinder stelt verweerder dat een beoordeling hiervan achterwege kan blijven nu geen sprake is van een gezoneerd bedrijventerrein ingevolge de Wet geluidhinder.

2.6.    In de brochure wordt een rustige woonwijk omschreven als een woonwijk met weinig verkeer volgens het principe van functiescheiding waarbij de woonbebouwing vrijwel geheel gescheiden is van bedrijven en/of winkels. Een gemengd gebied wordt in de brochure omschreven als een gebied met een zekere mate van functiemenging waarbij geen strikte scheiding is tussen woon-, winkel-, werk-, en verkeersgebieden en waarbij de verkeerswegen zijn geïntegreerd in woonstraten en winkelstraten.

Volgens de brochure is een correctie van één afstandsstap mogelijk voor het aspect geluid bij het omgevingstype 'gemengd gebied' ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'.

   Gelet op de overwegende woonbebouwing in het plangebied en het feit dat de woonbebouwing vrijwel geheel is gescheiden van de bedrijvigheid door de "Roode Vaart" is de Afdeling van oordeel dat verweerder het plangebied ten onrechte heeft aangemerkt als behorend tot 'gemengd gebied' in de zin van de brochure. Nu verweerder bij zijn besluit is uitgegaan van een onjuiste typering, ontvalt ook de grondslag om vanwege de typering van het gebied als 'gemengd gebied' de in acht te nemen indicatieve afstanden voor geluid op grond van de brochure met één afstandsstap te corrigeren. Mitsdien heeft verweerder een onjuist uitgangspunt gehanteerd wat betreft de tussen de woningen en de bedrijven aan te houden afstanden en wat betreft de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting vanwege de omliggende bedrijven. Gelet hierop berust het besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

2.7.    Wat betreft de vraag of een beoordeling van de cumulatieve geluidhinder achterwege kan blijven, overweegt de Afdeling dat in zijn algemeenheid aangenomen moet worden dat dergelijke geluidsbelasting ten opzichte van geluidsbelasting van individuele bedrijven op zich bezien, een negatieve invloed kan hebben op het woon- en leefklimaat. Derhalve kan aan cumulatieve geluidsbelasting ruimtelijke relevantie niet worden ontzegd. Gelet hierop valt niet in te zien waarom bij de beantwoording van de vraag of een bestemmingsplan zich verdraagt met een goede ruimtelijke ordening niet nagegaan moet worden of en in hoeverre het woon en leefklimaat door cumulatieve geluidhinder vanwege de bedrijven zal worden beïnvloed. Voor de opvatting van verweerder dat bij een bestemmingsplan cumulatieve geluidhinder alleen een rol speelt indien sprake is van een ingevolge de Wet geluidhinder gezoneerd bedrijventerrein, valt geen steun te vinden. De uitspraak van de Afdeling van 24 september 2003, no. 200301786/1 rechtvaardigt die conclusie niet. In de onderhavige situatie bestond voor verweerder te meer aanleiding om aan de cumulatieve geluidhinder aandacht te besteden nu de woningen op korte afstand van de aanwezige bedrijven zijn geprojecteerd. Blijkens verschillende voor het bestemmingsplan verrichte onderzoeken zal de cumulatieve geluidhinder vanwege de omliggende bedrijven ter plaatse van een niet onaanzienlijk deel van deze woningbouw de door verweerder voor een goed woon- en leefklimaat tot uitgangspunt genomen streefwaarde van 45 dB(A) overschrijden.

Nu verweerder uitdrukkelijk het standpunt heeft ingenomen dat aan de cumulatieve geluidhinder vanwege de bedrijven geen betekenis kan worden toegekend, komt de Afdeling tot het oordeel dat het bestreden besluit ook in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering.

2.8.    Ter zitting is gebleken dat het beroep van APR zich richt op het plandeel met de bestemming "Wonen B -WB-" en meer in het bijzonder op het meest zuidelijk gelegen appartementencomplex ten westen van de "Roode Vaart" op ongeveer 5 meter afstand van het perceel waarop APR hun bedrijf exploiteert.

   Wat betreft het geluidsniveau vanwege APR op bedoeld appartementencomplex is verweerder uitgegaan van de aan dit bedrijf verleende milieuvergunning waarbij 40 dB(A) etmaalwaarde is vergund op 50 meter van de inrichting. Verweerder stelt dat hieruit blijkt dat ter plaatse van het appartementencomplex in de vergunde situatie een equivalent geluidsniveau van 46 dB(A) etmaalwaarde optreedt, waarbij hij de overschrijding van 1 dB(A) aanvaardbaar acht. De Afdeling overweegt dat uit het door APR overgelegde rapport van Wematech Milieu Adviseurs B.V. van 20 maart 2003 blijkt dat in de vergunde situatie ter plaatse van het appartementencomplex de geluidsbelasting 53 dB(A) bedraagt. De Afdeling is van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat in dit geval kon worden uitgegaan van een equivalent geluidsniveau van 46 dB(A) etmaalwaarde.    

   Voorts is aan APR een maximaal piekgeluidsniveau vergund van 70 dB(A) tussen 7:00 en 19:00 uur op 50 meter vanaf de inrichting. Nu uit onderzoek is gebleken dat het piekgeluidsniveau zou worden overschreden tot 72 dB(A) bij een bronvermogen van 106 dB(A) is in het plan voorzien in de oprichting van een geluidsmuur, zodat het piekgeluidsniveau kan worden teruggebracht tot de maximale waarde van 70 dB(A). Uit de stukken, waaronder het deskundigenrapport van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak van 9 juli 2004 dat ten behoeve van de procedure bij de rechtbank Breda is uitgebracht, blijkt echter dat niet uitgesloten is dat bij de berekeningen uitgegaan had moeten worden van een bronvermogen van 112 dB(A). Gelet hierop had verweerder op voorhand niet mogen uitgaan van het standpunt dat het maximale piekgeluidsniveau van 70 dB(A) niet zou worden overschreden.

   Gelet op het bovenstaande kon verweerder zich wat betreft het equivalente geluidsniveau alsmede het maximale piekgeluidsniveau niet op het standpunt stellen dat APR in haar huidige bedrijfsvoering niet zal worden belemmerd door het appartementencomplex, dan wel dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van dit appartementencomplex kan worden gegarandeerd. Het bestreden besluit berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

2.9.    Ter zitting is gebleken dat de beroepen van [appellante sub 3], [appellante sub 2] en [appellanten sub 4] zich richten op de plandelen met de bestemming "Wonen B -WB-" die zien op de beoogde bouw van 36 woningen aan de Generaal Allenweg ten oosten van de "Roode Vaart".

   Verweerder heeft zich wat betreft het equivalente geluidsniveau vanwege [appellanten sub 4] ter plaatse van de eerste geprojecteerde woning op het standpunt gesteld dat deze 46 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. Daarbij heeft hij deze overschrijding van 1 dB(A) ten opzichte van de streefwaarde van 45 dB(A) aanvaardbaar geacht. De Afdeling overweegt echter dat uit het door [appellanten sub 4], [appellante sub 3] en [appellante sub 2] overgelegde rapport van Adviesbureau Peutz & Associés van 5 februari 2003 blijkt dat het equivalente geluidsniveau vanwege [appellanten sub 4] ter plaatse van de bestaande woning [locatie 1] 48 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. Hierbij overweegt de Afdeling dat, gelet op de stukken, waaronder de plankaart, de situering van de eerste geprojecteerde nieuwbouwwoning ten opzichte van het bedrijf overeen lijkt te komen met de situering van de woning aan de [locatie 1]. Daarbij is niet van belang of de woning aan de [locatie 1] een burger- dan wel een bedrijfswoning is, nu het primair gaat om de woonbestemming die ter plaatse is gelegd. Nu verweerder in zijn besluit niet aannemelijk heeft gemaakt waarom in dit geval van een equivalent geluidsniveau van 46 dB(A) kon worden uitgegaan, acht de Afdeling het niet uitgesloten dat ter plaatse van de eerste geprojecteerde woning een hoger equivalent geluidsniveau zal optreden en derhalve de streefwaarde van 45 dB(A) in grotere mate zal worden overschreden.

Gelet hierop kon verweerder zich niet op het standpunt stellen dat de huidige bedrijfsvoering van [appellanten sub 4] niet zal worden belemmerd, dan wel dat ter plaatse van het meest zuidelijk gelegen bebouwingsblok een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Het besluit berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

   [appellante sub 2] heeft blijkens de stukken op 18 juli 2003, derhalve ruim voor het bestreden besluit, een revisievergunning aangevraagd. Gelet hierop is het besluit van verweerder, voorzover daarin gesteld wordt dat niet van concrete uitbreidingsplannen is gebleken, onbegrijpelijk. Verweerder had naar het oordeel van de Afdeling de aanvraag om een revisievergunning bij de voorbereiding van zijn besluit moeten betrekken. Gelet hierop is het besluit in zoverre in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid genomen.

2.10.     Uit de overwegingen 2.6 tot en met 2.9 volgt dat de beroepen van [appellante sub 3], [appellante sub 2] en [appellanten sub 4] gegrond zijn en het beroep van APR in zoverre gegrond is, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd voorzover dit ziet op de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Wonen B -WB-" zoals nader aangegeven op de bij de uitspraak behorende gewaarmerkte kaart.

De overige beroepsgronden van [appellante sub 3], [appellante sub 2] en [appellanten sub 4] behoeven gelet op het vorengaande geen bespreking meer.

2.11.        APR stelt daarnaast dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemmingsregeling voor het bedrijf aan de [locatie 2]. APR acht deze te beperkend.

De gemeenteraad heeft een op de huidige bedrijfsvoering afgestemde bestemmingsregeling opgenomen vanwege de in het plan voorziene woningbouw.

Verweerder heeft deze regeling niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft deze goedgekeurd.

   In het plan zijn de gronden van APR bestemd als "Bedrijven -B-". Ingevolge artikel 5, eerste lid, tweede gedachtenstreepje, van de planvoorschriften, zijn de op de plankaart als "Bedrijven -B-" aangegeven gronden ter plaatse van het bestaande elektrotechnische bedrijf aan de [locatie 2], bestemd voor bedrijfsdoeleinden in de vorm van elektrotechnische industrie n.e.g. (categorie 3, SBI code 316).

   Ten aanzien van deze op de huidige bedrijfsvoering afgestemde regeling voor APR overweegt de Afdeling dat deze regeling blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting voornamelijk is ingegeven door de bouw van de woningen in de directe omgeving van APR. Gelet hierop is er in dit geval een zodanige samenhang tussen de plandelen met de bestemming "Wonen B -WB-" en de op de huidige bedrijfsvoering afgestemde regeling voor APR dat de goedkeuring van deze regeling eveneens niet deugdelijk gemotiveerd moet worden geacht.

Het beroep van APR is ook in zoverre gegrond, zodat artikel 5, eerste lid, tweede gedachtenstreepje, van de planvoorschriften, wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.12.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.    

De kosten van de deskundigenrapporten van Adviesbureau Peutz & Associés van 5 februari 2003, 18 juli 2003 en 6 november 2003 komen niet voor vergoeding in aanmerking nu deze niet zijn gemaakt in verband met de behandeling van het beroep.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 3 februari 2004, no. 929540, voorzover het betreft de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Wonen B -WB-" voorzover aangegeven op de bij de uitspraak behorende gewaarmerkte kaart alsmede de goedkeuring aan artikel 5, eerste lid, tweede gedachtenstreepje, van de planvoorschriften;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij APR in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan APR onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellante sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 838,59, waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan [appellante sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellante sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 838,59, waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan [appellante sub 3] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellanten sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 844,39, waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan [appellanten sub 4] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,00 voor APR, € 273,00 voor [appellante sub 2], € 273,00 voor [appellante sub 3] en € 273,00 voor [appellanten sub 4] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.W.C.M. van Emmerik, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Van Emmerik

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2005

59-461.