Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5364

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-05-2005
Datum publicatie
11-05-2005
Zaaknummer
200406537/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 november 2002 heeft appellant (hierna: de minister) besloten een verzoek van [verzoeker] (hierna: de vreemdeling) om verlening van het Nederlanderschap niet te behandelen.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap
Rijkswet op het Nederlanderschap 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2005/245 met annotatie van PB
JN 2007/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406537/1.

Datum uitspraak: 11 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2004 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te Amsterdam,

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2002 heeft appellant (hierna: de minister) besloten een verzoek van [verzoeker] (hierna: de vreemdeling) om verlening van het Nederlanderschap niet te behandelen.

Bij besluit van 11 april 2003 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 25 juni 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), voorzover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 september 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 13 oktober 2004 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2005, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te

's-Gravenhage, en de vreemdeling in persoon, bijgestaan door mr. S.S. Jangali, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij gelegenheid van het indienen van haar verzoek tot naturalisatie  heeft de vreemdeling bij brief van 20 november 2001, onder overlegging van de beslissing op bezwaar van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 september 2001 in de legalisatieprocedure, verklaard nimmer een gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakte over te kunnen leggen.

   Bij brief van 16 augustus 2002 heeft de minister de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om binnen drie maanden een gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakte over te leggen.

   Bij faxbericht van 11 november 2002 heeft de vreemdeling de minister wederom bericht dat zij nimmer over een gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakte zal kunnen beschikken en hem verzocht gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid.

   Vervolgens heeft de minister het besluit van 14 november 2002 genomen.

2.2.    Ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

   Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of de voorbereiding van de beschikking, besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.

2.3.    Volgens de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999, wordt bij de toepassing van artikel 7 van de Rijkswet op het Nederlanderschap van personen afkomstig uit één van de zogenaamde probleemlanden, die voor verlening van het Nederlanderschap in aanmerking wensen te komen, gevraagd de identiteit aan te tonen door middel van een na verificatie gelegaliseerde geboorteakte. De Afdeling heeft dit eerder (onder meer uitspraak van 26 januari 2005 in zaak no. 200404425/1, ter voorlichting van partijen aangehecht) niet rechtens onjuist geacht.    

2.4.    De minister klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat moet worden geconcludeerd dat de vreemdeling redelijkerwijs niet over een gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakte kon beschikken, omdat zij reeds bij haar aanvraag heeft aangegeven niet in staat te zijn om een dergelijke akte over te leggen en gesteld noch gebleken is dat zij met succes een rechtsmiddel had kunnen inroepen tegen de in bezwaar gehandhaafde weigering haar geboorteakte te legaliseren, als gevolg waarvan de minister ten onrechte de beslissing om de aanvraag om verlening van het Nederlanderschap buiten behandeling te stellen, heeft gehandhaafd. Daartoe betoogt de minister dat de rechtbank door aldus te overwegen een rechtstreeks en derhalve onjuist verband heeft gelegd tussen artikel 4:2, tweede lid, en artikel 4:5 van de Awb.

2.4.1.    In het besluit van 11 april 2003 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de beoordeling van het bezwaarschrift van de vreemdeling van 18 november 2002 niet verder strekt dan de vraag of de aanvraag op juiste gronden buiten behandeling is gesteld. Daartoe heeft de minister overwogen dat hij niet kan vaststellen of de vreemdeling in beginsel in aanmerking komt voor verlening van het Nederlanderschap, omdat zij geen gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakte heeft overgelegd. Het standpunt van de vreemdeling dat voorbij dient te worden gegaan aan het ontbreken van zo'n geboorteakte op grond van de zogenaamde inherente afwijkingsbevoegdheid kan niet worden gevolgd, aldus de minister, omdat, uitgaande van de juistheid van de beslissing van de Minister van Buitenlandse Zaken, de persoonsgegevens en in het bijzonder de geboortedatum van de vreemdeling niet zijn komen vast te staan, terwijl dit laatste gegeven juist voor verlening van het Nederlanderschap van bijzonder gewicht is. Voorzover moet worden uitgegaan van de door de vreemdeling gestelde bewijsnood, moet volgens de minister dan ook bij de te maken belangenafweging, gelet op de aan het Nederlanderschap verbonden gevolgen, bijzonder gewicht worden toegekend aan het belang dat wordt gediend met vaststelling van de juiste persoonsgegevens. Dat de vreemdeling in bewijsnood verkeert, komt derhalve voor haar rekening, zo betoogt de minister. Tenslotte is niet gebleken, aldus de minister, van zodanig bijzondere feiten en omstandigheden dat van de vreemdeling niet had mogen worden verlangd de vereiste gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakte over te leggen.

2.4.2.    Aan de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:5 van de Awb is te ontlenen dat dit artikel ziet op een onvolledige of ongenoegzame aanvraag, in die zin dat niet is voldaan aan de procedurele of formele vereisten voor het indienen van een aanvraag dan wel dat onvoldoende gegevens of bescheiden die nodig zijn om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken, zijn verstrekt. Het ontbreken van gegevens of bescheiden kan dan ook alleen leiden tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag, indien het niet mogelijk is zonder die gegevens of bescheiden op de aanvraag te beslissen. Anders ligt het, indien reeds aanstonds, dan wel bij een inhoudelijke beoordeling van de merites van de aanvraag, blijkt dat deze niet voor inwilliging vatbaar is. Artikel 4:5 van de Awb komt dan niet voor toepassing in aanmerking, er behoort een inhoudelijke beslissing tot afwijzing van de aanvraag te volgen.

2.4.3.    Dat de vreemdeling in het licht van voormelde beslissing van de Minister van Buitenlandse Zaken niet beschikt over een gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakte brengt niet zonder meer met zich dat zij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag in vorenbedoelde zin heeft ingediend. Niet in geschil is dat het vereiste van het aantonen van de identiteit met een gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakte niet is neergelegd in enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag. Er is aldus geen sprake van dat de vreemdeling door het niet overleggen van een dergelijke geboorteakte niet heeft voldaan aan de procedurele of formele vereisten voor het indienen van een aanvraag tot verlening van het Nederlanderschap. Evenmin heeft zij onvoldoende gegevens of bescheiden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Nu niet denkbeeldig is dat de vreemdeling, naar zij stelt, in bewijsnood verkeert en het ontbreken van de verlangde bescheiden haar deswege niet valt toe te rekenen, is de minister - zoals de Afdeling (uitspraak van 5 maart 2003 in zaak no. 200103414/1, JV 2003/241) heeft overwogen - indien daarvan sprake is, gehouden over te gaan tot een belangenafweging in het kader van een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag. De beslissing op bezwaar geeft, gelet op rechtsoverweging 2.4.1., dienovereenkomstig blijk van een inhoudelijke beoordeling van een aantal elementen van de merites van de aanvraag. Dat besluit strekt daarmee verder dan een enkele beantwoording van de vraag of de aanvraag op juiste gronden buiten behandeling is gesteld.

   De conclusie is dat het betoog van de minister faalt.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd.

2.6.    De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091 onder vermelding van het zaaknummer) te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk    w.g. Groeneweg

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2005

32-438.