Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5700

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-05-2005
Datum publicatie
18-05-2005
Zaaknummer
200409211/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 februari 2004 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuidoost van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) vergunning verleend voor de kap van 736 bomen in de omgeving van de Bijlmerdreef, 's-Gravendijkdreef en de wijk Grunder te Amsterdam-Zuidoost ten behoeve van de vernieuwing van het plangebied Grunder-Grubbenhoeve.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2005/193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409211/1.

Datum uitspraak: 18 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging "Vereniging van Huiseigenaren Groot Geerdinkhof" en [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D], [appellant E], [appellant F], [appellant G], [appellant H] en [appellant I], gevestigd dan wel wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 29 september 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuidoost van de gemeente Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2004 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuidoost van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) vergunning verleend voor de kap van 736 bomen in de omgeving van de Bijlmerdreef, 's-Gravendijkdreef en de wijk Grunder te Amsterdam-Zuidoost ten behoeve van de vernieuwing van het plangebied Grunder-Grubbenhoeve.

Bij besluit van 27 juli 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het daartegen gemaakte bezwaar, met (gedeeltelijke) overneming van een advies van de Commissie voor bezwaar- en beroepschriften van 14 juni 2004, gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 september 2004, verzonden op 1 oktober 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben verzoekers bij brief van 11 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij schrijven van 2 december 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij schrijven van 10 februari 2005 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2005, waar appellanten, vertegenwoordigd door [appellant D] en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. I.H. van den Berg, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

    Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, voorzover hier van belang, dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken.

    Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een op bezwaar of in administratief beroep genomen besluit door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt of administratief beroep te hebben ingesteld tegen het oorspronkelijke besluit.

    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

    Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb wordt ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.2.    Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar van de vereniging "Vereniging van Huiseigenaren Groot Geerdinkhof" (hierna: de vereniging Groot Geerdinkhof), overweegt de Afdeling het volgende.

2.2.1.    Bij schrijven van 13 maart 2000 is bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit van 4 februari 2004 namens: de 3G, samenwerkingsverband van de vereniging "Vereniging van eigenaars Gouden Leeuw", de vereniging "Vereniging van Eigenaars Groenhoven" en de vereniging Groot Geerdinkhof (hierna: het samenwerkingsverband).

    De Commissie voor bezwaar- en beroepschriften (hierna: de commissie) heeft in haar bij het bestreden besluit overgenomen advies van 14 juni 2004 onder meer aangegeven dat voor wat betreft het samenwerkingsverband geen sprake is van een rechtspersoon, zodat het samenwerkingsverband niet is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb.  

    De commissie heeft voorts onderzocht of de drie verenigingen, die deel uitmaken van het samenwerkingsverband, ieder afzonderlijk als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt en is ten aanzien van de vereniging Groot Geerdinkhof tot de slotsom gekomen dat dit het geval is. Zij heeft daarom geadviseerd om de bezwaren van de vereniging Groot Geerdinkhof ontvankelijk te verklaren, hetgeen bij het bestreden besluit is overgenomen.

    De Afdeling acht dit niet juist. De vereniging Groot Geerdinkhof heeft immers geen bezwaar gemaakt. Het bezwaar ingediend door het samenwerkingsverband kan niet als een bezwaar namens deze vereniging worden aangemerkt. Voor het converteren van het bezwaar van het samenwerkingsverband in dat van de vereniging Groot Geerdinkhof, zoals het dagelijks bestuur in navolging van de commissie heeft gedaan, biedt de wet geen grondslag. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend.

2.3.    Ten aanzien van de ontvankelijkheid van [appellant I], overweegt de Afdeling het volgende.

2.3.1.    [appellant I] heeft geen bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit van 4 februari 2004. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die met zich brengen dat aan het achterwege blijven van het bezwaar kan worden voorbijgegaan. Een en ander leidt ertoe dat voor [appellant I] ingevolge artikel 6:13 van de Awb geen beroep openstond, zodat zijn beroep door de rechtbank niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.

2.4.    Ten aanzien van de ontvankelijkheid van [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D], [appellant E], [appellant F], [appellant G] en [appellant H], overweegt de Afdeling het volgende.

2.4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 17 september 2003 in de zaak met nummer 200300594/1 (AB 2004, 229), dient een appellant om belanghebbende te zijn bij een besluit tot verlening van een kapvergunning een hem persoonlijk aangaand belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen. In de regel kan slechts als belanghebbende worden aangemerkt degene die op geringe afstand van de bomen woont of vanuit zijn woning daarop zich heeft.

2.4.2.    Ter zitting is onder meer aan de hand van een getoonde kaart gebleken dat [appellant A], [appellant B], [appellant D], [appellant E] en [appellant H] vanuit hun woning zicht hadden op de bomen en dat die woningen op geringe afstand van de bomen zijn gelegen. Zij zijn derhalve terecht als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb aangemerkt. Tevens is gebleken dat [appellant C], [appellant F] en [appellant G] vanuit hun woning geen zicht hadden op de bomen. Gelet hierop kunnen zij niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt. Daarom had het bezwaarschrift van [appellant C], [appellant F] en [appellant G] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. De voorzieningenrechter heeft ook dit niet onderkend.

2.5.    Met betrekking tot de inhoud, overweegt de Afdeling het volgende.

2.6.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Kapverordening van de gemeente Amsterdam (hierna: de Kapverordening) juncto de Verordening op de stadsdelen van de gemeente Amsterdam is het verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur een houtopstand te vellen anders dan bij wijze van dunning.

    Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Kapverordening kan het dagelijks bestuur de vergunning slechts weigeren in het belang van de handhaving van het natuur-, landschap-, of stadsschoon of om andere redenen van milieubeheer.

2.7.    De Kapverordening vereist niet dat sprake is van een in werking getreden bestemmingsplan of van andere onherroepelijke besluiten. De stellingen van [appellant A], [appellant B], [appellant D], [appellant E] en [appellant H] (hierna: appellanten) over andere ten behoeve van de vernieuwing van het plangebied Grunder-Grubbenhoeve genomen dan wel te nemen besluiten gaan het toetsingskader dat van toepassing is bij het besluit omtrent de verlening van een kapvergunning te buiten en kunnen niet tot weigering van de kapvergunning leiden. Bij het verlenen van de kapvergunning is terecht uitgegaan van de keuzes die bij de planologische besluiten/plannen zijn gemaakt. Hierbij wordt opgemerkt dat uit de stukken is gebleken dat de door appellanten (in het verleden) voorgestelde alternatieven voor o.a. de verlaging van de dreven door het stadsdeel in de voorbereiding van de plannen van aanpak, anders dan appellanten stellen, wel zijn beoordeeld maar niet zijn overgenomen, met name niet omdat zij niet passen binnen het stedenbouwkundige - en het landschappelijke concept van de Nieuwe Bijlmer.

2.8.    Appellanten hebben tevens betoogd dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het verlenen van een kapvergunning gebruik heeft kunnen maken, omdat het belang van de handhaving van het natuur-, landschaps- of stadsschoon zwaarder had dienen te wegen. Zij hebben voorts betoogd dat het dagelijks bestuur onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de betrokken belangen in de zin van artikel 5 van de Kapverordening en daarom onzorgvuldig heeft gehandeld. Ook heeft het dagelijks bestuur zich onvoldoende rekenschap gegeven van hetgeen zij aan de hand van de overgelegde rapporten hebben betoogd omtrent het negatieve effect van de kap van de bomen op onder meer geluid, luchtkwaliteit en grondwaterstand en de flora en fauna.

2.8.1.    Dit betoog faalt eveneens. De voorzieningenrechter heeft terecht voorop gesteld dat het besluit tot verlening van de kapvergunning met terughoudendheid dient te worden getoetst.  

2.8.2.    De kapvergunning houdt verband met de realisering van bouwplannen waarmede - naar door appellanten niet wordt betwist - grote maatschappelijke belangen zijn gemoeid.

2.8.3.    Uit de stukken - in bijzonder het rapport "Toestand van de Natuur" van de Dienst ruimtelijke ordening van de gemeente Amsterdam en het Milieueffectenrapport "Vernieuwing Bijlmermeer Amsterdam Zuidoost" van 20 november 2002 met de aanvulling daarop van 28 februari 2003 - blijkt dat uitvoerig onderzoek is gedaan naar de bij het bestreden besluit betrokken aspecten: natuurwaarden, landschapswaarden/stadsschoon, en het effect van de kap van de bomen op onder meer geluid, luchtkwaliteit en grondwaterstand, en de flora en fauna. Uit genoemde onderzoeken blijkt dat door de kap van de bomen in het kader van de vernieuwing van de Bijlmermeer (dat betreft dus niet alleen de onderhavige bomen) de natuurwaarden afnemen, en dat de kap ook landschappelijke effecten heeft. Evenwel wordt in het onderzoek van de Dienst ruimtelijke ordening van de gemeente Amsterdam aangegeven dat de onderhavige bomen geen bijzondere natuurwaarden hebben. De wijziging in het landschappelijke beeld, voorzover daarvan sprake is, past binnen de opzet van de Nieuwe Bijlmer. Enig relevant effect van de kap van de bomen op geluid, luchtkwaliteit en de grondwaterstand, zoals appellanten hebben gesteld, is niet aannemelijk geworden. In het door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening op 17 juni 2003 in het kader van de samenhangende ontgrondingzaak opgestelde deskundigenrapport, wordt bovendien melding gemaakt van een licht positief effect van de herinrichting (met inbegrip van het kappen van de bomen) op de grondwaterstand.

2.8.4.    Ter ondersteuning van hun standpunt hebben appellanten een rapport van OMEGAM Groenadvies uit januari 2002 overgelegd. Dit rapport dateert van voor de door het stadsdeel verrichte onderzoeken. De bevindingen en conclusies van het stadsdeel zijn met dit rapport niet weerlegd. Het rapport van De Straat Milieuadviseurs van 4 september 2003, dat op verzoek van appellanten in het kader van de procedure inzake de ontgrondingenvergunning is opgesteld, ondersteunt evenmin het standpunt van appellanten, dat de kap van de bomen een negatief effect zal hebben op de omgeving. Ten slotte hebben appellanten nog een aantal stukken overgelegd, die in algemene zin ingaan op de waarde van bomen en groen, zowel voor de leefomgeving als in financieel opzicht. Ook die stukken ondersteunen niet het standpunt van appellanten ten aanzien van de negatieve effecten van de kap van de bomen op de meergenoemde omgevingsfactoren.

2.8.5.    Voorts hebben appellanten verwezen naar de aanvraag voor de ontheffing op grond van de Wet geluidhinder inzake de bouw van woningen in het plangebied Grunder van 17 november 2004. Hieraan komt geen beslissende betekenis toe nu uit het in het kader van de ontheffing gedane geluidsonderzoek niet blijkt dat niet binnen de wettelijke kaders ter zake van de Wet geluidhinder kan worden gebleven.

2.9.    Appellanten hebben ook tevergeefs betoogd dat de voorzieningenrechter onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de waardedaling van de woonomgeving door de kap van de bomen en de daarmee verband houdende waardedaling van hun woningen, nu dit geen betrekking heeft op een belang op grond waarvan de vergunning kon worden geweigerd.

2.10.    De stellingen van appellanten met betrekking tot de concept-kapverordening die recent ter inzage is gelegd, kunnen, wat daar ook van zij, in het kader van deze procedure geen rol spelen. Uitgangspunt is immers het wettelijk kader zoals dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit.

2.11.    Bij het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van 4 februari 2004 is onder meer bepaald dat geen gebruik van de kapvergunning zal worden gemaakt voordat het dagelijks bestuur heeft besloten de relevante vrijstelling in de zin van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) te verlenen inzake de verlaging van de Bijlmerdreef en de 's-Gravendijkdreef dan wel inzake het bouwrijp maken van de wijk Grunder.

2.11.1.    Bij uitspraak van 7 januari 2005 heeft de voorzieningenrechter een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening van verzoekers met betrekking tot een besluit van het dagelijks bestuur van 26 oktober 2004, dat strekt tot handhaving van een besluit van 27 januari 2004 waarbij vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO is verleend voor het verlagen van een deel van de Bijlmerdreef en een deel van de 's-Gravendijkdreef, toegewezen en dat besluit geschorst totdat in de hoofdzaak door de rechtbank uitspraak is gedaan.

2.11.2.     Het dagelijks bestuur heeft naar aanleiding van de genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 januari 2005, het genoemde vrijstellingsbesluit ingetrokken en besloten om een vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO te gaan volgen.

2.11.3.    Appellanten hebben gelet hierop nog betoogd dat nimmer kan worden voldaan aan de aan de vergunning verbonden voorwaarden en daarom het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Dit bezwaar heeft betrekking op de uitvoering van de kapvergunning en kan reeds daarom, wat daar ook van zij, niet afdoen aan de rechtmatigheid van de bij het bestreden besluit gehandhaafde kapvergunning. Ook dit bezwaar treft derhalve geen doel.

2.12.    Het voorgaande leidt tot de volgende slotsom. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover het door [appellant I], [appellant C], [appellant F], [appellant G] en de vereniging Groot Geerdinkhof ingestelde beroep ongegrond is verklaard. De Afdeling zal voorts doen hetgeen de voorzieningenrechter had behoren te doen door het beroep van [appellant I] niet-ontvankelijk te verklaren en het beroep van [appellant C], [appellant F], [appellant G] en de vereniging Groot Geerdinkhof alsnog gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen, voorzover de bezwaren van [appellant C], [appellant F] en [appellant G] ontvankelijk zijn verklaard en de vereniging Groot Geerdinkhof is aangemerkt als bezwaarmaakster. Omdat het dagelijks bestuur na vernietiging van het bestreden besluit rechtens slechts één besluit kan nemen, zal de Afdeling met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

2.13.    Het dagelijks bestuur dient op navolgende wijze in de proceskosten (in beroep en hoger beroep) te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 29 september 2004, voorzover het door [appellant I], [appellant C], [appellant F], [appellant G] en de vereniging "Vereniging van Huiseigenaren Groot Geerdinkhof" ingestelde beroep ongegrond is verklaard;

III.    verklaart het bij de voorzieningenrechter ingestelde beroep van [appellant I] niet-ontvankelijk en het beroep van [appellant C], [appellant F], [appellant G] en de vereniging "Vereniging van Huiseigenaren Groot Geerdinkhof" alsnog gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuidoost van de gemeente Amsterdam  van 27 juli 2004, voorzover de bezwaren van [appellant C], [appellant F] en [appellant G] ontvankelijk zijn verklaard en de vereniging "Vereniging van Huiseigenaren Groot Geerdinkhof" is aangemerkt als bezwaarmaakster;

V.    verklaart de bezwaren van [appellant C], [appellant F] en [appellant G] alsnog niet-ontvankelijk;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 27 juli 2004 voorzover dit is vernietigd;

VII.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VIII.    veroordeelt het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuidoost van de gemeente Amsterdam in de door [appellant I], [appellant C], [appellant F] en [appellant G] en de vereniging "Vereniging van Huiseigenaren Groot Geerdinkhof" in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 340,30, het bedrag dient door de gemeente Amsterdam te worden betaald aan [appellant I], [appellant C], [appellant F] en [appellant G] en de vereniging "Vereniging van Huiseigenaren Groot Geerdinkhof";

IX.    gelast dat  de gemeente Amsterdam aan [appellant I], [appellant C], [appellant F] en [appellant G] en de vereniging "Vereniging van Huiseigenaren Groot Geerdinkhof" het door hen voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 682,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink    w.g. Ouwehand

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2005

224.