Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6126

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-05-2005
Datum publicatie
25-05-2005
Zaaknummer
200500838/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 mei 2004 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe het bestemmingsplan "Kern Elst" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200500838/2.

Datum uitspraak: 17 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2004 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe het bestemmingsplan "Kern Elst" vastgesteld.

Bij besluit van 9 november 2004, nr. RE2004.55776, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 24 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2005, beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 april 2005, waar het gemeentebestuur van Overbetuwe, vertegenwoordigd door ing. G.J. Willemsen en drs. M. van de Zandschulp, ambtenaren van de gemeente, is verschenen. Verzoekers en verweerder zijn, zonder bericht van afwezigheid, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Het plan heeft betrekking op de kern van Elst. Verweerder heeft het plan goedgekeurd.

2.3.    Verzoekers menen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij voeren als formeel bezwaar aan dat bij de terinzagelegging als bedoeld in artikel 28, zesde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening het verkeerde bestemmingsplan met het goedkeuringsbesluit ter inzage heeft gelegen.

2.3.1.    De Voorzitter overweegt dat - nog daargelaten dat dit bezwaar betrekking heeft op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten - ter zitting is gebleken dat bij de terinzagelegging het juiste plan met het goedkeuringsbesluit ter inzage heeft gelegen. Dit bezwaar mist derhalve feitelijke grondslag.

2.4.    Wat betreft de inhoud van het plan hebben verzoekers bezwaar tegen passages in de plantoelichting over het Binnenterrein Dorpsstraat-Oost. Zij vrezen dat dit terrein in de toekomst zal worden ingericht als parkeerterrein. Volgens verzoekers is het terrein hiervoor niet geschikt. Verder vrezen zij voor parkeerproblemen als op de hoek van de Wagenmakerstraat en de Dorpsstraat een publiekstrekker wordt gevestigd.

2.4.1.    Het bestemmingsplan heeft, zoals blijkt uit de op de plankaart ingetekende planbegrenzing, geen betrekking op het Binnenterrein Dorpsstraat-Oost. Weliswaar is op verscheidene plaatsen in de plantoelichting vermeld dat dit terrein in de toekomst wellicht zal worden bestemd als parkeerterrein, maar aan de plantoelichting komt geen bindende betekenis toe. Het plan biedt dan ook niet de mogelijkheid parkeerplaatsen op dit terrein aan te leggen.

   Verder maakt het bestemmingsplan - hoewel daartoe geen specifieke regeling in het plan is opgenomen - de vestiging van een publiekstrekker, zoals een supermarkt, op de hoek van de Wagenmakerstraat en de Dorpsstraat in beginsel mogelijk. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is echter gebleken dat deze mogelijkheid ook reeds bestaat onder het huidige planologische regime.

2.4.2.    Gelet op het vorenstaande zal de inwerkingtreding van het plan niet leiden tot ernstige onomkeerbare gevolgen in de periode tot aan de uitspraak op het beroep van verzoekers. Onder deze omstandigheden ontbreekt het voor het treffen van een voorlopige voorziening vereiste spoedeisende belang en dient het verzoek te worden afgewezen.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Breunese-van Goor, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman    w.g. Breunese-van Goor

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2005

208.