Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5682

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-05-2005
Datum publicatie
18-05-2005
Zaaknummer
200407953/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 mei 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar (hierna: het college) appellant op straffe van een dwangsom gelast, voorzover thans van belang, de zonder vergunning op het voordakvlak van het bijgebouw (hierna: het koetshuis) op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel) gebouwde dakkapel te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407953/1.

Datum uitspraak: 18 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 augustus 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar (hierna: het college) appellant op straffe van een dwangsom gelast, voorzover thans van belang, de zonder vergunning op het voordakvlak van het bijgebouw (hierna: het koetshuis) op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel) gebouwde dakkapel te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 27 januari 2004 heeft het college, voorzover thans van belang, het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 augustus 2004, verzonden op 16 augustus 2004, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank), voorzover thans van belang, geen aanleiding gezien om te oordelen, dat ten aanzien van de dakkapel niet handhavend mocht worden opgetreden. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 24 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 27 september 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 december 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 2 maart 2005 heeft appellant een nader stuk ingediend. Dit is aan het college toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.G. Hinnen, advocaat te Noordwijk, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Waleboer, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Door appellant is ter zitting het pro forma-beroep tegen de uitspraak van de rechtbank, voorzover het betreft het dichtmaken van de scheidingswand, ingetrokken.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het bouwwerk terecht niet heeft aangemerkt als een bouwvergunningvrij bouwwerk als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder d, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: het Bblb). Daartoe betoogt appellant dat de dakkapel is gebouwd op het achterdakvlak dan wel het zijdakvlak van het koetshuis. Het koetshuis dient, aldus appellant, te worden aangemerkt als een aanbouw.

2.3.    Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet is in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis.

   Ingevolge artikel 2, aanhef en onderdeel d, sub 1 van het Bblb wordt, voorzover thans van belang, als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet aangemerkt: het bouwen van een dakkapel op een bestaand gebouw, mits wordt gebouwd op het achterdakvlak of een niet naar de weg of het openbaar groen gekeerd zijdakvlak.

   In artikel 1, onder 7, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied" is bepaald dat onder voorgevel moet worden verstaan: de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of indien een gebouw met meer dan één zijde gekeerd is naar de weg, de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel.

   In artikel 1, onder 12, van de planvoorschriften is bepaald dat onder bijgebouw moet worden verstaan: een al dan niet vrijstaand, niet voor bewoning bestemd gebouw, dat een functionele eenheid vormt met een hoofdgebouw, zoals een trekkasje, garage en schuur.

2.4.    Het koetshuis vormt een functionele eenheid met en is ondergeschikt aan de woning [locatie 1]. Daarom dient het koetshuis aangemerkt te worden als een bijgebouw. Het koetshuis staat voor een klein deel achter de woning [locatie 1] en verder geheel achter de woning [locatie 2]. De voorgevel van de woning [locatie 1] is de gevel gelegen aan de ontsluitingsweg aan de zijde van de woningen locatie 3], [locatie 1] en [locatie 2], omdat dit de naar de weg gekeerde gevel van de woning is, zoals bedoeld in artikel 1, onder 7, van de planvoorschriften. Parallel aan de voorgevel van de woningen bevindt de in geding zijnde dakkapel zich aan de voorgevel van het koetshuis. De dakkapel is derhalve gebouwd op het voordakvlak van het bijgebouw. De rechtbank is op goede gronden tot het oordeel gekomen dat het college de dakkapel terecht niet heeft aangemerkt als een bouwvergunningsvrij bouwwerk als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder d, van de Bblb. Het betoog faalt.

2.5.    Appellant heeft de dakkapel gebouwd zonder over de daartoe vereiste bouwvergunning te beschikken. Derhalve is gehandeld in strijd met artikel 40 van de Woningwet, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

2.6.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7.    Anders dan appellant betoogt, kan hij met betrekking tot de vraag of de onderhavige dakkapel is of kan worden gelegaliseerd, niet zonder meer rechten ontlenen aan de aan hem gerichte brief van het college van 13 mei 2002. Het college heeft in deze brief aangegeven dat een dakkapel die is gesitueerd op het achterdakvlak of zijdakvlak van een gebouw, waarschijnlijk per 1 januari 2003 vergunningvrij zal worden. Daarbij heeft het college tevens aangegeven dat de door appellant gewenste dakkapellen zijn gesitueerd op het voorgeveldakvlak en derhalve niet vergunningvrij zullen worden. Die redenering volgend is appellant van oordeel dat het college daarmee tevens heeft gezegd, dat de bewuste dakkapel aan de achterzijde zou zijn gesitueerd. In het besluit van 6 mei 2003 is het college teruggekomen op deze redenering en heeft het gesteld dat de litigieuze dakkapel op de voorgevel is geplaatst en derhalve vergunningplichtig is. Door zo onzorgvuldig te handelen zou het college niet handhavend mogen optreden, aldus appellant. Nog los van het feit dat het college door deze heroverweging niet zo onzorgvuldig heeft gehandeld dat het niet meer tot optreden zou zijn gerechtigd, verliest appellant uit het oog, dat de bouw van  de thans in geding zijnde dakkapel al vóór 24 september 2001 - de datum van de bouwvergunningsaanvraag - en daarmee voor de periode van 1 januari 2003 - 6 mei 2003 was gerealiseerd.

Nu de plaatsing van de dakkapel niet voor vrijstelling in aanmerking komt en er derhalve geen concreet uitzicht op legalisatie bestaat, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat niet van het college kan worden gevergd dat het van gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot optreden afziet.  

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Schortinghuis

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2005

66-430.