Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5670

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2005
Datum publicatie
18-05-2005
Zaaknummer
200502469/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2005, kenmerk 2003/22834, heeft verweerder aan verzoekster ingevolge de Ontgrondingenwet een vergunning onder voorschriften verleend voor het ontgronden van het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […], met het oog op het winnen van onder meer Maasklei ten behoeve van de grofkeramische industrie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2005, 75K

Uitspraak

200502469/2.

Datum uitspraak: 12 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2005, kenmerk 2003/22834, heeft verweerder aan verzoekster ingevolge de Ontgrondingenwet een vergunning onder voorschriften verleend voor het ontgronden van het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […], met het oog op het winnen van onder meer Maasklei ten behoeve van de grofkeramische industrie.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 21 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 22 maart 2005, beroep ingesteld. Bij brief van 21 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 22 maart 2005, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 mei 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. F.P.J.M. Otten, advocaat te Utrecht, en [bedrijfsleider] en verweerder, vertegenwoordigd door drs. R.H.J. Pepels en mr.drs. S.M.D. van de Wiel, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    In geschil is het aan de vergunning verbonden voorschrift 4.7. , waarin voor zover hier van belang is bepaald:                                              

"De houder van de vergunning dient bij de exploitatie en het opstellen van de plannen het op grond van het vigerende beleid, zoals in de considerans omschreven, beoogde afzetgebied te respecteren, zijnde Noord- en Midden-Limburg".

2.3.    Verzoekster stelt dat verweerder haar ten onrechte niet langer toestaat Maasklei te leveren aan haar vaste afneemster, het [bedrijf] in [plaats], dat net over de grens in Duitsland ligt. Verweerder heeft haar sedert december 2000 wel een aantal malen vergunning verleend voor een dergelijke levering. Verzoekster betoogt dat zij spoedeisend belang heeft bij het continueren van de levering van Maasklei aan haar vaste afneemster in [plaats]. Zij levert gemiddeld ongeveer 10.000 m3 Maasklei per jaar aan [bedrijf] in [plaats].

2.4.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een tekort aan Maasklei voor de grofkeramische industrie in Limburg. Levering buiten de regio Noord- en Midden-Limburg acht verweerder in strijd met het beleid dat is neergelegd in het Grondstoffenplan provincie Limburg van 1999.

2.5.    Verweerder heeft niet betwist dat tussen Limburg en het aangrenzende gebied in Duitsland reeds geruime tijd over en weer levering van onder andere Maasklei plaatsvindt ten behoeve van de grofkeramische industrie. Dit gebeurt met het oog op een juiste samenstelling van klei ten behoeve van het vervaardigen van kwalitatief hoogwaardige eindproducten.                                         De Voorzitter is van oordeel dat het in geding zijnde vergunningvoorschrift een kwantitatieve uitvoerbeperking als bedoeld in artikel 29 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap met zich brengt. Verweerder heeft noch in het bestreden besluit noch ter zitting feiten of omstandigheden aangevoerd die een rechtvaardiging als bedoeld in artikel 30 van dit verdrag vormen voor deze uitvoerbeperking.

2.6.    Gelet op het voorgaande betwijfelt de Voorzitter of het bestreden vergunningvoorschrift in de bodemprocedure in stand zal blijven. De Voorzitter ziet derhalve aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening in te willigen op de na te melden wijze.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    treft de voorlopige voorziening dat het verzoekster is toegestaan Maasklei afkomstig van het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […], te leveren aan het [bedrijf] in [plaats] (Duitsland) tot en met 31 december 2005;

II.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 683,47 (zegge: zeshonderddrieëntachtig euro en zevenenveertig cent), waarvan € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de provincie Limburg aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    gelast dat de provincie Limburg aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Broekman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2005

12.