Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5374

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-05-2005
Datum publicatie
11-05-2005
Zaaknummer
200405321/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juli 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Minister) een verzoek van appellant om van de over hem bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) aanwezige gegevens kennis te kunnen nemen, gedeeltelijk afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405321/1.

Datum uitspraak: 11 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 mei 2004 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Minister) een verzoek van appellant om van de over hem bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) aanwezige gegevens kennis te kunnen nemen, gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 19 december 2002 heeft de Minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 mei 2004, verzonden op 27 mei 2004, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 29 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 25 augustus 2004 heeft de Minister van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

Bij brief van 21 februari 2005 heeft appellant toestemming, als bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (hierna: de WIV), verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2005, waar appellant in persoon en de Minister, vertegenwoordigd door mr. I.M.P. van Verseveld, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de WIV, voorzover thans van belang, deelt de Minister een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of en, zo ja, welke hem betreffende persoonsgegevens door of ten behoeve van een dienst zijn verwerkt.

   Ingevolge artikel 53, eerste lid, aanhef en onder a, wordt een aanvraag, als bedoeld in artikel 47, in ieder geval afgewezen, indien betreffende de aanvrager in het kader van enig onderzoek gegevens zijn verwerkt, tenzij:

1. de desbetreffende gegevens meer dan 5 jaar geleden zijn verwerkt,

2. met betrekking tot de aanvrager sindsdien geen nieuwe gegevens zijn verwerkt in verband met het onderzoek in het kader waarvan de desbetreffende gegevens zijn verwerkt, en

3. de desbetreffende gegevens niet relevant zijn voor enig lopend onderzoek.

   Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een aanvraag, als bedoeld in artikel 47, in ieder geval afgewezen, indien betreffende de aanvrager geen gegevens zijn verwerkt.

   Ingevolge het tweede lid wordt, indien een aanvraag ingevolge het eerste lid wordt afgewezen, bij de motivering van de afwijzing slechts in algemene termen gewezen op alle aldaar vermelde gronden voor afwijzing.

2.2.    De Minister heeft appellant naar aanleiding van zijn verzoek een dossier met enkele niet-actuele gegevens uit de jaren 1949-1950 in bewerkte vorm ter inzage gegeven. Voorts heeft hij appellant medegedeeld dat over de periode 1966-1978, gedurende welke deze lid was van de gemeenteraad van de gemeente Schipluiden, geen gegevens over hem zijn aangetroffen. Verder heeft de Minister antwoord geweigerd op de algemene vraag of over een bepaalde persoon bij de AIVD gegevens bekend zijn en appellant te kennen gegeven dat buiten de voormelde periodes geen niet-actuele gegevens over hem zijn aangetroffen.

2.3.    Appellant heeft geen belangstelling voor gegevens uit de periode 1949-1950. Volgens hem heeft de rechtbank echter miskend dat zich bij de AIVD informatie over hem moet bevinden over de periode 1978-1997 en/of de periode 1997-2002, afkomstig van een persoon, die zich ten doel heeft gesteld de door hem tijdens zijn raadlidmaatschap aan de kaak gestelde misstanden in de gemeente Schipluiden onuitgezocht te houden en appellant in zijn maatschappelijk functioneren te belemmeren en dat hij er recht op heeft de identiteit van deze persoon te leren kennen.

2.4.    Dit betoog faalt. De rechtbank heeft, na het volgen van de procedure van artikel 87, eerste lid, van de WIV, in hetgeen appellant heeft aangevoerd terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de Minister ten onrechte gesteld heeft dat ten aanzien van appellant geen andere niet-actuele persoonsgegevens zijn aangetroffen dan die, welke hem in bewerkte vorm zijn verstrekt en dat het bepaalde in artikel 53, eerste lid, van de WIV er aan in de weg staat dat appellant in kennis wordt gesteld van eventueel over hem bij de AIVD aanwezige actuele persoonsgegevens. Deze bepaling brengt mee dat de Minister bij toepassing ervan geen belang kan toekennen aan hetgeen de desbetreffende verzoeker stelt met de door hem verzochte gegevens te beogen. Voorts heeft de rechtbank, mede gezien de totstandkomingsgeschiedenis van de WIV (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25 877, nr. 3, pag. 69), met juistheid overwogen dat de Minister, gelet op het bepaalde in artikel 53, tweede lid, van de WIV, de vraag of er al dan niet actuele gegevens over appellant bij de AIVD zijn, niet hoefde te beantwoorden.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb    w.g. De Koning

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2005

306-402.