Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5674

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2005
Datum publicatie
18-05-2005
Zaaknummer
200503660/1 en 200503660/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) onder aanzegging van bestuursdwang appellante gelast met betrekking tot het perceel Kouterstraat 34 te Teteringen, kadastraal bekend gemeente Teteringen, sectie B, nummer 3315 (hierna: het perceel), binnen 3 maanden na dagtekening van deze brief ter uitvoering van artikel 17, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) de met het bestemmingsplan strijdige situatie in de vorige toestand te herstellen, hetzij met het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503660/1 en 200503660/2.

Datum uitspraak: 12 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Fleks Kinderopvangorganisatie B.V. , gevestigd te Teteringen,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nos. 05/927 GEMWT VV en 05/928 GEMWT van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 25 april 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) onder aanzegging van bestuursdwang appellante gelast met betrekking tot het perceel Kouterstraat 34 te Teteringen, kadastraal bekend gemeente Teteringen, sectie B, nummer 3315 (hierna: het perceel), binnen 3 maanden na dagtekening van deze brief ter uitvoering van artikel 17, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) de met het bestemmingsplan strijdige situatie in de vorige toestand te herstellen, hetzij met het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen.

Bij besluit van 22 maart 2005 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 april 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 26 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Eveneens bij brief van 26 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op die dag, heeft appellante de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. L.F.J. de Graaff, advocaat te Breda, en [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door drs. C.T.M. van Slingerland, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.1.    Overwegingen

2.2.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.3.    Bij besluit van 29 oktober 1998 heeft het college aan appellante met toepassing van artikel 17 van de WRO vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van units aan de Kouterstraat ten behoeve van een kinderdagverblijf met een instandhoudingstermijn tot 29 oktober 2003.

2.4.    Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WRO, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen.

   Ingevolge het vierde lid is na het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn degene aan wie de vrijstelling is verleend of diens rechtsopvolger verplicht de met het bestemmingsplan strijdige situatie te zijner keuze hetzij in de vorige toestand te herstellen, hetzij met het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen.

   Ingevolge het zesde lid schrijven burgemeester en wethouders, indien degene aan wie de vrijstelling is verleend of diens rechtsopvolger in gebreke blijft aan zijn verplichting als bedoeld in het vierde lid te voldoen, hem onverwijld aan tot naleving van die verplichting.

2.5.    Niet in geschil is dat de uiterste termijn waarvoor ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend ten tijde van het nemen van het besluit van 23 december 2004 ruimschoots was verstreken. Gelet op het zesde lid van voormeld artikel was het college derhalve gehouden appellante aan te schrijven de met het bestemmingsplan strijdige situatie hetzij in de vorige toestand te herstellen hetzij met het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen.

2.6.    De Voorzitter is met de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien. De voorzieningenrechter heeft daarbij, zoals de Afdeling eerder heeft uitgemaakt in bijvoorbeeld haar uitspraak van 31 maart 2004, no. 200305483/1, terecht betekenis toegekend aan de omstandigheid dat artikel 17, zesde lid, van de WRO dwingend is geformuleerd. Voorts heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat appellante wist - en overigens ook behoorde te weten - dat na ommekomst van de haar gegunde termijn het gebruik van de units gestaakt moest worden en tot verwijdering daarvan moest worden overgegaan. Daarbij neemt de Voorzitter in aanmerking dat appellante bij brief van 3 mei 2001 aan het college de garantie heeft gegeven dat in oktober 2003, derhalve vóór het verstrijken van de instandhoudingstermijn, een alternatieve locatie voor de groepen kinderen aan de Kouterstraat voorhanden zou zijn. Dat die garantie op verzoek van het college is gegeven, betekent niet dat daaraan geen waarde kan worden gehecht. De omstandigheid dat op de locaties die in die brief zijn aangeduid inmiddels, vanwege de aanhoudende vraag naar kinderopvang, andere groepen kinderen zijn gevestigd dan de groepen die in de units aan de Kouterstraat zijn ondergebracht, maakt dat niet anders. Daaraan liggen wellicht op zichzelf verdedigbare keuzes van appellante ten grondslag, waarvan de gevolgen evenwel voor haar risico komen, nu die keuzes gemaakt zijn op een moment, dat zij wist, dat zij na ommekomst van de vijfjarentermijn van de Kouterstraat moest vertrekken. Ook ten aanzien van andere mogelijke locaties, zoals in het project Helder Camaraschool, geldt, dat het feit, dat deze niet, of althans thans niet, voor appellante beschikbaar zijn, voor haar risico komt. Het betoog dat de termijn die aan de last is verbonden gelet op de omstandigheden van dit geval geen redelijke termijn betreft, kan, gelet op het voorgaande, dan ook niet slagen. Daarbij komt dat het college eerst ruimschoots na het verstrijken van de instandhoudingstermijn heeft besloten daadwerkelijk tot handhavend optreden over te gaan, zodat ook daarom niet kan worden staande gehouden dat appellante niet een redelijke termijn is gegund de illegale situatie te beëindigen. Het betoog dat appellante gelet op de sinds 29 oktober 2003 verstreken termijn erop heeft mogen vertrouwen dat niet handhavend zou worden opgetreden slaagt evenmin. Het college heeft appellante er bij brief van 25 september 2003 op gewezen dat de instandhoudingstermijn op 29 oktober 2003 zou verstrijken. Bij brief van 21 november 2003 is appellante voorts medegedeeld dat het voornemen bij het college bestond haar te sommeren de illegale situatie te beëindigen. Dat het college eerst bij brief van 24 maart 2004 afwijzend heeft gereageerd op het verzoek van appellante van 28 augustus 2001 om het kinderdagverblijf permanent aan de Kouterstraat te vestigen, maakt dat niet anders. Ook de omstandigheid dat het college in overleg met appellante in de zomer van 2004 nog de mogelijkheid heeft onderzocht het gebruik van de units voor kinderopvang ter plaatse te gedogen, kan daar niet aan afdoen. Aan het feit, dat het college tegenover appellante enige coulance heeft betracht, kan immers niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat de situatie ter plaatse ook daadwerkelijk zou worden gedoogd of uitdrukkelijk zou worden toegestaan.

   Gelet op het voorgaande kan niet worden staande gehouden dat de voorzieningenrechter ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat van het college niet kan worden gevergd de illegale situatie nog langer te gedogen.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Gelet hierop, ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.9.        Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Duursma

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2005

378.