Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5693

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-05-2005
Datum publicatie
18-05-2005
Zaaknummer
200409276/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 januari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling verleend als bedoeld onder artikel 15, lid II, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Bemmer" voor de opslag van puin en het gebruik van een puinbreker met zeefinstallatie op het adres [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) onder de voorwaarde dat de opslag van het puin niet boven 6 meter boven het maaiveld mag uitkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409276/1.

Datum uitspraak: 18 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 30 september 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling verleend als bedoeld onder artikel 15, lid II, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Bemmer" voor de opslag van puin en het gebruik van een puinbreker met zeefinstallatie op het adres [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) onder de voorwaarde dat de opslag van het puin niet boven 6 meter boven het maaiveld mag uitkomen.

Bij besluit van 23 juni 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 30 september 2004, verzonden op 11 oktober 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 15 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 januari 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. E.H.M.T. Versteegen, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door M.L.M. van Heijnsbergen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat hij bij de bestreden beslissing op bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat hij geen belanghebbende is bij het besluit van 13 januari 2004. Daartoe voert hij aan dat hij vanaf het aan hem toebehorende en aan zijn woonperceel grenzende weiland - dat zich op een afstand van ongeveer 200 meter van het perceel bevindt - zicht heeft op het opgeslagen puin. Tevens stelt appellant hinder te ondervinden in de vorm van stof- en geluidsoverlast.

2.2.    Gebleken is, dat de verleende vrijstelling op grondslag van een door [partij] ingediend bezwaarschrift is herroepen. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zo is ter zitting gebleken, zodat de herroeping van de vrijstelling onherroepelijk is. Appellant heeft geen omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat hij desalniettemin nog belang heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep. Gelet hierop is het hoger beroep niet-ontvankelijk.

2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2005

218-476.