Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5664

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-05-2005
Datum publicatie
18-05-2005
Zaaknummer
200404426/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2004:AO8755
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 augustus 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (hierna: de Minister) het verzoek van appellanten om kennisneming van stukken afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200404426/1.

Datum uitspraak: 18 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 april 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (hierna: de Minister) het verzoek van appellanten om kennisneming van stukken afgewezen.

Bij besluit van 10 maart 2003 heeft de Minister het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 april 2004, verzonden op 15 april 2004, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 27 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 23 augustus 2004 heeft de Minister van antwoord gediend.

Bij brief van 30 september 2004 hebben appellanten de toestemming verleend als bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (hierna: WIV).

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2005, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. N.M. van Wersch en mr. P.J. Schüller, beiden advocaat te Amsterdam, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. I.M.P. van Verseveld, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

   Ingevolge artikel 8, tweede lid, van het EVRM is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

   Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de WIV - voor zover hier van belang - deelt de Minister een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of en, zo ja, welke hem betreffende persoonsgegevens door of ten gevolge van die dienst zijn verwerkt.

   Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de WIV is artikel 47 van overeenkomstige toepassing op een aanvraag met betrekking tot persoonsgegevens die zijn verwerkt door of ten behoeve van een dienst ten aanzien van een overleden echtgenoot, geregistreerd partner, kind of ouder van de aanvrager.

   Ingevolge artikel 53, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WIV wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 47 in ieder geval afgewezen, indien:

a. betreffende de aanvrager in het kader van enig onderzoek gegevens zijn verwerkt, tenzij:

1°. de desbetreffende gegevens meer dan 5 jaar geleden zijn verwerkt,

2°. met betrekking tot de aanvrager sindsdien geen nieuwe gegevens zijn verwerkt in verband met het onderzoek in het kader waarvan de desbetreffende gegevens zijn verwerkt, en

3°. de desbetreffende gegevens niet relevant zijn voor enig lopend onderzoek.

b. betreffende de aanvrager geen gegevens zijn verwerkt.

   Ingevolge artikel 53, tweede lid, van de WIV wordt, indien een aanvraag ingevolge het eerste lid wordt afgewezen, bij de motivering van de afwijzing slechts in algemene termen gewezen op alle aldaar vermelde gronden voor de afwijzing.

   Ingevolge artikel 54 van de WIV is artikel 53 van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in artikel 50 met dien verstande dat in artikel 53 voor "de aanvrager" wordt gelezen: de overleden persoon.

2.2.    Appellanten zijn de ouders van wijlen [zoon], die tezamen met [naam persoon] in [plaats], India, door leden van de Indiase veiligheidstroepen om het leven is gebracht. Aanleiding voor hun verzoek vormde onder meer de volgende passage in het jaarverslag 2001 van de (voormalige) Binnenlandse Veiligheidsdienst:

   "Inmiddels is gebleken dat een in Nederland actief netwerk van moslimextremisten direct in verband kan worden gebracht met de tragische dood van twee Nederlandse, in Eindhoven woonachtige, jongemannen van Marokkaanse afkomst. Zij kwamen eind december jongstleden om het leven in de Indiase deelstaat Kashmir. Vast staat dat het tweetal in Nederland werd gerekruteerd en geestelijk voorbereid op deelname aan de ‘jihad’, de heilige oorlog tegen alle vijanden van de islam. Ook in materiële zin ontvingen zij de ondersteuning die nodig was om aan het islamitisch front het in hun ogen hoogst bereikbare te verwerven, te weten het martelaarschap."

   Appellanten kunnen zich met de in deze passage geuite beschuldigingen niet verenigen en achten deze zeer schadelijk voor de goede naam en reputatie van zowel hun zoon als henzelf. Zij wensen inzage in de informatie die tot deze conclusie heeft geleid.

2.3.    De Minister heeft het verzoek afgewezen, en die afwijzing in bezwaar gehandhaafd, omdat het hier een actueel onderwerp betreft in de zin van artikel 53, eerste lid, onder a, van de WIV, en het belang van de nationale veiligheid zich ertegen verzet hierover mededelingen te doen, ook wat betreft de vraag of (meer) gegevens wel of niet aanwezig zijn.

2.4.    Appellanten bestrijden de overweging van de rechtbank dat de Minister, gelet op het bepaalde in artikel 53, tweede lid, van de WIV en hetgeen de wetgever met het daarin neergelegde bijzondere motiveringsvoorschrift heeft beoogd, in de beslissing op bezwaar terecht in het midden heeft gelaten of de door appellanten bedoelde persoonsgegevens al dan niet bij de AIVD zijn vastgelegd. Volgens appellanten heeft de rechtbank miskend dat [zoon] door zijn overlijden niet langer een actuele bedreiging kan zijn voor de veiligheid van de Nederlandse staat, en had de rechtbank moeten concluderen dat de beslissing op bezwaar op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.

   Appellanten kunnen zich voorts niet verenigen met de wijze waarop de rechtbank hun betoog, dat hun in strijd met artikel 8 van het EVRM  informatie is onthouden, heeft verworpen. Zij betogen dat uit jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat bij de beoordeling van de vraag of de afwijzende beslissing op hun inzageverzoek proportioneel is in verhouding tot het daarmee te dienen doel, een concrete afweging had moeten plaatsvinden van de belangen van het individu tegen die van de staat en niet had kunnen worden volstaan met verwijzing naar een absolute weigeringsgrond uit de WIV. Daarnaast ontbreekt het hier naar hun mening aan een adequaat en effectief controlemechanisme dat misbruik van bevoegdheden tegengaat, hetgeen volgens jurisprudentie van het EHRM is vereist, ook wanneer het gaat om bestrijding van terrorisme en de daarmee gepaard gaande inbreuken op de privacy.

2.5.    Dit betoog faalt. De Afdeling ziet in de door appellanten aangehaalde jurisprudentie van het EHRM geen grond om tot een andere conclusie te komen ten aanzien van de gestelde inbreuk op artikel 8 van het EVRM dan de rechtbank. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat voor zover de afwijzing van hun inzageverzoek al moet worden beschouwd als een inmenging in het recht op privacy of het familie- en gezinsleven als bedoeld in het eerste lid, deze haar rechtvaardiging vindt in een beperkingsgrond van het tweede lid, te weten het belang van de nationale veiligheid. Deze beperking is bij wet voorzien, zoals het tweede lid vereist. Gelet op de beoordelingsmarge die de lidstaten ook blijkens de rechtspraak van het EHRM hebben bij de beoordeling of in het belang van de nationale veiligheid een inmenging in artikel 8, eerste lid, noodzakelijk is, en gelet op de waarborgen die de WIV biedt, onder meer in de vorm van de onderhavige procedure, om misbruik van de aan de Minister toegekende bevoegdheden te voorkomen, is de toepassing van de WIV naar het oordeel van de Afdeling in dit geval niet in strijd met de eisen van dringende maatschappelijke noodzaak en evenredigheid. Derhalve kon de Minister in de beslissing op bezwaar in het belang van bescherming van het actuele kennisniveau van de AIVD met de op artikel 53 van de WIV gebaseerde motivering volstaan.

2.6.    Na de procedure zoals vervat in artikel 87, eerste lid, van de WIV te hebben gevolgd stelt de Afdeling vast dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat het standpunt van de Minister dat het verzoek betrekking heeft op een actueel onderwerp in de zin van artikel 53, eerste lid, onder a, van de WIV, waarover gelet op het tweede lid, geen nadere informatie kan worden verstrekt, rechtens juist is. Uit artikel 54 en de parlementaire geschiedenis van de WIV (Tweede Kamer, 2000-2001, 25 877, nr. 15, p. 6) volgt dat de in artikel 53, eerste lid, genoemde weigeringsgronden voor nabestaanden als bedoeld in artikel 50, eerste lid, onverkort gelden. De Minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het overlijden van [zoon] aan de actualiteit van het onderwerp niet afdoet, nu eventueel over hem aanwezige informatie voor de taakuitvoering van de AIVD van belang kan zijn in verband met enig lopend onderzoek naar internationaal terrorisme.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Van Tuyll van Serooskerken

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2005

306-450.