Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5660

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-05-2005
Datum publicatie
18-05-2005
Zaaknummer
200503407/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij brief van 24 februari 2005, kenmerk 0682, heeft verweerder de aansluiting van een aantal percelen in het buitengebied op de (druk)riolering bevestigd. Tevens heeft verweerder informatie verschaft omtrent de uitvoering van de aansluitingswerkzaamheden en de daarmee samenhangende organisatorische maatregelen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2005/40 met annotatie van Van der Meijden
M en R 2005, 66K
Milieurecht Totaal 2005/2103
Omgevingsvergunning in de praktijk 2005/1675
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503407/1.

Datum uitspraak: 11 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging Belangengemeenschap De Stoevinghe", gevestigd te Heino,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Raalte,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij brief van 24 februari 2005, kenmerk 0682, heeft verweerder de aansluiting van een aantal percelen in het buitengebied op de (druk)riolering bevestigd. Tevens heeft verweerder informatie verschaft omtrent de uitvoering van de aansluitingswerkzaamheden en de daarmee samenhangende organisatorische maatregelen.

Hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 6 april 2005, bij de arrondissementsrechtbank te Zwolle ingekomen op 8 april 2005, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het beroep is met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht naar de Raad van State doorgezonden, alwaar het is ingekomen op 19 april 2005.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 mei 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [gemachtigden] en verweerder, vertegenwoordigd door J.J.M. Legebeke, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Verzoekster voert aan dat ten onrechte aan haar leden - in tegenstelling tot aan 500 andere perceeleigenaren in het buitengebied - niet de mogelijkheid is geboden om te kiezen tussen aansluiting van hun percelen op de riolering en het aanleggen van een eigen voorziening. Verder is zij van mening dat de aanbesteding van de aanleg van de riolering aan aannemingsbedrijf KWS onrechtmatig is. Verzoekster vreest dat de eigen bijdrage aan de kosten van aansluiting op de riolering van percelen van haar leden hierdoor hoger zal uitvallen.

2.2.    Verweerder stelt dat de hoogte van de eigen bijdrage niet afhankelijk is van de aanbesteding van de aanleg van de riolering door KWS.

2.3.    Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

   Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken.

2.4.    Ingevolge artikel 10.33, eerste lid, van de Wet milieubeheer draagt elke gemeente zorg voor de doelmatige inzameling en het doelmatig transport van afvalwater dat vrijkomt bij de binnen haar grondgebied gelegen percelen.

Ingevolge artikel 4.22, eerste lid, van de Wet milieubeheer stelt de gemeenteraad telkens voor een daarbij vast te stellen periode een gemeentelijk rioleringsplan vast.

2.5.    Op 16 februari 1999 en 21 november 2000 zijn respectievelijk het gemeentelijk rioleringsplan voor de gemeente Heino en het gemeentelijk rioleringsplan 2000-2004 voor de gemeente Raalte vastgesteld. Ter zitting is gebleken dat verweerder voornemens is om op 17 mei 2005 te starten met de aanleg van de riolering ten behoeve van een tweetal clusters van percelen in het buitengebied van de gemeente Raalte.

2.6.     De Voorzitter overweegt dat het vaststellen van een gemeentelijk rioleringsplan als voornaamste doel heeft richting te geven aan toekomstige samenhangende beslissingen op hetzelfde bestuurlijke niveau met het oog op de doelmatigheid van het milieubeleid. Daarnaast geeft een plan aan derden inzicht in hetgeen zij van het desbetreffende bestuursorgaan in de toekomst kunnen verwachten. De rioleringsplannen hebben een indicatief karakter en bevatten een overzicht van de voorgenomen activiteiten en de mogelijke financiële consequenties daarvan. De rioleringsplannen zijn derhalve niet op rechtsgevolg gericht en zijn dan ook geen besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het feit dat in de rioleringsplannen wordt aangegeven welke locaties voor aansluiting op de riolering in aanmerking komen en tevens daarbij een kostenraming is bijgevoegd, doet aan het vorenstaande niet af. Van een rechtsgevolg zal eerst sprake zijn, wanneer ten behoeve van deze plannen besluiten worden genomen dan wel maatregelen worden getroffen, welke als zodanig op rechtsgevolg zijn gericht.

   In de artikelen 10.33 en 4.22 van de Wet milieubeheer noch in enig ander wettelijk voorschrift is aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid toegekend om al dan niet percelen op een gemeentelijk riool aan te sluiten. Het aansluiten op een riool betreft naar het oordeel van de Voorzitter een feitelijk handelen. Verweerder handelt in dit verband enkel in het kader van zijn wettelijke zorgplicht voor de doelmatige inzameling en het doelmatig transport van afvalwater dat vrijkomt bij de binnen zijn grondgebied gelegen percelen. Gelet op het vorenstaande is de Voorzitter van oordeel dat de brief van 24 februari 2005 geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht betreft.

   De Voorzitter merkt hierbij nog op dat wel van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht sprake is indien het college van gedeputeerde staten een beslissing neemt op het verzoek van het college van burgemeester en wethouders om in het belang van een doelmatig beheer van afvalwater ontheffing te verlenen van de verplichting opgenomen in het eerste lid, voor een in die ontheffing genoemde periode voor een gedeelte van het grondgebied van de gemeente dat gelegen is buiten de bebouwde kom.

2.7.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe dient te worden afgewezen.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.T. Heijstek-van Leussen, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Heijstek-van Leussen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2005

353.