Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5691

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-05-2005
Datum publicatie
18-05-2005
Zaaknummer
200406295/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juli 2003 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) aan Credo Integrale Planontwikkeling B.V. met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een tandheelkundig centrum met laboratorium op het perceel, kadastraal bekend gemeente Lichtenvoorde, sectie […], nummer […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200406295/1.

Datum uitspraak: 18 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Lichtenvoorde,

2.    [appellant sub 2], wonend te Lichtenvoorde,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 15 juni 2004 in het geding tussen:

[appellant sub 2], wonend te Lichtenvoorde

en

appellant sub 1.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 juli 2003 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) aan Credo Integrale Planontwikkeling B.V. met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een tandheelkundig centrum met laboratorium op het perceel, kadastraal bekend gemeente Lichtenvoorde, sectie […], nummer […].

Bij besluit van 25 november 2003 heeft het college het daartegen door appellant sub 2 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 juni 2004, verzonden op 16 juni 2004, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant sub 2] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief van 27 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 28 juli 2004, en [appellant sub 2] bij brief van 28 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2004, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brieven van 23 augustus 2004 en 29 november 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 29 september 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 23 oktober 2004 heeft [appellant sub 2] van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2005, waar het college, vertegenwoordigd door ing. G.H. Hiddink en B.G.W. Rondeel, beide ambtenaar van de gemeente, en [appellant sub 2] in persoon, bijgestaan door ing. B. Wopereis, gemachtigde, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge de ter plaatse geldende bestemmingsplannen rusten op het perceel waarop het inmiddels gerealiseerde tandheelkundig centrum met laboratorium is gelegen de bestemmingen "Zwembad, terrein onbebouwd" en "Openbaar Groen". Niet in geschil is dat het bouwplan niet in overeenstemming is met de desbetreffende planvoorschriften. Teneinde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft het college met gebruikmaking van een op 24 juni 2003 door het college van gedeputeerde staten van Gelderland afgegeven verklaring van geen bezwaar met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling verleend.

2.2.    [appellant sub 2] houdt op het nabijgelegen perceel [locatie] rundvee. Het geschil is toegespitst op de vraag of het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de afstand van deze veehouderij tot het tandheelkundig centrum met laboratorium toereikend kan worden geacht. De rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord.

Ten aanzien van het door het college ingestelde hoger beroep

2.3.    Het door het college ingestelde hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben geleid. Nu de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 november 2003 ongegrond heeft verklaard en dit besluit in stand heeft gelaten, moet worden geoordeeld dat het college geen processueel belang heeft bij het instellen van hoger beroep. Daarbij wordt overwogen dat de overwegingen van de rechtbank niet bindend zijn in toekomstige zaken. Bovendien zal het college bij de beoordeling van nieuwe aanvragen om bouwvergunning dienen uit te gaan van de feitelijke situatie ten tijde van de beslissing op díe aanvragen. Ook het feit dat [appellant sub 2] eveneens hoger beroep heeft ingesteld maakt niet dat het college processueel belang heeft. Het college kan zich immers in dat kader alsnog tegen de overwegingen van de rechtbank verzetten. Hier doet zich niet de situatie voor, dat het college naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit terzake van de bezwaren van [appellant sub 2] diende te nemen, in welk geval voor een ander oordeel over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van het college aanleiding zou zijn geweest.

2.4.    Gelet op het vorenstaande, dient het door het college ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Ten aanzien van het door [appellant sub 2] ingestelde hoger beroep

2.5.    Uit de stukken kan worden afgeleid dat het aantal stuks rundvee dat [appellant sub 2] houdt beperkt is. Hij heeft zijn hoofdberoep elders. De afstand van de bestaande stal tot het dichtstbijzijnde deel van het tandheelkundig centrum met laboratorium bedraagt ruim 70 m. De afstand van de stal tot de bebouwde kom van Lichtenvoorde bedraagt ruim 80 m. Ingevolge het in 1973 vastgestelde bestemmingsplan "'t Hooiland" rust op het perceel van [appellant sub 2] de bestemming "Bijzondere doeleinden". Niet in geschil is dat de desbetreffende planvoorschriften een rundveehouderij niet toestaan. Volgens het college en [appellant sub 2] mag laatstgenoemde wel op grond van het in genoemd bestemmingsplan neergelegde overgangsrecht de veehouderij voortzetten en de bestaande stal gedeeltelijk vernieuwen en naar inhoud maximaal met 25% vergroten. Daarbij is [appellant sub 2] volgens hen in verband met de nabijheid tot de bebouwde kom reeds beperkt in de richting waarin deze uitbreiding kan worden gerealiseerd en dient dan bovendien het emissiepunt te worden verlegd. Ter zitting is van de zijde van [appellant sub 2] verklaard dat na de realisering van het tandheelkundig centrum met laboratorium een uitbreiding van de bestaande stal met 25% nog steeds mogelijk is, zoals dat ook zonder het bestreden besluit maximaal mogelijk zou zijn geweest, doch dat die uitbreiding nog slechts in één richting kan plaatsvinden.

2.6.    Gelet op de aard en omvang van de rundveehouderij, de overgangsrechtelijke situatie, de nabijheid van de bebouwde kom en de volgens [appellant sub 2] ook na de realisering van het tandheelkundig centrum met laboratorium nog bestaande uitbreidingsmogelijkheid, moet worden geoordeeld dat de rechtbank terecht tot de slotsom is gekomen dat het college in de belangen van [appellant sub 2], anders dan deze stelt, in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om van de verlening van vrijstelling af te zien. Hetgeen [appellant sub 2] heeft gesteld geeft derhalve geen aanleiding het besluit in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten, waarbij de Afdeling in deze procedure in het midden laat of de inrichting van [appellant sub 2] al dan niet vergunningplichtig is op grond van de Wet milieubeheer, nu de beantwoording van die vraag niet nodig is om tot het oordeel te komen dat het college, gelet op de door [appellant sub 2] gestelde belangen, in redelijkheid tot het bestreden besluit kon komen. Voorts heeft de rechtbank in het feit dat [appellant sub 2] heeft gesteld, dat er ter plaatse van het tandheelkundig centrum met laboratorium een onaanvaardbare milieuhygiënische situatie zal ontstaan, in dit geval terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college het bestreden besluit niet heeft kunnen nemen. [appellant sub 2] heeft tot slot niet aannemelijk gemaakt dat het college in de door hem gestelde gevaren van de veehouderij voor de volksgezondheid reden had moeten zien om van de verlening van vrijstelling af te zien.

2.7.    Gezien het vorenstaande, heeft de rechtbank het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 25 november 2003 terecht ongegrond verklaard.

2.8.    Het hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het op deels andere gronden, te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Lichtenvoorde niet-ontvankelijk;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Boer

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2005

201.