Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5667

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-05-2005
Datum publicatie
18-05-2005
Zaaknummer
200407575/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 februari 2003 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; hierna: de Minister) aan de gemeente Aalsmeer een ontheffing als bedoeld in artikel 75, derde lid, van de Flora- en Faunawet verleend.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2005, 69K
Milieurecht Totaal 2005/787
JNA 2005/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407575/1.

Datum uitspraak: 18 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 augustus 2004 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2003 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; hierna: de Minister) aan de gemeente Aalsmeer een ontheffing als bedoeld in artikel 75, derde lid, van de Flora- en Faunawet verleend.

Bij ongedateerd op 21 januari 2004 verzonden besluit heeft de Minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 25 augustus 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 9 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 10 september 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 oktober 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 18 november 2004 heeft de Minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2005, waar geen van de partijen is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij het besluit van 5 februari 2003 is voor het tijdvak van 1 juli 2003 tot en met 1 juli 2008 ontheffing verleend van een aantal verbodsbepalingen in de artikelen 8 tot en met 11 en 13 van de Flora- en Faunawet. De ontheffing geldt voor het gebied dat de N201-zone te Aalsmeer wordt genoemd en maakt - kort weergegeven - de verwijdering mogelijk van grote kaardenbollen, zwanebloemen, egels, bruine kikkers, gewone padden, groene kikkers, kleine watersalamanders, bosmuizen, bosspitsmuizen, dwergmuizen, hazen, hermelijnen, huisspitsmuizen, mollen, rosse woelmuizen, veldmuizen, wezels en woelratten.

2.2.    De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot de conclusie gekomen dat de Minister het bezwaar van appellanten terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat zij geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.3.    Appellanten bestrijden dit oordeel van de rechtbank met succes. Anders dan in zaak no. 200400651/1, waarin de Afdeling op 28 juli 2004 uitspraak heeft gedaan en waarnaar in de aangevallen uitspraak is verwezen, bevindt in het onderhavige geval de woning van appellanten zich in het gebied waarvoor de ontheffing geldt. Het verstoren van de flora en fauna waarvoor ontheffing is verleend, heeft direct invloed op de leefomgeving van appellanten. Hun belangen zijn daarom rechtstreeks betrokken bij dit besluit, ook al gaat het volgens de Minister slechts om kleine dier- en plantensoorten waarvan de verwijdering nagenoeg geen ruimtelijke uitstraling zou hebben.

2.4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond en vernietigt zij het op 21 januari 2004 verzonden besluit. De Minister dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift.

2.5.    De Minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 augustus 2004, reg.nr. AWB 04/948 WET;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het ongedateerde op 21 januari 2004 verzonden besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, kenmerk 03.1.0064/RC;

V.    veroordeelt de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit  tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 321,00 (resp. € 205,00 en € 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Visser

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2005

148.