Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5359

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-05-2005
Datum publicatie
11-05-2005
Zaaknummer
200401563/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2003 heeft de gemeenteraad van Loenen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 juni 2003, het bestemmingsplan "Landelijk Gebied" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/338
Milieurecht Totaal 2005/221

Uitspraak

200401563/1.

Datum uitspraak: 11 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], handelend onder de naam "Hydrotec International",

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4.    [appellante sub 4], gevestigd te [plaats],

5.    het college van burgemeester en wethouders van Loenen,

6.    [appellant sub 6], wonend te[woonplaats], en anderen,

7.    [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8.    [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],

9.    [appellant sub 9], wonend te [woonplaats], en anderen,

10.    de vereniging "Gewestelijke Land- en Tuinbouworganisatie" (hierna de GLTO), gevestigd te Houten,

11.    [appellant sub 11], wonend te [woonplaats],

12.    [appellanten sub 12], wonend respectievelijk gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2003 heeft de gemeenteraad van Loenen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 juni 2003, het bestemmingsplan "Landelijk Gebied" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 17 februari 2004, no. 2004reg000042i, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 19 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 20 februari 2004, appellant sub 2 bij brief van 30 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2004, appellant sub 3 bij brief van 2 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 5 april 2004, appellante sub 4 bij brief van 7 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2004, appellant sub 5 bij brief van 1 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 7 april 2004, appellanten sub 6 bij brief van 7 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 9 april 2004, appellant sub 7, bij brief van 8 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 9 april 2004, appellant sub 8 bij brief van 8 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 9 april 2004, appellanten sub 9 bij brief van 9 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 9 april 2004, appellante sub 10 bij brief van 8 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 9 april 2004, appellant sub 11 bij brief van 8 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 9 april en appellanten sub 12 bij brief van 8 april 2004, bij de Raad van state ingekomen op 9 april 2004, beroep ingesteld.

Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brieven van 2 maart 2004 en 8 april 2004. Appellante sub 4 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 4 mei 2004. Appellanten sub 6 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 29 april 2004. Appellanten sub 9 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 7 mei 2004. Appellant sub 11 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 10 mei 2004. Appellanten sub 12 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 10 mei 2004.

Bij brief van 29 juni 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 4 oktober 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant sub 2, appellant sub 3, appellanten sub 6 en van [partij]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2005, waar appellant sub 1 in persoon en bijgestaan door mr. G.A.E.M. van Zinnicq Bergmann, advocaat te Soest, appellant sub 2 in persoon, appellant sub 3 in persoon, appellante sub 4, vertegenwoordigd door mr. T. ter Brugge, advocaat te Amsterdam, en H. Lautenbach-Weber, gemachtigde, appellant sub 5, vertegenwoordigd door A.J. Tool, ambtenaar van de gemeente, en R. Wijnschenk, wethouder van de gemeente, appellanten sub 6, vertegenwoordigd door mr. drs. M.L.M. Frantzen, advocaat te Amsterdam, en in de personen van [gemachtigden], appellant sub 7 in persoon en bijgestaan door mr. C. Sjenitzer, advocaat te Amsterdam, appellant sub 8 in persoon en bijgestaan door mr. C. Sjenitzer, advocaat te Amsterdam, appellanten sub 9, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, appellante sub 10, vertegenwoordigd door ing. A.F. van Rozen, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. G.J. Jaspers, J.D. Berkhof, mr. C.V. de Jong en mr. dr. H.J. de Vries, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord de gemeenteraad van Loenen, vertegenwoordigd door A.J. Tool, ambtenaar van de gemeente, en R. Wijnschenk, wethouder van de gemeente, en [partij] in persoon en bijgestaan door mr. J.A.W. Suyver, advocaat te Alphen aan de Rijn.

Appellanten sub 11 en 12 zijn, met bericht van afwezigheid, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2.    Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor het buitengebied van Loenen.

2.3.    [appellanten sub 6]. voeren als formeel bezwaar aan dat hun bedenkingen ten onrechte samengevat zijn behandeld.

2.3.1.    De Afdeling overweegt dat artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht zich er niet tegen verzet dat verweerder de bezwaren samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, dan wel dat samenhangende bedenkingen van verschillende appellanten tezamen zijn behandeld, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

2.4.    [appellant sub 3] heeft als formeel bezwaar aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op de argumenten die appellant op de provinciale hoorzitting tegen de door zijn buurman ingediende bedenkingen naar voren heeft gebracht.

Tevens stelt hij dat verweerder zich geen zelfstandig oordeel omtrent het plan heeft gevormd, maar slechts het advies van de provinciale planologische commissie heeft overgenomen.  

2.4.1.    Uit artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht volgt niet dat hetgeen op de provinciale hoorzitting ter mondelinge toelichting op het plan naar voren is gebracht, uitdrukkelijk in de overwegingen die tot het besluit hebben geleid dient te worden betrokken. Niet is gebleken dat appellant ter hoorzitting een zodanige toelichting heeft gegeven dat verweerder daarop in zijn bestreden besluit uitdrukkelijk had moeten ingaan.

   Ten aanzien van het bezwaar van appellant, dat verweerder zich geen zelfstandig oordeel heeft gevormd, overweegt de Afdeling dat verweerder te kennen heeft gegeven grotendeels in te kunnen stemmen met het advies van de provinciale planologische commissie. Op een aantal punten is verweerder van dit advies afgeweken. Daarmee heeft verweerder zich een zelfstandig oordeel gevormd omtrent het plan en de daartegen ingediende bezwaren.

Deze bezwaren treffen dan ook geen doel.

2.5.    Verweerder heeft in het bestreden besluit zestien locaties met de bestemming "Woonschepenligplaats" in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft in zoverre goedkeuring aan het plan onthouden.

Hij heeft daarbij van belang geacht dat het als zodanig bestemmen van de ligplaatsen in strijd is met het provinciale beleid vooral gelet op de ter plaatse aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden. Tevens wijst hij op het rapport "Woonschepen in beweging" waarin deze locaties als prioritaire knelpunten zijn aangeduid. Hij meent dat de ligplaatsen onder het overgangsrecht moeten worden gebracht.

2.5.1.    Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Loenen, [appellanten sub 6]. en [appellanten sub 9]. stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan genoemde plandelen.

[appellant sub 6] is van mening dat verweerder door goedkeuring te onthouden zijn bevoegdheid voor een andere doel heeft gebruikt dan waarvoor deze is verleend.

[appellanten sub 6]. en [appellanten sub 9]. voeren aan dat uit de Koninklijke besluiten van 2 april 1985 en 6 november 1985 volgt dat de woonschepen als zodanig moeten worden bestemd.

Het college van burgemeester en wethouders van Loenen, [appellanten sub 6] en [appellanten sub 9] stellen dat het plan niet in strijd is met het provinciale beleid, nu onwaarschijnlijk is dat de woonschepen binnen de planperiode verdwijnen. Zij stellen dat voldoende alternatieve locaties en financiële middelen ontbreken. Verder wijzen zij op de afspraak van het Samenwerkingsverband Restauratieplan Vecht dat woonschepen slechts op vrijwillige basis zullen worden gesaneerd.

Ook heeft verweerder volgens hen de onthouding van goedkeuring ten onrechte mede gebaseerd op het rapport "Woonschepen in beweging". Het rapport heeft noch een juridische, noch een beleidsmatige status. Verder achten appellanten de in het rapport gebruikte methodiek willekeurig en stellen zij dat het onjuist- en onvolkomenheden bevat. Zij stellen dat verweerder ten onrechte niet het rapport La4sale bij de voorbereiding van zijn besluit omtrent goedkeuring heeft betrokken.

Verder stellen appellanten dat rechten en verwachtingen zijn gewekt dat de ligplaatsen positief zouden worden bestemd.

Voorts betogen zij zowel juridisch als financieel onevenredige schade te zullen ondervinden van het bestreden besluit.

2.5.2.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting stelt verweerder, anders dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan, dat het als zodanig bestemmen van de ligplaatsen met WORESnummers […] gerechtvaardigd is. Nu verweerder zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat deze onderdelen betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Loenen en [appellanten sub 9]. zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op deze onderdelen dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5.3.    Bij de vaststelling en de goedkeuring van het bestemmingsplan moet het besluit waarbij goedkeuring is onthouden in acht worden genomen, tenzij sprake is van gewijzigde feiten of omstandigheden.

Bij Koninklijk Besluit van 2 april 1985 met betrekking tot het bestemmingsplan van de voormalige gemeente Nigtevecht is onder meer het volgende overwogen:    

   "noch bij het gemeentebestuur, noch bij gedeputeerde staten bestaan

   duidelijke voornemens de desbetreffende woonplaatsen te verplaatsen     naar elders" en "dat er daarom mede uit een oogpunt van rechtszekerheid in dit geval niet mede kan worden volstaan de overgangsbepalingen op alle woonboten van toepassing te laten zijn ".

In het KB van 6 november 1985 met betrekking tot het bestemmingsplan van de voormalige gemeente Loenen overweegt de Kroon dat:

   "blijkens de ambtsberichten de onderwerpelijke plangedeelten, waarin     de woonschepen zijn gelegen niet alle zodanig waardevol zijn dat de     ligging van de woonschepen ter plaatse onaanvaardbaar moet worden     geacht."

Verder wordt daarin overwogen dat

   "uit de stukken blijkt dat het gemeentebestuur van Loenen niet het     voornemen heeft de desbetreffende woonschepen aan te kopen of te     verwijderen en dat ook anderszins niet aannemelijk is, dat binnen de     planperiode het woonbotenbestand in de gemeente Loenen zal     worden gesaneerd".

en dat

   "onder deze omstandigheden het voortbestaan van de woonschepen in het plangebied zoveel mogelijk dient te worden gewaarborgd door een bestemming voor de desbetreffende plangedeelten, waarin de     woonschepen zijn gelegen overeenkomstig het bestaande gebruik."

Uit de bewoordingen van de Koninklijke besluiten volgt dat niet alle woonboten zonder meer onder het overgangsrecht van het plan konden worden gebracht. In deze Koninklijke besluiten kan dan ook geen grond worden gevonden voor het standpunt dat alle ligplaatsen als zodanig dienen te worden bestemd.

2.5.4.    Het provinciale beleid, verwoord in het streekplan Utrecht 1994 en de handleiding "Handleiding bestemmingsplannen buitengebied" (hierna: de Handleiding) staat in beginsel woonschepen in het buitengebied niet toe. Bestaande woonschepen, waarvan na afweging van alle betrokken belangen komt vast te staan dat zij op aanvaardbare locaties een ligplaats hebben, moeten worden voorzien van een specifieke bestemming. Blijkens de Handleiding geldt dit tevens voor woonschepen die op minder geschikte plaatsen zijn afgemeerd, maar waarvan een verplaatsing gedurende de planperiode in redelijkheid niet is te verwachten.

   De "Notitie Woonschepenbeleid 2002-2012" (hierna: de Notitie), vastgesteld door Provinciale Staten op 7 oktober 2002, vermeldt dat de provincie zonodig haar goedkeuringsbevoegdheid inzake bestemmingsplannen zal inzetten om het ongewenst bestemmen van zogenoemde knelpuntsituaties tegen te gaan. In situaties waarin verweerder zijn goedkeuringsbevoegdheid inzet om knelpuntsituaties tegen te gaan zal hij volgens de notitie in samenwerking met de gemeenteraad bezien hoe de knelpunten kunnen worden opgelost.

De Notitie onderscheidt een aantal categorieën ontheffingen voor ligplaatsen.

De Notitie vermeldt dat gedoogsituaties waarin een provinciale ontheffing voor de ligplaatsen ontbreekt niet kunnen blijven voortbestaan.

Ten aanzien van ligplaatsen met bezwaar inhoudende dat de ontheffing vervalt indien elders een alternatieve ligplaats beschikbaar komt, vermeldt de Notitie dat zodra de omstandigheden zich wijzigen de ontheffing kan worden ingetrokken en opnieuw kan worden verleend voor een ligplaats op een meer aanvaardbare locatie.

Blijkens de Notitie is het provinciale beleid erop gericht ligplaatsen waarvoor een ontheffing met bezwaar is verleend op basis van de Woonschepenverordening provincie Utrecht van 1963 eerst te bestemmen nadat per ligplaats de belangen van natuur en landschap en de opgebouwde rechten zorgvuldig tegen andere ruimtelijke belangen zijn afgewogen. De Notitie verwijst in dat kader naar een destijds nog op te stellen knelpuntenplan voor woonschepen op de Vecht. Dit knelpuntenplan genaamd "Woonschepen in beweging, onderzoek naar knelpunten en oplossingsrichtingen", van Arcadis van 4 april 2003 (hierna: het Arcadis-rapport) geldt als onderlegger voor bestemmingsplannen.

   De bevoegdheid van verweerder omtrent goedkeuring dient onder meer om te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het hiervoor weergegeven provinciale beleid heeft verweerder verwoord wat hij onder een goede ruimtelijke ordening verstaat. De Afdeling kan appellanten dan ook niet volgen in hun stelling dat verweerder zijn bevoegdheid omtrent goedkeuring niet mag aanwenden ter uitvoering van dit beleid.

   Het hiervoor weergegeven beleid acht de Afdeling in het algemeen niet onredelijk. Dat verweerder anders dan de Stuurgroep van het Samenwerkingsverband Restauratieplan Utrecht, niet de vrijwillige medewerking van de woonschipbewoners als uitgangspunt voor de sanering van woonschepen heeft genomen, maakt dit niet anders. Daarbij betrekt de Afdeling dat de Stuurgroep geen verordenende bevoegdheid heeft, zodat zij is aangewezen op vrijwillige medewerking. Bovendien is binnen de stuurgroep overeengekomen dat de daar gemaakte afspraken onverlet laten dat de deelnemende partijen, waaronder verweerder, hun eigen instrumenten inzetten ter uitvoering van het in het Arcadis-rapport neergelegde beleid.

2.5.5.    Het zuidelijke gebied, waarin de woonschepen liggen, is in het streekplan aangeduid als "Landelijk Gebied 2" het noordelijke gebied waarin de woonschepen liggen is aangeduid als "Landelijk gebied 3".

Gronden die zijn aangeduid als "Landelijk gebied 2", kunnen volgens het streekplan worden gekarakteriseerd als landelijk gebied met intensief landbouwkundig gebruik. Het streekplan veronderstelt geen natuurwaarden in een gebied dat is aangeduid als "Landelijk gebied 2". Derhalve dient verweerder aannemelijk te maken dat niettemin ter plaatse sprake is van zodanige natuurwaarden, dan wel potentiële natuurwaarden dat de onthouding van goedkeuring aan de woonschepenligplaatsen op deze gronden gerechtvaardigd is.

Gronden die in het streekplan zijn aangeduid als "Landelijk gebied 3", kunnen volgens het streekplan worden gekarakteriseerd als landelijk gebied met primair grondgebonden landbouw en plaatselijk enige natuurwaarden.

Ten aanzien van deze gronden dient verweerder eveneens aannemelijk te maken dat de natuurwaarden, dan wel de potentiële natuurwaarden ter plaatse zodanig zijn dat de onthouding van goedkeuring gerechtvaardigd is.

   Blijkens de stukken heeft onderzoek plaatsgevonden om te bezien welke gebieden van de Vecht uit het oogpunt van natuur het meest waardevol zijn en welke ligplaatsen derhalve als knelpunt moeten worden aangemerkt. De uitkomsten van dit onderzoek zijn neergelegd in het Arcadis-rapport. Genoemd rapport is opgesteld op verzoek van de Werkgroep Woonschepen van het samenwerkingsverband Restauratieplan Vecht gevormd door een aantal gemeenten waaronder Loenen, een aantal Hoogheemraadschappen en de provincies Noord-Holland en Utrecht en Rijkswaterstaat. De leden van deze werkgroep hebben een inspanningsverplichting op zich genomen om de maatregelen uit een gezamenlijk opgestelde intentieverklaring uit te voeren. Maatregel 46 daarvan heeft betrekking op de stabilisatie, re-allocatie en vermindering (op termijn) van het aantal ligplaatsen langs de Vecht. Ten behoeve van het rapport zijn een zestal beleidsdocumenten geselecteerd op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau die gaan over de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden van het gebied. Het streefbeeld van maatregel 46 is gebaseerd op vergroting van de ruimtelijke kwaliteit en vergroting van de kansen van de natuur. Het onderscheidend karakter van de betreffende doelstellingen vormt de basis van de knelpunteninventarisatie zodat slechts gebruik kon worden gemaakt van beleidsdocumenten waarin voor het Vechtgebied (meerdere) onderscheidende doelstellingen zijn opgenomen. De omstandigheid dat nagenoeg alle ligplaatsen in de gemeente Loenen in het Belvédèregebied "Vecht en Plassengebied" liggen doet, anders dan appellanten betogen, niet af aan het onderscheidende karakter van de nota "Belvédère, Beleidsnota over de relatie cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting". Daarbij heeft de Afdeling betrokken dat andere gemeenten langs de Vecht geheel dan wel grotendeels buiten het Belvédèregebied liggen. Evenmin hebben appellanten aannemelijk gemaakt dat de nota anderszins niet bruikbaar is ter inventarisatie van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Voorts is niet gebleken dat het bestemmingsplan, zoals appellanten stellen, onvoldoende onderscheidend is.  

Vervolgens is per woonschepenligplaats bezien welke waarden er volgens de beleidsdocumenten ter plaatse aanwezig zijn. Voor elk beleidsdocument waaruit blijkt dat bepaalde waarden op de desbetreffende ligplaats aanwezig zijn wordt een punt toegekend. Uit paragraaf 3.2. van het genoemde rapport in samenhang bezien met de bij het rapport behorende bijlage blijkt wanneer op grond van een beleidsdocument een score wordt gegeven. De Afdeling kan appellanten dan ook niet volgen in hun stelling dat onduidelijk is wanneer een punt wordt toegekend.

Ligplaatsen met drie of meer punten worden in beginsel aangemerkt als knelpunten. Verweerder heeft deze grens niet onredelijk kunnen achten.

Ten slotte heeft, in tegenstelling tot hetgeen appellanten stellen, een veldonderzoek plaatsgevonden naar de locatiespecifieke omstandigheden van de ligplaatsen. Op basis van het veldonderzoek is bezien of de op grond van het bureau-onderzoek gesignaleerde knelpunten ook daadwerkelijk als zodanig dienen te worden gekwalificeerd en of woonschepenligplaatsen die op grond van het bureau-onderzoek niet als knelpunt zijn aangemerkt, niettemin een knelpunt vormen. De Afdeling kan appellanten dan ook niet volgen in hun stelling dat verweerder niet per woonschepenligplaats een afweging heeft gemaakt, dan wel dat het rapport is gebaseerd op een willekeurige selectiemethode.

In het rapport zijn 32 ligplaatsen in het plangebied als knelpunt aangeduid.  Van deze 32 ligplaatsen zijn er volgens het rapport 24 aan te merken als prioritair knelpunt, waaronder de ligplaatsen waaraan verweerder goedkeuring heeft onthouden.

Niet is gebleken dat het Arcadis-rapport zodanige gebreken, dan wel leemten in kennis bevat dat verweerder zich daarop bij het nemen van het bestreden besluit niet heeft kunnen baseren. Het ontbreken van de vaststelling en goedkeuring van het rapport door de Stuurgroep Woonschepen van het samenwerkingsverband Restauratieplan Vecht, noch het ontbreken van overleg met de woonschepenbewoners, doet op zichzelf afbreuk aan de inhoud van het rapport. In tegenstelling tot hetgeen [appellanten sub 9] stellen heeft verweerder dan ook geen aanleiding behoeven te zien nader onderzoek te laten verrichten. Evenmin heeft verweerder het rapport "Wonen op de Vecht" van La4sale bij zijn besluitvorming behoeven te betrekken. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat aan dit rapport andere uitgangspunten ten grondslag liggen dan aan het Arcadis-rapport.

   Gelet op het Arcadis-rapport heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de ligplaatsen waaraan verweerder goedkeuring heeft onthouden, met uitzondering van die met WORES nummers […], als knelpunten in waardevol gebied kunnen worden aangemerkt.

2.5.6.    De woonschepenligplaatsen met WORESnummers […] beschikken niet over een ontheffing op basis van de provinciale woonschepenverordening. Derhalve heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat het als zodanig bestemmen van deze ligplaatsen voor woonschepen in strijd is met zijn beleid. Het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Loenen geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden.

2.5.7.    Voor de woonschepenligplaatsen met de WORES nummers […] is een ontheffing met bezwaar verleend die vervalt indien elders een alternatieve ligplaats beschikbaar komt. Vervolgens kan opnieuw een ontheffing worden verleend voor een ligplaats op een meer aanvaardbare locatie.

Voor de woonschepenligplaatsen met de WORES nummers […] is een ontheffing met bezwaar verleend op basis van het overgangsrecht van de Woonschepenverordening provincie Utrecht van 1963.

Indien deze woonschepenligplaatsen, zoals verweerder beoogt, onder het overgangsrecht van het plan worden gebracht dient aannemelijk te zijn dat het bestaande gebruik van deze gronden als ligplaats binnen de planperiode zal worden beëindigd. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat ten aanzien van de ligplaats met WORES nummer […] inmiddels een privaatrechtelijke saneringsregeling is getroffen. Derhalve dienen 11 woonschepen te worden verplaatst naar een alternatieve ligplaats, dan wel te worden aangekocht.

   Blijkens de stukken, waaronder het Arcadisrapport, zijn er drie alternatieve ligplaatsen in de gemeente Loenen, drie in de gemeente Weesp, één in de gemeente Muiden en één in de gemeente Utrecht. Verweerder heeft ter zitting ten aanzien van de twee laatstgenoemde woonschepenligplaatsen erkend dat omstreden is of deze binnen de planperiode bruik- en beschikbaar zijn. Appellanten hebben gesteld maar niet aannemelijk gemaakt dat dit tevens geldt voor de overige zes alternatieve ligplaatsen.

   Verder heeft verweerder wat betreft de ligplaatsen waarvoor een ontheffing met bezwaar is verleend op basis van de Woonschepenverordening provincie Utrecht van 1963 een gradatie in urgentie aangebracht. Deze gradatie ziet op de termijn waarbinnen het provinciale bestuur voornemens is het gebruik van de ligplaatsen te beëindigen. Op korte termijn zal worden gestreefd naar de opheffing van de woonschepenligplaatsen met WORES nummers […]. Blijkens het verhandelde ter zitting heeft opheffing van de woonschepenligplaats met WORES nummer […] geen prioriteit, maar is de provincie voornemens ook het gebruik van deze gronden als woonschepenligplaats binnen de planperiode te beëindigen.

Tevens zijn gelden gereserveerd voor de aankoop van woonschepen. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat onvoldoende is verzekerd dat de woonschepen waarvoor ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen alternatieve ligplaatsen beschikbaar waren, niet binnen de planperiode zullen worden verplaatst, dan wel aangekocht.

   Verder is niet gebleken dat het plan in zoverre gelet op de ter plaatse te verwachten maatschappelijke ontwikkelingen niet uitvoerbaar is.

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat aannemelijk is dat het gebruik van de desbetreffende gronden als woonschepenligplaats binnen de planperiode zal worden beëindigd.

2.5.8.    Er bestaat geen aanleiding om het plan vanwege de door appellanten gestelde verhoudingsgewijze nadelige gevolgen voor appellanten in strijd met het algemeen rechtsbeginsel "égalité devant les charges publiques" te achten.

2.5.9.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder in redelijkheid een groter belang kunnen hechten aan de aanwezige en potentiële natuurwaarden ter plaatse van de veertien woonschepenligplaatsen, dan aan de belangen die zijn gediend met de toekenning van de bestemming "Woonschepenligplaats". De beroepen van appellanten geven geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in die gevallen niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden. Hij heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre strijdt met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten in zoverre hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan.

De beroepen van [appellanten sub 6]., het college van burgemeester en wethouders van Loenen en [appellanten sub 9] zijn in zoverre ongegrond.

2.6.    [appellant sub 3] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de subbestemming "Bo" voor zijn perceel aan de [locatie].

Hij voert hiertoe aan dat verweerder geen redelijke belangenafweging heeft gemaakt. Appellant stelt dat het gebruik van het gebouw als woning vanuit landschappelijk oogpunt het meest wenselijk is en bovendien het behoud van het markante karakter van het gebouw garandeert. Verder betoogt appellant dat, in tegenstelling tot hetgeen verweerder stelt, in het plan rekening is gehouden met de aard en omvang van de vergunde bedrijfsactiviteiten op het aangrenzende perceel.

2.6.1.    De gemeenteraad heeft aan de gronden de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de subbestemming "Bo" toegekend, zonder de nadere aanwijzing "zonder woning". De gemeenteraad heeft een woonfunctie passend geacht met het oog op de instandhouding van het ter plaatse aanwezige, markante, gebouw.

2.6.2.    Verweerder heeft de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de subbestemming "Bo" voor het perceel [locatie] in strijd met het recht geacht en heeft in zoverre goedkeuring onthouden.

Volgens verweerder laat de bestemming ter plaatse een woning toe, zonder dat de noodzaak daarvan in het plan voldoende is aangetoond. Verweerder wijst daarbij op de voorgeschiedenis van het ter plaatse aanwezige gebouw en op het ontbreken van een regeling ter bescherming van dit gebouw. Verder heeft verweerder van belang geacht dat onduidelijk is in hoeverre de gemeenteraad in het plan rekening heeft gehouden met de belangen van het cultuurtechnisch loonbedrijf en het hoveniersbedrijf aan de [locatie].

2.6.3.     Het perceel [locatie] heeft de bestemming "Bedrijfsdoeleinden", de subbestemming "Bo" en de nadere aanduiding "180 m2". Op het perceel staat een gebouw behorende bij een voormalige rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften zijn gronden op de kaart aangewezen voor "Bedrijfsdoeleinden" - onder verwijzing naar de Staat van Bedrijfsactiviteiten - ter plaatse van de subbestemming "Bo" bestemd voor opslag behorende tot categorie 2.

Ingevolge artikel 6, vierde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften is de bouw van een woning niet toegestaan op bouwvlakken met de nadere aanwijzing (zw).

Ingevolge artikel 6, vierde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, geldt overigens dat op gronden met deze bestemming één woning binnen het bouwvlak kan worden gebouwd, waarvan de maximale inhoud 600 m3 bedraagt.

Het gebouw is niet in gebruik als woning.

2.6.4.    De gemeenteraad heeft pas bij de vaststelling van het plan besloten vanwege het karakter van het gebouw de nadere aanwijzing "zonder woning" niet toe te kennen aan het perceel van appellant. Uit het plan, noch uit de overige stukken blijkt dat het gebouw erkende architectonische of cultuurhistorische waarden heeft. Tevens bevat het plan geen regeling ter instandhouding van het gebouw, noch zijn daartoe anderszins maatregelen getroffen. Derhalve heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan onvoldoende blijk geeft van de noodzaak van een woning ter plaatse. Evenmin blijkt uit het plan of en in hoeverre rekening is gehouden met de gevolgen van een woning ter plaatse voor de bedrijfsvoering op het aangrenzende perceel.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre, doordat het niet berust op een deugdelijke motivering, in strijd met het recht tot stand is gekomen.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 3] is in zoverre ongegrond.

2.7.    Verweerder heeft de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de subbestemming "Bho" voor het perceel van [appellant sub 11] handelend onder de naam […] aan de [locatie] in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft in zoverre aan het plan goedkeuring onthouden.

Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat het om nieuwvestiging van een bedrijf gaat dat niet aan het buitengebied is gebonden. Bovendien grenst het perceel aan gronden die in het plan een natuurbestemming hebben, aldus verweerder. Voorts wijst hij op de mogelijkheid van verplaatsing van het hoveniersbedrijf naar een bedrijventerrein.

Verder acht verweerder een bedrijfswoning niet noodzakelijk voor de exploitatie van het bedrijf van appellant.

2.7.1.    [appellant sub 11], stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het genoemde plandeel.

Hij voert hiertoe aan dat zijn hoveniersbedrijf op dit perceel reeds zes jaar aanwezig is en als zodanig dient te worden bestemd. Weliswaar heeft het bedrijf zich ter plaatse illegaal gevestigd, maar er is nimmer handhavend opgetreden en appellant acht dit inmiddels ook niet meer mogelijk.

Verder stelt hij dat onzeker is of het bedrijf zal worden verplaatst naar het nieuwe bedrijventerrein.

Tevens betoogt appellant dat een bedrijfswoning wel noodzakelijk is voor de exploitatie van het bedrijf, alsmede voor het houden van toezicht.

2.7.2.    Het perceel van appellant tegenover het perceel ]locatie] ligt in het buitengebied. De gronden hebben de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de subbestemming "Bho" en de nadere aanwijzing "(zw)".

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met deze bestemming en subbestemming - onder verwijzing naar de Staat van bedrijfsactiviteiten - bestemd voor een hoveniersbedrijf behorende tot categorie 1.

Ingevolge artikel 6, vierde lid, onder b, van de planvoorschriften is op bouwvlakken met de nadere aanwijzing "(zw)" de bouw van een woning niet toegestaan.

2.7.3.    Niet in geschil is dat een hoveniersbedrijf een niet-agrarisch bedrijf is en dat het bedrijf gevestigd is in strijd met de voorheen geldende bestemming.

Het provinciale beleid om nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied te voorkomen acht de Afdeling in het algemeen niet onredelijk.

Het enkele feit dat het bedrijf sinds 1997 ter plaatse is gevestigd zonder dat het gemeentebestuur handhavend heeft opgetreden, brengt op zichzelf niet met zich dat verweerder in dit geval niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden.

Niet gebleken is dat verweerder ook anderszins niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden. In dit verband is tevens van belang dat het perceel ligt in een gebied dat in het streekplan is aangeduid als "Landelijk Gebied 3". Het streekplan gaat uit van de aanwezigheid van natuurwaarden op gronden die als zodanig zijn aangeduid. Voorts maakt het perceel deel uit van het zogenoemde Belvédère gebied "Vecht en Plassengebied" en grenst het aan een perceel met een natuurbestemming.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.7.4.    Nu verweerder zich gelet op het voorgaande in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bedrijfsbestemming in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, heeft hij zich in navolging van de gemeenteraad op goede gronden op het standpunt gesteld dat een bedrijfswoning ter plaatse niet noodzakelijk is. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.7.5.    In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 11], handelend onder de naam […], is ongegrond.

2.8.    [appellanten sub 12] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden", de subbestemming "Bl" en de aanduiding "1819 m2" voor hun perceel aan de [locatie].

Appellanten betogen dat de bebouwingsmogelijkheden niet tot de bestaande bebouwing beperkt dienen te blijven. Zij voeren aan dat in het geheel geen beperking van het maximaal te bebouwen oppervlak dient te worden opgenomen, aangezien zij een agrarisch bedrijf exploiteren. Verder betwisten zij dat de door verweerder gestelde aanwezige waarden door eventuele uitbreiding van de bebouwing zullen worden aangetast. Indien niettemin een beperking wordt opgenomen dient het plan te voorzien in een bebouwingsoppervlak van minstens 1924 m2, aldus appellanten.

2.8.1.    Verweerder heeft de genoemde aanduiding voor het perceel aan de Rijksstraatweg 3 in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft aan deze aanduiding en gelet op de samenhang ook aan de bestemming en subbestemming voor het perceel, goedkeuring onthouden.

Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat de genoemde aanduiding uitbreiding van de op het perceel aanwezige bebouwing mogelijk maakt. Verweerder acht dit in strijd met het provinciale beleid nu het een niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied betreft. Volgens verweerder dient de bebouwing beperkt te blijven tot de reeds bestaande bebouwing. Verder wijst verweerder erop dat door de Inspecteur voor de Ruimtelijke Ordening reeds in 1994 en 1996 is gesteld dat het complex gelet op de aanwezige natuurwaarden als afgerond dient te worden beschouwd.

2.8.2.    Op het perceel aan de [locatie] is het loon- en grondtransportbedrijf van appellanten gevestigd. Niet in geschil is dat het bedrijf in het buitengebied is gevestigd.

Het bedrijf van appellanten is niet gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.  Daargelaten de toegekende subbestemming, heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat dit een niet-agrarisch bedrijf in de zin van het streekplan is.

Het provinciale beleid voor niet-agrarische bedrijven als verwoord in het streekplan en nader uitgewerkt in de Handleiding is gericht op het maken van een afweging tussen enerzijds de bedrijfs- en werkgelegenheidsbelangen en anderzijds de belangen van landbouw, natuur, landschap, milieu en recreatie. Als verplaatsing geen reële optie is, is volgens de Handleiding een positieve bestemming aanvaardbaar. Het is dan wel gewenst de bestemmingsregeling qua gebruik en bebouwing zoveel mogelijk toe te snijden op de specifieke situatie. In beginsel dienen dergelijke bedrijven dan ook slechts beperkte uitbreidingsmogelijkheden te krijgen.

Dit beleid acht de Afdeling in het algemeen niet onredelijk.

Het agrarisch loon- en grondtransportbedrijf van appellanten heeft in het plan de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de subbestemming "Bl" en de aanduiding "1819 m2".

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften zijn gronden ter plaatse van deze bestemming en subbestemming - onder verwijzing naar de Staat van Bedrijfsactiviteiten - bestemd voor een agrarisch loonbedrijf behorende tot categorie 3.

Ingevolge artikel 6, vierde lid, onder a, in samenhang bezien met de plankaart mag het perceel tot 1819 m2 worden bebouwd.

Niet in geschil is dat de totale oppervlakte van de reeds op het perceel aanwezige bebouwing kleiner is dan dit maximaal toegestaan te bebouwen oppervlak.

Blijkens de stukken heeft appellant zowel in 1994 als in 1996 de bebouwing uitgebreid.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de nieuwe uitbreidingsmogelijkheden in het plan in strijd zijn met het bovengenoemde provinciale beleid.

Het beroep van appellanten geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden. In dit verband is van belang dat een uitbreiding van de bebouwing zal leiden tot een verdere verstening van het buitengebied. Dat het perceel van appellanten in de nabijheid van een drukke weg ligt, doet daar niet aan af. Bovendien is bij besluit van 28 januari 1994 uitsluitend een verklaring van geen bezwaar afgegeven onder de voorwaarde dat het complex aan de Rijksstraatweg als afgerond wordt beschouwd.

   Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strijdt met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten in zoverre hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder op dit punt terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan.

Het beroep van [appellanten sub 12] is in zoverre ongegrond.

2.9.    [appellanten sub 12] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden" met de perceelsbestemming "Agrarische doeleinden" en de subbestemming "Av" voor de gronden achter de buitenplaats "Sluis Nae" en aan het plandeel met de perceelsbestemming "Bedrijfsdoeleinden", de subbestemming "Bo" en de nadere verwijzing "z" voor hun perceel ten zuiden van de N201. Zij voeren hiertoe aan dat ten onrechte geen bouwvlak voor deze gronden is opgenomen.

Appellanten zijn voornemens een schuilgelegenheid voor vee op te richten op de gronden achter de buitenplaats. Op de gronden ten zuiden van de N201 wensen zij een schuur op te richten.

2.9.1.    Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en het plan in zoverre goedgekeurd.

Het provinciale beleid staat volgens verweerder in de weg aan het oprichten van bebouwing ten behoeve van grondgebonden veehouderijen buiten bouwvlakken. Evenmin staat het provinciale beleid bebouwing toe ten behoeve van niet aan het landelijk gebied gebonden functies, aldus verweerder.

2.9.2.    De gronden achter de buitenplaats "Sluis Nae" hebben de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden" met de perceelsbestemming

"Agrarische doeleinden" en de subbestemming "Av".

Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften zijn de gronden met deze bestemming en subbestemming bestemd voor grondgebonden veehouderij.

Ingevolge artikel 2, derde lid, van de planvoorschriften mogen op gronden met de genoemde perceelsbestemming uitsluitend gebouwen ten dienste van de subbestemming alsmede de daarbijbehorende woningen met bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

Gelet op het vorenstaande staat het plan niet in de weg aan het oprichten van een schuilstal ter plaatse. Het beroep van appellanten mist in zoverre feitelijke grondslag.

2.9.3.    Het perceel van appellanten ten zuiden van de weg N201 heeft de perceelsbestemming "Bedrijfsdoeleinden", de subbestemming " Bo" en de nadere verwijzing "(z)". Dit perceel is in gebruik ten behoeve van een transportbedrijf.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften zijn gronden met deze bestemming en subbestemming - onder verwijzing naar de Staat van Bedrijfsactiviteiten - bestemd voor opslag behorende tot categorie 2.

Ingevolge artikel 6, vierde lid, onder c, van de planvoorschriften mogen op gronden met de nadere aanwijzing (z) uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen, opslagtanks of overkappingen, zijnde worden gebouwd.

Het plan staat de bouw van een loods op het perceel derhalve niet toe.

Het provinciale beleid is erop gericht in beginsel geen ruimte te bieden aan functies die niet functioneel aan het buitengebied zijn verbonden.

De Afdeling ziet geen aanleiding dit beleid onredelijk te achten.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de door appellanten gewenste opname van een bouwvlak ten behoeve van de oprichting van een loods in strijd is met het beleid.

Het beroep van appellanten geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet aan dat beleid heeft kunnen vasthouden.

Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellanten sub 12] is ook in zoverre ongegrond.

2.10.    De GLTO en [appellanten sub 12] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend, voorzover de agrarische gronden rondom de kern Nieuwersluis (de zogenoemde schootsgebieden), waaronder het perceel aan de [locatie], geen deel uitmaken van het plangebied.

Zij voeren hiertoe aan dat bij de vaststelling van het plan ten onrechte de grenzen van het plangebied zijn gewijzigd.

2.10.1.    De gemeenteraad heeft het landbouwgebied rondom Nieuwersluis niet in het plan opgenomen, aangezien voor deze gronden en de kern Nieuwersluis een procedure loopt om dit gebied aan te wijzen als beschermd dorpsgezicht. De gemeenteraad is gelet op de samenhang tussen die gronden voornemens een plan op te stellen ten behoeve van het gehele gebied dat als beschermd dorpsgezicht is aangewezen.

2.10.2.    Verweerder heeft geen reden gezien de plangrens in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd.

Hij heeft met het standpunt van de gemeenteraad ingestemd.

2.10.3.    Gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening komt de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan.

Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

De enkele omstandigheid dat de schootsgebieden in het voorontwerp van het bestemmingsplan wel deel uitmaakten van het plangebied, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten in zoverre hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

De beroepen van de GLTO en [appellanten sub 12] zijn in zoverre ongegrond.

2.11.    [appellant sub 1], handelend onder de naam "Hydrotec International", stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" toegekend aan het perceel [locatie].

Hij voert hiertoe aan dat zijn bedrijf op dit perceel ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Appellant wijst daarbij op het beleid van de gemeenteraad om bestaande bedrijven als zodanig te bestemmen.

Verder stelt appellant dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder e, van de in de planvoorschriften opgenomen bebouwingsregeling voor woningen met een inhoud kleiner dan of gelijk aan 300 m3. Hij stelt dat de regeling voor woningen onnodig beperkend is. Uit de door de Provinciale Planologische Commissie gemaakte opmerkingen kan volgens appellant worden opgemaakt dat een dergelijke beperking enkel nodig is ten aanzien van recreatie- en noodwoningen. Hij acht de bebouwingsregeling dan ook in strijd met het advies van deze commissie.

Verder betoogt appellant dat de gemeenteraad heeft toegezegd dat het plan niet in de weg staat aan een vergroting van de woning op het perceel [locatie] tot een inhoud van 600 m3. Bovendien heeft de gemeenteraad voorheen in andere gevallen wel medewerking verleend aan een dergelijke vergroting.

2.11.1.    Verweerder heeft geen reden gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit plandeel en voorschrift goedgekeurd.

Hij gaat er met de gemeenteraad vanuit dat het bedrijf als nieuwvestiging in het buitengebied moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met het provinciale beleid. Verder voldoet de situatie van appellant niet aan de voorwaarden om toepassing te geven aan de uitzonderingsmogelijkheid op dit beleid.

Voorts heeft hij zich met de gemeenteraad op het standpunt gesteld dat de getrapte bebouwingsregeling dient ter beperking van de bebouwingsconcentratie en de uitbreidingsmogelijkheden van woningen met een inhoud kleiner dan of gelijk aan 300 m3.

2.11.2.    Appellant woont op het perceel [locatie], waar hij ook kantoor aan huis houdt. Hij heeft een groothandel in pompen en onderdelen daarvan. In een schuur op het perceel [locatie] vindt opslag van onderdelen van pompen plaats. De tweede schuur op dit perceel gebruikt appellant als werkplaats, waar hij kleine reparaties aan pompen uitvoert en hij onderdelen assembleert.

[locatie] maakt samen met het perceel [locatie] deel uit van het vlak met de bestemming "Woondoeleinden" en de nadere aanwijzing "2".

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor het wonen.

Blijkens het renvooi geeft de aanduiding "2" het aantal toegestane woningen aan.

   Het provinciale beleid, zoals verwoord in het streekplan is erop gericht in beginsel geen ruimte te bieden aan gebruiksvormen die functioneel niet aan het buitengebied zijn gebonden.

De Afdeling ziet geen aanleiding dit beleid in het algemeen onredelijk te achten.  

Niet in geschil is dat de opslag, reparatie, en assemblage van onderdelen van  pompen geen bedrijvigheden zijn die functioneel aan het buitengebied zijn gebonden en dat deze bedrijvigheden ook in strijd waren met de voorheen geldende bestemming. Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het toekennen van een bedrijfsbestemming aan het perceel [locatie] nieuwvestiging betreft, hetgeen in strijd is met het provinciale beleid.

Het beroep van appellant geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden. Daarbij  heeft de Afdeling betrokken dat verweerder in beginsel niet gebonden is aan het beleid van de gemeenteraad om bestaande bedrijven als zodanig te bestemmen.

2.11.3.    In de in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften opgenomen bouwvoorschriften, is bepaald dat indien de woning op het moment van terinzagelegging van het ontwerpplan kleiner dan of gelijk is aan 300 m3, de maximale inhoud 400 m3 bedraagt.

   Ter zake van het beslissen over de goedkeuring van een bestemmingsplan is het desbetreffende college van gedeputeerde staten bevoegd. De adviezen, noch de opmerkingen van de Provinciale Planologische Commissie binden verweerder. Overigens kan uit het feit dat de Provinciale Planologische Commissie in het kader van de totstandkoming van het bestemmingsplan geen uitlatingen heeft gedaan over een bebouwingsregeling voor andere woningen dan nood- en recreatiewoningen met een inhoud kleiner dan 300 m3, niet worden afgeleid dat verweerder de mening zou zijn toegedaan dat voor andere woningen niet een zelfde regeling mag worden opgenomen.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich in navolging van de gemeenteraad in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een grotere maximale inhoud dan 400 m3 voor woningen waarvan de inhoud ten tijde van de terinzagelegging kleiner dan of gelijk aan 300 m3 is, niet passend is. Daarbij heeft de Afdeling betrokken dat de bebouwingsregeling betrekking heeft op het buitengebied. Bovendien biedt het plan ten aanzien van de woningen met een inhoud kleiner dan of gelijk aan 300 m3 reeds de mogelijkheid de inhoud met minimaal 25% te vergroten.

   De woning op het perceel [locatie] heeft een inhoud van 285 m3 zodat ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften de woning mag worden vergroot tot 400 m3.

Ten aanzien van het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel, overweegt de Afdeling dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de gemeenteraad verwachtingen zijn gewekt dat de woning mocht worden vergroot tot een inhoud van 600 m3. Dat het ontwerp van het bestemmingsplan een dergelijke vergroting mogelijk maakte, maakt dit niet anders. Gezien de ontwerp-status van dat plan en de verplichting om de naar aanleiding van dit ontwerp ingekomen zienswijzen bij de uiteindelijke planvaststelling te betrekken kan een ontwerpplan geen verwachtingen wekken waaraan de gemeenteraad bij vaststelling van het plan is gehouden. Voor verweerder bestond derhalve geen aanleiding om op grond van het niet honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen door de gemeenteraad, goedkeuring aan het plan te onthouden.

Ten aanzien van de door appellant gemaakte vergelijking met andere eigenaren van woningen in het plangebied, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die situaties zodanig overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het plan.

2.11.4.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

2.12.    [appellant sub 2] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover in het plan voor zijn perceel aan de [locatie 1] geen bouwvlak is opgenomen, het perceel achter [locatie 2] de bestemming "Agrarische doeleinden" met de subbestemming "fruitteelt" heeft en het perceel aan de [locatie 3] de bestemming "Woondoeleinden" heeft.

Hij betoogt dat het niet toekennen van het bouwvlak in strijd is met het Koninklijke besluit van 6 november 1985.

Appellant stelt dat het perceel achter de [locatie 2] onvoldoende wordt onderhouden. Hij meent nadelige gevolgen te ondervinden, door overwaaiende zaden afkomstig van beplanting op dat perceel en door het daar aanwezige vervuilde asfaltpad.

Tevens heeft hij bezwaren tegen de woonbestemming voor het perceel aan de [locatie 3], omdat het volgens hem een burgerwoning in het buitengebied betreft.

2.12.1.    Verweerder heeft geen reden gezien deze plangedeelten in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd.

Hij heeft zich in navolging van de gemeenteraad op het standpunt gesteld dat op het perceel [locatie 1] geen agrarisch bedrijf is gevestigd. Verweerder is van mening dat ook het Koninklijk besluit van 6 november 1985 niet noopt tot de toekenning van een agrarisch bouwvlak voor dit perceel.

Het perceel achter de [locatie 2] is volgens hem overeenkomstig het huidige gebruik bestemd.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dit eveneens geldt voor de woning op het perceel [locatie 3].

2.12.2.    In het Koninklijk besluit van 6 november 1985 heeft de Kroon overwogen dat geen aanleiding bestaat om tegemoet te komen aan het bezwaar, dat ten onrechte geen agrarisch bouwperceel is opgenomen voor de gronden aan de [locatie 1]. Verder heeft de Kroon overwogen dat indien appellant beoogt op zijn gronden een volwaardig agrarisch bedrijf te stichten en hij op deze gronden een bouwperceel wenst, hij burgemeester en wethouders kan verzoeken gebruik te maken van een in het voorgaande plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid.

De Afdeling is van oordeel dat, anders dan appellant stelt, uit het Koninklijk besluit niet kan worden afgeleid dat in het plan ten onrechte geen bouwperceel voor de gronden van appellant is opgenomen.

Blijkens de stukken beoogt appellant op zijn perceel een paardenfokkerij te exploiteren. Hij beschikt daartoe over 7 paarden. Tot op heden heeft hij de paarden niet benut voor fokdoeleinden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich met de gemeenteraad op het standpunt kunnen stellen dat de activiteiten van appellant een hobbymatig karakter hebben. Daarbij heeft de Afdeling betrokken dat het perceel van appellant slechts een oppervlakte van 2,5 hectare heeft en de activiteiten slechts een geringe arbeidsbehoefte vereisen.  

Het gemeentelijke beleid is erop gericht aan de gronden van hobbyboeren een woonbestemming toe te kennen. Zij zullen gebruik moeten maken van de daarbij behorende (beperkte) bouwmogelijkheden. Verder vermeldt de plantoelichting dat het creëren van nieuwe bouwlocaties voor hobbyactiviteiten zeker niet aan de orde is.

Het opnemen van een nieuw bouwperceel voor de gronden van appellant is dan ook in strijd met het gemeentelijke beleid. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan aanleiding zou bestaan tot afwijking van het beleid, is niet gebleken.

2.12.3.    De gronden achter het perceel [locatie 2] hebben de bestemming "Agrarische doeleinden" met de subbestemming "fruitteelt".

In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften is bepaald dat gronden met de subbestemming "fruitteelt" zijn bestemd voor fruitteelt.

Op de gronden met de subbestemming "fruitteelt" staan fruitbomen.

De fruitbomen zijn in het plan derhalve als zodanig bestemd.

Blijkens de stukken vreest appellant dat tengevolge van de op het perceel aanwezige beplanting en het verontreinigd asfaltslijpsel dat is gebruikt voor de verharding van een pad zijn paarden worden vergiftigd en hij ook anderszins daarvan overlast zal ondervinden.

Aangaande het ontbreken van een regeling inzake onderhoud, onder andere bestaande uit de verwijdering van de beplanting, merkt de Afdeling op dat een dergelijke regeling moet worden aangemerkt als een gebodsbepaling. Een bestemmingsplan mag echter, gelet op artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, slechts verbods- en geen gebodsbepalingen bevatten.

Voorzover appellant stelt dat tegen het vervuilde asfaltpad handhavend dient te worden opgetreden, overweegt de Afdeling dat dit bezwaar in deze procedure niet aan de orde kan komen.

2.12.4.    De woning aan de [locatie 3] is gebouwd op basis van een bouwvergunning die op grond van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is verleend. Derhalve is planologisch gezien geen sprake van de toevoeging van een nieuwe burgerwoning aan het buitengebied en heeft verweerder in zoverre geen aanleiding hoeven te zien goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.12.5.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

2.13.     [appellante sub 4] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van twee buitenplaatsen op haar perceel aan de [locatie], alsmede aan de bestemming "Woonschepenligplaats" voor de nabij haar perceel gelegen gronden.

Zij voert hiertoe aan dat het plan ten onrechte geen inzicht geeft in de financiële en economische uitvoerbaarheid van de wijzigingsbevoegdheid. Tevens betwijfelt appellante of de - door haar ongewenste -  verkoop van haar perceel met de mogelijkheid daarop twee buitenplaatsen in te richten, voldoende zal opbrengen voor haar bedrijfsverplaatsing.

Voorts vreest appellante dat klachten van bewoners van de nabijgelegen woonschepen tot een beperking zullen leiden van de gebruiksmogelijkheden die zij op grond van de milieuvergunning heeft. Tevens stelt appellante dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de tussen appellante en de bewoners van deze woonschepen gesloten koopovereenkomst.

2.13.1.    De gemeenteraad heeft het bedrijf van appellante als zodanig bestemd. Evenwel acht hij de bedrijfsactiviteiten van appellante naar aard en omvang ter plaatse niet passend. De gemeenteraad heeft daarbij van belang geacht dat het perceel aanzienlijke landschappelijke en cultuurhistorische waarden heeft.

Vanwege de omvang en de bijzondere ligging van het perceel heeft de gemeenteraad voor het perceel van appellante een wijzigingsbevoegdheid voor twee buitenplaatsen opgenomen.

2.13.2.    Verweerder heeft geen reden gezien deze wijzigingsbevoegdheid en plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd.

Verweerder is van mening dat appellante haar bedrijf voorlopig ter plaatse kan voortzetten. Evenwel blijkt uit eerder overleg met appellante dat op termijn bedrijfsverplaatsing wordt nagestreefd, aldus verweerder. De financiële en economische haalbaarheid behoefde volgens verweerder gelet op het karakter van de wijzigingsbevoegdheid ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet volledig inzichtelijk te zijn.

Aangaande de woonschepen heeft verweerder van belang geacht dat het, met uitzondering van één ligplaats, ligplaatsen betreft die reeds jaren in gebruik zijn. De feitelijke situatie, die als uitgangspunt geldt bij de milieuvergunning, wijzigt derhalve niet, aldus verweerder.

2.13.3.    Het baggerbedrijf van appellante is gevestigd op het perceel [locatie]. Dit perceel heeft - voorzover hier van belang - de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden", de perceelsbestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de subbestemming "Ba",  en de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid buitenplaats ex. art. 11 WRO".

Ingevolge artikel 6, eerste lid, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Bedrijfsdoeleinden (B)" - onder verwijzing naar de staat van Bedrijfsactiviteiten- ter plaatse van de subbestemming "Ba" bestemd voor een aannemersbedrijf behorende tot categorie 3.

Ingevolge artikel 21, zevende lid, van de planvoorschriften voorzover hier van belang, kan deze perceelsbestemming met aanduiding worden gewijzigd in de perceelsbestemming "Buitenplaats" alsmede in de gebiedsbestemming "Gebied met cultuurhistorische, landschappelijke- en natuurwaarden".

Ingevolge het tweede gedachtestreepje van dit artikelonderdeel, zijn ter plaatse van het wijzigingsgebied gelegen aan de [locatie] maximaal twee buitens toelaatbaar.

   Niet in geschil is dat de huidige bedrijfsactiviteiten van appellante in het plan als zodanig zijn bestemd. Het plan staat dan ook niet aan voortzetting van de bedrijfsactiviteiten van appellante in de weg, noch dwingt het plan appellante tot verkoop van haar gronden.

Met de in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening opgenomen wijzigingsbevoegdheid wordt beoogd te voorzien in een mogelijkheid het plan op soepele wijze aan te passen aan zich wijzigende omstandigheden, die bij de totstandkoming nog niet bekend waren of konden zijn. Dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een nauwkeurig inzicht in de financieel-economische uitvoerbaarheid van de mogelijke wijzigingen ontbrak staat derhalve, anders dan appellante stelt, niet aan het opnemen van deze wijzigingsbevoegdheid in de weg.

Het bezwaar van appellante dat de gronden met de - met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid - te verwezenlijken bestemming bij verkoop onvoldoende zullen opbrengen om het bedrijf te verplaatsen kan eerst aan de orde komen in de procedure inzake wijziging van de bestemming.  

2.13.4.    Voorzover appellante heeft aangevoerd dat de bestemming "Woonschepenligplaats" voor de nabij haar perceel gelegen gronden een aantasting van haar opgebouwde rechten met zich brengt, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt. De tussen appellante en een aantal van de bewoners van de woonschepen gesloten overeenkomst vormt geen zodanige omstandigheid.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 4 juni 1999, no. E03.98.0770 (JB 1999/168), geldt de feitelijke situatie in beginsel als uitgangspunt voor de beoordeling van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting liggen op de gronden in de nabijheid van het perceel van appellante reeds jaren woonschepen en er zijn geen redenen om te verwachten dat het gebruik daarvan binnen de planperiode zal worden beëindigd. Het plan brengt in zoverre geen wijziging met zich mee.

Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat het als zodanig bestemmen van de ligplaatsen ten behoeve van woonschepen geen nieuwe beperking van de bedrijfsvoering van appellante met zich brengt.

2.13.5.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellante sub 4] is ongegrond.

2.14.    Verder voert de GLTO aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 16 van de planvoorschriften.

Appellante stelt dat het plan minder mogelijkheden biedt voor het agrarische gebruik van de gronden dan het streekplan, voorzover deze op gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" het gebruik voor akkerbouw en vollegrondstuinbouwteelten niet mogelijk maakt en geen fruitpercelen met een groter maximumoppervlak dan 1 hectare per bedrijf toestaat.

Tevens is volgens appellante ten onrechte de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" en de subbestemming "deelgebied met historische waarden" toegekend aan de stroomruggen. Zij stelt dat gelet op de toegekende bestemmingen aan stroomruggen elders in de provincie de bestemming "Agrarische doeleinden" in de rede ligt, zodat multifunctioneel gebruik van de stroomruggen mogelijk wordt.

2.14.1.    De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat ter plaatse van de deelgebieden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" veeteelt de grootste potentie heeft en past bij de landschappelijke kwaliteiten van het gebied.

De gemeenteraad heeft aan de stroomruggen de bestemming "Alc" toegekend met het oog op de cultuurhistorische waarden ter plaatse.

2.14.2.    Verweerder heeft geen reden gezien het genoemde voorschrift en de genoemde plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. De bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" is volgens verweerder niet onnodig beperkend. Hij heeft daarbij van belang geacht dat gronden met deze bestemming waardevol zijn vanwege de openheid van het veenweidegebied. Zowel sier- en fruitteelt, als akkerbouw kunnen leiden tot een ernstige aantasting van deze openheid. Bovendien kan de uitbreiding van fruitteeltbedrijven in de weg staan aan de ontwikkeling van de rundveebedrijven, aldus verweerder.

Hij stelt in navolging van de gemeenteraad dat de bestemming "Agrarische doeleinden" geen recht doet aan de landschappelijke en cultuurhistorische waarde van de stroomruggen.

2.14.3.    Het provinciale beleid is blijkens het streekplan zoals nader verwoord in de Handleiding gericht op duurzame instandhouding, herstel en ontwikkeling van natuurlijke en landschappelijke waarden. Deze doelstelling wordt onder meer nagestreefd door een zonering in het landelijk gebied.

Zoals reeds overwogen onder 2.5.5. is het buitengebied van Loenen voorzover gelegen ten zuiden van de provinciale weg N201 in het streekplan aangeduid als "Landelijk gebied 2". Het gedeelte van het plangebied ten noorden van deze weg is in het streekplan aangeduid als "Landelijk gebied 3".

Een gebied dat in het streekplan als "Landelijk gebied 2" is aangeduid kan, volgens het streekplan worden gekarakteriseerd als landelijk gebied met intensief landbouwkundig gebruik. Volgens het streekplan gelden daarbij onder meer de volgende accenten: agrarisch gebied met zowel grondgebonden landbouw als concentraties van niet-grond-gebonden veehouderij, fruitteelt en tuinbouwcomplexen.

Een gebied dat in het streekplan als "Landelijk gebied 3" is aangeduid, kan volgens het streekplan worden gekarakteriseerd als landelijk gebied met primair grondgebonden landbouw en plaatselijk enige natuurwaarden.

   Het plangebied heeft grotendeels de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" gedeeltelijk met de nadere aanduiding "c" "deelgebied met cultuurhistorische waarden".

Ingevolge artikel 16 van de planvoorschriften is het gebied aangewezen als "Agrarisch gebied met landschapswaarden (Al)" bestemd voor de optimale ontwikkeling van grondgebonden veehouderijbedrijven in open veenweidegebied. Het deelgebied met cultuurhistorische waarden (Alc) is bestemd voor: behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden, zoals omschreven in de beschrijving in hoofdlijnen.

In artikel 16, tweede voorschrift bij tabel 1, van de planvoorschriften voorzover hier van belang, is bepaald dat fruitteelt uitsluitend is toegestaan ter plaatse van het deelgebied met cultuurhistorische waarden (Alc).

In artikel 16, derde voorschrift bij tabel 1, van de planvoorschriften voorzover hier van belang, is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het tweede voorschrift, mits de fruitpercelen alleen aansluitend aan bestaande fruitpercelen worden gerealiseerd met een maximumoppervlak van 1 ha. per bedrijf.

Derhalve is op gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" slechts grondgebonden veehouderij toegestaan. Door middel van vrijstelling zijn ook fruitpercelen met een maximale omvang van 1 hectare toegestaan. In het deelgebied met cultuurhistorische waarde is fruitteelt bij recht toegestaan.

   Volgens artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften wordt het veenweidegebied (Al-gebied) gekenmerkt door openheid en grootschaligheid, graslandkarakter, opstrekkend verkavelings- en slotenpatroon en relatief hoge grondwaterstanden.

Met uitzondering van hetgeen hierna onder 2.14.5 ten aanzien van de stroomruggen met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden, deelgebied met cultuurhistorische waarden" wordt overwogen, heeft verweerder met het standpunt van de gemeenteraad kunnen instemmen dat het plan wat betreft de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" de agrarische gebruiksmogelijkheden van de gronden niet onevenredig inperkt ten opzichte van het streekplan. Daarbij heeft de Afdeling betrokken dat verweerder ter zitting heeft gesteld dat vanwege de buitenplaatsen ten zuiden van de N201 de aanduiding "Landelijk gebied 2" ter plaatse nuancering behoeft. Verder is ter zitting gesteld en onweersproken gebleven dat de gronden gelet op de grondsoort en de waterhuishouding ter plaatse nauwelijks geschikt zijn voor de meeste vormen van akkerbouw en vollegrondstuinbouwteelten.

2.14.4.    Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd is van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen.

Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 3 juni 1996, nr. H01.95.0265 (BR 1996, 897), heeft overwogen, wordt blijkens de wetsgeschiedenis met dit artikel beoogd het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid te geven op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt kunnen stellen dat een vrijstelling ten behoeve van de uitbreiding van een bestaand fruitperceel met 3 hectare, zoals appellante wenst, niet kan worden aangemerkt als een ondergeschikte afwijking van het plan.

2.14.5.    Blijkens de plankaart hebben de stroomruggronden in het plangebied grotendeels de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden, deelgebied met cultuurhistorische waarden".

Ingevolge artikel 16 van de planvoorschriften is het gebied op de kaart aangewezen met deze bestemming bestemd voor behoud en herstel van de cultuurhistorische waarde, zoals omschreven in de beschrijving in hoofdlijnen (artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften).

Ingevolge Tabel 1 is akkerbouw niet toelaatbaar op gronden met deze bestemming.

Evenwel vermeldt de plantoelichting dat de gronden binnen het plangebied wat betreft hun aard nauwelijks geschikt zijn voor andere teelten dan gras met uitzondering van de gronden op de stroomruggen, die beter zijn ontwaterd, waardoor meer mogelijkheden voor onder meer akkerbouw bestaan.

Uit de stukken blijkt niet dat verweerder dit bij de voorbereiding van zijn besluit tot goedkeuring van de genoemde plandelen heeft betrokken. Verweerder heeft derhalve bij de voorbereiding van het bestreden besluit op dit punt niet de nodige kennis vergaard omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van de GLTO is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.15.    Verder stelt de GLTO dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover het te beperkte mogelijkheden voor de bedrijfsontwikkeling van intensieve veehouderijen biedt. Zij betoogt dat het verbieden van intensieve veehouderij als hoofdtak onnodig beperkend is. Ook het voorschrift inzake de maximale productieomvang van de intensieve veehouderij als neventak acht zij te beperkend.

2.15.1.     De gemeenteraad is van mening dat de intensieve veehouderij, in tegenstelling tot grondgebonden veehouderij, niet bijdraagt aan de instandhouding van het open veenweidelandschap, noch anderszins aan de instandhouding van de ter plaatse aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden van het gebied. Voorts brengt de intensieve veehouderij volgens de gemeenteraad een verdere verstening van het buitengebied met zich. Hij acht ruimere ontwikkelingsmogelijkheden voor de intensieve veehouderij dan ook niet passend.

2.15.2.    Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan in zoverre goedgekeurd.

Hij sluit zich aan bij het standpunt van de gemeenteraad en wijst erop dat intensieve veehouderij als neventak is toegestaan.

2.15.3.    In artikel 1, zestiende lid, van de planvoorschriften is bepaald dat een intensieve veehouderij bij wijze van neventak een intensieve veehouderij is waarbij de productieomvang in ondergeschikte mate (minder dan de helft) onderdeel uitmaakt van het grondgebonden agrarisch bedrijf met dien verstande dat de omvang van de intensieve veehouderij niet meer dan 70% van de minimale omvang van een zelfstandig volwaardig bedrijf in de desbetreffende bedrijfstak van de intensieve veehouderij mag bedragen.

Ingevolge artikel 2, vierde lid, onder e, van de planvoorschriften zijn op gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden" gebouwen ten behoeve van intensieve veehouderij ter plaatse van de subbestemming "Av/iv" met een maximale oppervlaktemaat van 2100 m2 toegestaan.

Ingevolge artikel 16, zevende voorschrift behorende bij tabel 1, van het plan is op gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" een intensieve veehouderij alleen toelaatbaar binnen de bouwsteden en bouwvlakken.

Ingevolge het achtste voorschrift bij deze tabel bedraagt de vloeroppervlakte ten behoeve van intensieve veehouderij bij wijze van neventak in geen geval meer dan 1000 m2.

Ingevolge het negende voorschrift bij deze tabel kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen ten behoeve van intensieve veehouderij bij wijze van neventak tot een vloeroppervlak van maximaal 1500 m2.

In artikel 17, tweede, derde en vierde voorschrift behorende bij tabel 2 van het plan is eenzelfde regeling opgenomen voor intensieve veehouderij bij wijze van neventak voor de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met verweving van landschaps- en natuurwaarden".

Ingevolge artikel 16, tiende voorschrift behorende bij tabel 1 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd - met toepassing van artikel 11 van de WRO - het bouwvlak of bouwstede van volwaardige agrarische bedrijven te wijzigen in een bouwvlak met de subbestemming "Aiv" ten behoeve van omschakeling naar intensieve veehouderij als hoofdtak.

   Ten aanzien van het bezwaar van appellante inzake artikel 1, zestiende lid, van de planvoorschriften, overweegt de Afdeling dat genoemd voorschrift ten doel heeft te waarborgen dat de intensieve veehouderij een neventak blijft van het grondgebonden agrarisch bedrijf en niet verwordt tot hoofdtak.

De stelling van appellante dat het plan zonder meer intensieve veeteelt als hoofdtak niet toestaat mist gelet op artikel 16, tiende voorschrift behorende bij tabel 1 feitelijke grondslag.

Voorzover het beroep van appellante aldus moet worden verstaan dat het plan nieuwvestiging van een intensieve veehouderij als hoofdtak niet toestaat overweegt de Afdeling dat de gemeenteraad het provinciale beleid in zijn belangenafweging dient te betrekken, hetgeen niet wegneemt dat zich omstandigheden kunnen voordoen op grond waarvan gemotiveerd kan en onder omstandigheden moet worden afgeweken van dit beleid.

Blijkens de stukken is het gemeentelijke beleid erop gericht met name de ontwikkeling van grondgebonden veehouderij na te streven, aangezien deze vorm van veehouderij bijdraagt aan de instandhouding van het open veenweidegebied, dit in tegenstelling tot de intensieve veehouderij die verdere verstening van het buitengebied met zich brengt.

De Afdeling ziet geen aanleiding dit beleid - waarmee verweerder heeft ingestemd - onredelijk te achten.

Appellante heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het plan in zoverre ernstige beperkingen voor agrariërs met zich brengt.

   Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante in zoverre heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van de GLTO is in zoverre ongegrond.

2.16.    Voorts stelt de GLTO in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming "Agrarisch gebied met verweving van landbouw en landschaps- en natuurwaarden" voor de polder Mijnden. Zij voert hiertoe aan dat onvoldoende inzichtelijk is op welke wijze verweerder en de gemeenteraad de ecologische waarden van het plangebied hebben geïnventariseerd en gewaardeerd. Verder betoogt appellante dat de natuurwaarden in het gebied beperkt zijn.

2.16.1.    Vanwege de aanwezige ecologische waarden heeft de gemeenteraad aan de gronden in de Polder Mijnden de bestemming "Agrarisch gebied met verweving van landbouw en landschaps- en natuurwaarden" toegekend.

2.16.2.    Verweerder heeft dit plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Uit het streekplan blijkt volgens verweerder dat waardevolle vogels en vegetatie in de polder Mijnden voorkomen. Tevens wijst hij erop dat in het "Natuurgebiedsplan Vecht en Plassengebied" wordt bevestigd dat in de polder Mijnden waardevolle vogels en vegetatie voorkomen.

Anderzijds brengt de toegekende bestemming geen onevenredige beperking voor de landbouw met zich, aldus verweerder.

2.16.3.    De polder Mijnden heeft in het plan de bestemming "Agrarisch gebied met verweving van landbouw en landschaps- en natuurwaarden".

In artikel 17, van de planvoorschriften voorzover hier van belang is bepaald dat gronden met deze bestemming zijn bestemd voor grondgebonden veehouderijbedrijven in combinatie met behoud en herstel van de bij het karakter van het gebied behorende landschaps- en natuurwaarden in open veenweidegebied met inachtneming van:

-de in dat gebied voorkomende dan wel daaraan grenzende landschapswaarden in de vorm van de opstrekkende verkaveling, het graslandkarakter, de openheid en de relatie met de stroomruggen en de buitendijkse gronden;

- de in dat gebied voorkomende natuurwaarden in de vorm van water/oevers met natuurwaarden

-de in dat gebied voorkomende cultuurhistorische waarden in de vorm van monumenten en beschermenswaardige panden.

   De zogenoemde provinciale ecodatabank bevat alle provinciale ecologische gegevens. Blijkens het verhandelde ter zitting heeft een ieder toegang tot deze databank. Uit de stukken waaronder de plantoelichting blijkt dat de milieugroep Abcoude/Baambrugge globale veldverkenningen heeft verricht naar de in het plangebied aanwezige waarden. De gemeenteraad heeft de resultaten van de veldverkenningen in samenhang bezien met gegevens afkomstig van de provincie Utrecht en op grond daarvan de actuele en potentiële waarden van het plangebied beoordeeld. De plantoelichting vermeldt welke aspecten een rol hebben gespeeld bij deze waardering van de ecologische waarden.

Derhalve kan de Afdeling appellante niet volgen in haar standpunt dat de wijze van inventariseren en waarderen van de natuurwaarden onvoldoende inzichtelijk is.

   De polder Mijnden is in het streekplan grotendeels aangeduid als "Landelijk gebied 4".

Een gebied dat zo is aangeduid, kan volgens het streekplan worden gekarakteriseerd als landelijk gebied met verweven natuurwaarden en grondgebruik. Het gaat dan om een gebied met aanmerkelijke natuurwaarden.

In het "Beleidsplan Natuur en Landschap van de provincie Utrecht (1992)" van 18 maart 1992, is het oostelijke gedeelte van de polder Mijnden aangemerkt als weidevogelgebied. Verder vermeldt het "Natuurgebiedsplan Vecht en Plassengebied" dat het gehele reservaatsgebied in de polder Mijnden in het natuurgebiedsplan dient te worden opgenomen als nieuw natuurgebied. Daarbij wordt gewezen op de aanwezige weidevogels en de bijzondere sloot- en oevervegetaties.

De plantoelichting bevestigt dat de polder Mijnden van belang is voor weidevogels en doortrekkende en overwinterende vogels. Tevens is volgens de plantoelichting de soortenrijkdom van grasland het grootst op de meest vochtige en minst intensief gebruikte percelen zoals in delen van de polder Mijnden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze gegevens onjuist zijn. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat de genoemde bestemming recht doet aan de ter plaatse aanwezige waarden.

   Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante in zoverre heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van de GLTO is in zoverre ongegrond.

2.17.    Verder stelt de GLTO dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 22 van de planvoorschriften, voorzover daarin wordt uitgegaan van een teeltvrije zone van 1,50 meter voor ruwvoederteelt. Zij betoogt voorts dat ten onrechte op de veehouder de bewijslast rust indien een kleinere teeltvrije zone in de rede ligt. Tevens kan appellante zich er niet mee verenigen dat ruwvoederteelt slechts mogelijk is voor eigen gebruik, omdat zij onbeperkte mogelijkheden voor ruwvoederteelt wenst.

2.17.1.    De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan niet verplicht tot het aanhouden van een teeltvrije zone.

2.17.2.    Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan voorzover hier van belang goedgekeurd. Aangaande ruwvoederteelt stelt verweerder dat dit in het plangebied grotendeels rechtstreeks is toegestaan. Het plan verplicht bovendien niet tot het aanhouden van een teeltvrije zone, aldus verweerder. Hij is van mening dat ruwvoederteelt ten behoeve van derden afbreuk kan doen aan het karakter van het plangebied.

2.17.3.    In artikel 22, eerste lid, van de planvoorschriften voorzover hier van belang, is bepaald dat in relatie met de bestemmingen op gebiedsniveau, het op de betreffende gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) verboden is de in tabel 6 aangegeven werken of werkzaamheden aan te leggen of uit te voeren.

Tabel 6, letter d, van de planvoorschriften in samenhang bezien met de daarin aangegeven zwarte bolletjes en het daarbij behorende, verklarende onderschrift, vermeldt dat het scheuren van grasland ten behoeve van de teelt van ruwvoedergewassen ter voorziening in de eigen behoefte ingevolge artikel 43, vijfde lid, van de planvoorschriften hoe dan ook is verboden op gronden met de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" ter plaatse van de bestemming "Natuur- en landschapsdoeleinden" alsmede binnen een afstand van 4 meter daarvandaan.

Voor gronden met de genoemde gebiedsbestemming ter plaatse van beschermde archeologische monumenten en archeologisch waardevolle terreinen, alsmede ter plaatse van de aanduiding "Buitendijkse gronden" geldt een aanlegvergunningstelsel voor het scheuren van grasland. Op alle overige gronden met de genoemde gebiedsbestemming is het scheuren van grasland ten behoeve van de teelt van ruwvoedergewassen ter voorziening in meer dan de eigen behoefte rechtstreeks toegestaan.

De tabel vermeldt dat voor de gronden met de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met verweving van landbouw en landschaps- en natuurwaarden" die tevens de bestemming "natuur- en landschapsdoeleinden" hebben alsmede de gronden die op een afstand van 4 meter daar vandaan liggen en op gronden die zijn aangeduid als "buitendijkse gronden" ingevolge artikel 43, vijfde lid, van de planvoorschriften een algeheel verbod geldt voor het scheuren van grasland. Voor de overige gronden met deze gebiedsbestemming geldt een aanlegvergunningstelsel.

Ook voor gronden met de gebiedsbestemmingen "Gebied met natuur- en landschapswaarden met agrarisch medegebruik" en "Gebied met cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden" vermeldt de tabel dat ingevolge artikel 43, vijfde lid, van de planvoorschriften een algeheel verbod geldt voor het scheuren van grasland.

In artikel 43, vijfde lid, van de planvoorschriften, is - zoals vermeld in tabel 6 - voor bepaalde gebieden een gebruiksverbod opgenomen voor het scheuren van grasland ten behoeve van de ruwvoedergewassen (anders dan gras) ter voorziening in de eigen behoefte.

In artikel 22, derde lid, van de planvoorschriften is bepaald dat een aanlegvergunning kan worden verleend indien kan worden aangetoond dat de betrokken waarden niet onevenredig worden geschaad.

In artikel 22, vierde lid, van de planvoorschriften -voorzover hier van belang- is bepaald dat van onevenredige schade wat betreft natuurwaarden in ieder geval geen sprake is indien bij het scheuren van grasland ten behoeve van de teelt van ruwvoedergewassen ter voorziening in de eigen behoefte een teeltvrije zone wordt aangehouden met een breedte van ten minste 1,50 meter vanaf de slootkant.

   Het plangebied heeft grotendeels de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" zonder een nadere bestemming dan wel aanduiding, zodat het scheuren van grasland daar noch verboden, noch aanlegvergunningplichtig is. In het plangebied is het scheuren van grasland ten behoeve van ruwvoederteelt ter voorziening in de eigen behoefte dan ook grotendeels bij recht toegestaan.

   Verder volgt uit artikel 22, vierde lid, van de planvoorschriften slechts dat indien een teeltvrije zone van 1,50 meter wordt aangehouden en sprake is van teelt voor de eigen behoefte een aanlegvergunning zal worden verleend. In afwijking van hetgeen appellante stelt verplicht het plan derhalve niet tot het aanhouden van een teeltvrije zone.

Gesteld, noch is de Afdeling gebleken dat het aanlegvergunningstelsel niet noodzakelijk is ter bescherming van de toegekende te verwerkelijken

bestemming. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het aanlegvergunningstelsel op dit punt leidt tot een onevenredige beperking van de bedrijfsvoering van de agrariërs. De door appellante gestelde bewijslastverdeling dan wel de eventuele legeskosten van het aanvragen van de aanlegvergunning maken dit niet anders.

2.17.4.    Zoals overwogen onder 2.17.3. is in artikel 22, eerste lid, van de planvoorschriften voorzover hier van belang, bepaald dat in relatie met de bestemmingen op gebiedsniveau, het op de betreffende gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) verboden is de in tabel 6 aangegeven werken of werkzaamheden aan te leggen of uit te voeren.

In tabel 6, onder e, is het scheuren van grasland ten behoeve van de teelt van ruwvoedergewassen (anders dan gras) ter voorziening in meer dan de eigen behoefte als werkzaamheid vermeld.

Voor deze werkzaamheid is voor gronden met de bestemmingen "Agrarisch gebied met landschapswaarden", "Agrarisch gebied met verweving van landbouw en landschaps- en natuurwaarden", "Gebied met natuur- en landschapswaarden met agrarisch medegebruik" en "Gebied met cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden" in de tabel een zwart bolletje opgenomen.

Blijkens het bij dit bolletje behorende onderschrift zijn werkzaamheden die op deze wijze zijn aangeduid hoe dan ook (op bepaalde locaties) verboden ingevolge de bijzondere gebruiksvoorschriften (artikel 43, vijfde lid, van de planvoorschriften).

Artikel 43, vijfde lid, van de planvoorschriften bevat echter geen gebruiksverbod voor het scheuren van grasland ten behoeve van de teelt van ruwvoedergewassen (anders dan gras) ter voorziening in meer dan de eigen behoefte.

Dit neemt niet weg dat voor deze werkzaamheden ingevolge artikel 22, eerste lid, in samenhang bezien met tabel 6 van de planvoorschriften een aanlegvergunningenstelsel geldt. Gesteld, noch is de Afdeling gebleken dat het aanlegvergunningstelsel niet noodzakelijk is ter bescherming van de toegekende te verwerkelijken bestemmingen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het aanlegvergunningstelsel op dit punt leidt tot een onevenredige beperking van de bedrijfsvoering van de agrariërs.

2.17.5.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante in zoverre heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van de GLTO is in zoverre ongegrond.

2.18.    Voorts stelt de GLTO in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan het in artikel 22 van de planvoorschriften opgenomen aanlegvergunningenstelsel heeft verleend, voorzover de agrariërs voordat zij een sloot dempen moeten aantonen dat er geen waardevolle sloot- en oevervegetatie aanwezig is en voorzover de aanleg van dammen niet rechtstreeks toelaatbaar is.

2.18.1.    Voor het dempen van sloten heeft de gemeenteraad een aanlegvergunningvereiste opgenomen, omdat moeilijk is te overzien welke waardevolle vegetaties in de toekomst in de sloten en langs slootkanten zullen voorkomen.

Volgens hem is de aanleg van dammen in het plangebied grotendeels rechtstreeks toelaatbaar. Een aanlegvergunning is uitsluitend vereist op gronden waar de aanleg van dammen schade kan aanrichten aan natuur-, cultuurhistorische en archeologische waarden, zodat een nadere afweging is vereist.

2.18.2.    Verweerder heeft geen reden gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd.

Hij heeft ingestemd met het standpunt van de gemeenteraad.

2.18.3.    Wat betreft het aan de agrarische gebiedsbestemmingen verbonden aanlegvergunningstelsel overweegt de Afdeling als volgt.

Ingevolge artikel 14, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het verboden is binnen een bij het plan aan te geven gebied bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), voorzover zulks noodzakelijk is om te voorkomen, dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming en voorzover zulks noodzakelijk is ter handhaving en ter bescherming van een verwerkelijkte bestemming.

   Ingevolge tabel 6, onder a, en noot 2 behorende bij artikel 22 van de planvoorschriften bestaat geen aanlegvergunningplicht voor het dempen van sloten in de lengterichting van kavels voor gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" indien en voorzover dit noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. Dit tenzij het gaat om een gebied met de perceelsbestemming "Natuur en landschapsdoeleinden", inclusief een zone van 4 meter daaromheen (voor deze gronden geldt een algeheel verbod) of om beschermde archeologische monumenten, archeologisch waardevolle terreinen of buitendijkse gronden (voor deze gronden geldt het vereiste van een aanlegvergunning).

Volgens deze tabel, is in gebieden met de bestemming "Gebied met natuur- en landschapswaarden met agrarisch medegebruik" het dempen van sloten in de lengterichting van de kavels hoe dan ook verboden, evenals in gebieden met de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met verweving van landbouw en landschaps- en natuurwaarden" ter plaatse van de bestemming "Natuur- en landschapsdoeleinden", alsmede binnen een afstand van 4 meter daarvandaan.

Uit de tabel volgt dat voor deze werkzaamheden op de overige agrarische gronden een aanlegvergunningplicht geldt.

   De gronden in het plangebied hebben grotendeels de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden"  zonder de perceelsbestemming "Natuur en landschapsdoeleinden", zonder dat deze zijn gelegen in een zone van 4 meter daaromheen en zonder dat het beschermde archeologische monumenten, archeologisch waardevolle terreinen of buitendijkse gronden betreft. Derhalve geldt in het grootste deel van het plangebied geen aanlegvergunningvereiste voor het dempen van sloten indien dit noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering. Niet in geschil is dat op gronden waarvoor voor deze werkzaamheid een aanlegvergunningvereiste geldt mogelijk waardevolle sloot- of oevervegetaties voorkomen. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen dat een aanlegvergunningvereiste voor die gronden niet kan bijdragen aan de bescherming van de aan de gronden gegeven bestemming en dus niet noodzakelijk is. Voorts is niet aannemelijk dat dit aanlegvergunningvereiste tot een onevenredige belemmering van de agrarische bedrijfsvoering zal leiden. Dat de aanvrager van de aanlegvergunning dient aan te tonen dat er geen waardevolle sloot- en oevervegetatie aanwezig is, maakt dit niet anders. Evenmin maakt dit dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.

2.18.4.    Ingevolge tabel 6, onder b, behorende bij artikel 22 van de planvoorschriften, is het aanleggen van dammen uitsluitend vergunningplichtig ter plaatse van buitendijkse gronden, ter plaatse van archeologische monumenten en archeologisch waardevolle terreinen en in gebieden met de bestemming "Gebied met natuur- en landschapswaarden met agrarisch medegebruik".

Niet in geschil is dat de aanleg van dammen in het plangebied grotendeels rechtstreeks is toegestaan en dat de gronden waarvoor een aanlegvergunningstelsel geldt, gebieden met bijzondere waarden betreffen.

De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen dat een aanlegvergunningvereiste voor die gronden niet kan bijdragen aan de bescherming van de aan de gronden gegeven bestemming en dus niet noodzakelijk is. Voorts is niet aannemelijk dat dit aanlegvergunningvereiste tot een onevenredige belemmering van de agrarische bedrijfsvoering zal leiden.

2.18.5.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante in zoverre heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van de GLTO is in zoverre ongegrond.

2.19.    De GLTO betoogt dat verweerder ten onrechte het plan heeft goedgekeurd, voorzover het kleinschalige natuurontwikkeling op agrarische gronden mogelijk maakt. Zij voert hiertoe aan dat natuurontwikkeling ten koste gaat van de voor de land- en tuinbouw beschikbare gronden en tevens leidt tot aantasting van belangrijke waarden.

2.19.1.    De gemeenteraad acht het van belang dat de natuurwaarden in het plangebied worden beschermd, derhalve staat het plan bij recht niet in de weg aan kleinschalige natuurontwikkeling, tenzij ter plaatse sprake is van bijzondere archeologische waarden.

2.19.2.    Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Verweerder stelt dat het toestaan en stimuleren van kleinschalige natuur in overeenstemming is met het provinciale beleid.

2.19.3.    Het plangebied ligt buiten de ecologische hoofdstructuur. Het provinciale beleid voor nieuwe natuurgebieden buiten de ecologische hoofdstructuur is verwoord in de provinciale notitie "Witte gebieden" van

11 september 1996. Het provinciale beleid is erop gericht behoud en vernieuwing van de natuur- en landschapswaarden in de "Witte gebieden" te bewerkstelligen. Daarbij speelt de ontwikkeling van natuur- en landschap op het agrarisch bedrijf en bij andere particuliere grondgebruikers een rol.

Ingevolge artikel 22, tabel 6, onder n, van de planvoorschriften is kleinschalige natuurontwikkeling op agrarische gronden zonder meer toelaatbaar, met uitzondering van gronden met de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" dan wel met de gebiedsbestemming "Gebied met cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden" ter plaatse van archeologisch waardevolle monumenten en archeologisch waardevolle terreinen.

Ingevolge artikel 1, onder 39, van de planvoorschriften wordt in het plan onder kleinschalige natuurontwikkeling verstaan de kleinschalige aanleg van natuurlijke beplanting, poelen, terrasoevers en dergelijke, anders dan bij wijze van inrichting van particuliere tuinen/terreinen bij woningen en andere niet-agrarische functies.

   Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan niet in strijd is met het provinciale beleid. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plan leidt tot een ernstige beperking van de bedrijfsvoering van agrariërs. Het beroep van appellante geeft ook anderszins geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden.

   De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet strijdt met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante in zoverre heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van de GLTO is in zoverre ongegrond.

2.20.    Ten slotte stelt de GLTO dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de wijzigingsbevoegdheden ten behoeve van natuur- en landschapsdoeleinden voor agrarische gronden. Zij betwist dat de natuurgebieden binnen de planperiode zullen worden verwezenlijkt, zodat deze wijzigingsbevoegdheid in strijd is met het "Beleidsplan Natuur en Landschap van de provincie Utrecht (1992)".

2.20.1.    De gemeenteraad heeft aan de wijzigingsbevoegdheden een tweetal voorwaarden verbonden om recht te doen aan de agrarische belangen.

2.20.2.    Verweerder heeft deze wijzigingsbevoegdheden niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Gelet op de wijzigingsvoorwaarden acht verweerder voldoende verzekerd dat de belangen van agrariërs niet onevenredig zullen worden aangetast.

2.20.3.    Ingevolge artikel 16, zestiende lid, van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarische doeleinden" te wijzigen in zowel de perceelsbestemming "Natuur- en landschapsdoeleinden" als in de gebiedsbestemming "Gebied met natuur- en landschapswaarden met agrarisch medegebruik" ten behoeve van het realiseren en beheren van natuurgebieden en ecologische verbindingszones met in achtneming van het volgende:

-een besluit tot wijziging wordt niet eerder genomen dan nadat daarom door de eigenaar en grondgebruiker wordt verzocht;

-de agrarische structuur mag door de natuurontwikkeling niet onevenredig worden aangetast.

Ingevolge artikel 17, achtste lid, van de planvoorschriften is aan het college van burgemeester en wethouders een soortgelijke wijzigingsbevoegdheid toegekend voor het wijzigen van de bestemming "Agrarisch gebied met verweving van landbouw en landschaps- en natuurwaarden" ten behoeve van de ecologische verbindingszones.

   Volgens het "Beleidsplan natuur en landschap van de provincie Utrecht (1992)", kan in een bestemmingsplan, anders dan appellante stelt, een wijzigingsbevoegdheid worden opgenomen indien onzeker is of de nieuwe bestemming binnen de planperiode zal worden verwezenlijkt. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat niet alle gronden waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in het Natuurgebiedsplan Vecht en Plassengebied zijn aangewezen voor nieuwe natuur niet maakt dat toepassing van de wijzigingsbevoegdheid illusoir is. Ook anderszins heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat binnen de planperiode geen toepassing zal kunnen worden gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid. Overigens merkt de Afdeling op dat voor het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid niet vereist is dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit aannemelijk is dat deze bevoegdheid binnen de planperiode zal worden toegepast.

Verweerder heeft in zoverre geen aanleiding behoeven te zien om goedkeuring aan de wijzigingsbevoegdheden te onthouden.

   Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen de GLTO in zoverre heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van de GLTO is in zoverre ongegrond.

2.21.    [appellant sub 7] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming "Natuur- en landschapsdoeleinden" met de subbestemming "Water en oevers met natuurwaarden", voor zijn woonschepenligplaats. Hij voert hiertoe aan dat de ligplaats van zijn woonschip ten onrechte niet als zodanig is bestemd.

Verder volgt volgens appellant uit de Koninklijke besluiten van 2 april 1985 en 6 november 1985 dat de ligplaatsen ten behoeve van woonschepen, waaronder ook de onderhavige ligplaats, als zodanig dienen te worden bestemd.

Hij stelt tevens dat de ligging van het schip ter plaatse door zowel de gemeenteraad als verweerder is aanvaard, aangezien het schip daar sinds 1968 aanwezig is en daartegen niet handhavend is opgetreden. Verder wijst hij op een tweetal brieven waaruit volgens hem blijkt dat geen bezwaar bestaat tegen de ligplaats op deze gronden. Verder betoogt appellant dat het schip ten onrechte is aangemerkt als weekendschip.

2.21.1.    De gemeenteraad heeft vanwege de aanwezige natuurwaarden aan deze gronden de bestemming "Natuur- en Landschapsdoeleinden (NL)" met de subbestemming "Water en oevers met natuurwaarden" toegekend. Een weekendschip ter plaatse acht de gemeenteraad gelet op deze waarden niet wenselijk.

2.21.2.    Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit plandeel goedgekeurd.  

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het als zodanig bestemmen van de ligplaats van het pleziervaartuig van appellant in strijd is met het provinciale beleid. Hij wijst daarbij op de grote natuur-, landschappelijke en visuele belevingswaarden van het gebied.

Voorts betwist verweerder dat sprake is van een schip. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen de deplorabele staat van het vaartuig en het ontbreken van een ontheffing op grond van de provinciale Woonschepenverordening.

2.21.3.    Gelet op hetgeen de Afdeling heeft overwogen in rechtsoverweging 2.5.3. kan in de Koninklijke besluiten van 2 april 1985 en 6 november 1985 geen grond worden gevonden voor het standpunt dat alle ligplaatsen voor woonboten zonder meer positief dienen te worden bestemd.

Ten aanzien van de stelling van appellant dat gelet op het reeds bestaande gebruik de gronden dienen te worden bestemd als "Woonschepenligplaats" overweegt de Afdeling als volgt.

In de in artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften opgenomen doeleindenomschrijving is bepaald dat de gronden op de kaart aangewezen voor "Woonschepenligplaats" zijn bestemd voor het permanent afmeren van woonschepen.

Ingevolge artikel 1, onder 32, van de planvoorschriften wordt onder woonschip verstaan elk vaartuig of drijvend voorwerp dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt als woning.

   Niet in geschil is dat het vaartuig van appellant sinds 1991 niet meer als woning in gebruik is. Het vaartuig van appellant is derhalve geen woonschip in de zin van genoemd artikelonderdeel. Verweerder heeft zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat op grond van het bestaande gebruik de desbetreffende gronden niet als "Woonschepenligplaats" behoefden te worden bestemd.

Voorzover appellant betoogt dat hij om andere redenen genoemde bestemming wenst, overweegt de Afdeling als volgt. Het vaartuig van appellant was in de voorheen geldende planologische regeling niet als zodanig bestemd. Verder is geen ontheffing van de provinciale Woonschepenverordening verleend voor genoemd vaartuig.

Het toekennen van de bestemming "Woonschepenligplaats" betekent derhalve nieuwvestiging van een woonschip in het buitengebied.

In de Handleiding is het provinciale beleid verwoord dat woonschepen in het buitengebied in beginsel onwenselijk zijn. Slechts voor bestaande woonschepen kan hierop een uitzondering worden gemaakt. Dit beleid acht de Afdeling in het algemeen niet onredelijk. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat het toekennen van de bestemming "Woonschepenligplaats" aan deze gronden in strijd is met het bovengenoemde provinciale beleid. Dat voor de genoemde ligplaats een ontheffing van de APV is verleend maakt niet dat verweerder niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden, aangezien bij het verlenen van deze gemeentelijke ontheffing, in tegenstelling tot bij het verlenen van de provinciale ontheffing, de belangen van natuur en landschap niet worden betrokken. Evenmin heeft verweerder in het feit dat het vaartuig ter plaatse reeds vanaf 1968 is afgemeerd zonder dat daartegen handhavend is opgetreden, noch in de door appellant genoemde brieven, aanleiding behoeven te zien van zijn beleid af te wijken. Ten aanzien van de brieven heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat deze dateren van 27 en 28 maart 1968, waarna een aanpassing van het provinciale beleid heeft plaatsgevonden. Ook anderszins is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder niet aan zijn beleid kon vasthouden.

   Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 7] is ongegrond.

2.22.    [appellant sub 8] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming "Natuur- en landschapsdoeleinden" met de subbestemming "Water en oevers met natuurwaarden", voor zijn ligplaats aan de [locatie]. Appellant voert hiertoe aan dat de ligplaats van zijn woonschip ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Verder heeft verweerder miskend dat voor het schip een gemeentelijke ligplaatsvergunning is afgegeven, aldus appellant.

2.22.1.    De gemeenteraad heeft de bestemming "Natuur- en landschapsdoeleinden" met de subbestemming "Water en oevers met natuurwaarden" aan de desbetreffende gronden toegekend. Volgens de gemeenteraad is het als zodanig bestemmen van de ligplaats niet wenselijk gelet op de grote landschappelijke en potentiële natuurwaarden van de oever. Derhalve heeft de gemeenteraad slechts een tijdelijke ontheffing onder voorwaarden voor de desbetreffende ligplaats verleend.

2.22.2.    Verweerder heeft geen reden gezien dit plangedeelte in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit plandeel goedgekeurd. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat geen ontheffing van de provinciale verordening is verleend en het toevoegen van een ligplaats in het landelijk gebied in strijd is met het provinciale beleid. Verder wijst hij op de landschappelijke en natuurwaarden van het gebied.

2.22.3.    Zoals reeds overwogen in rechtsoverweging 2.5.4. acht de Afdeling het provinciale beleid, dat gedoogsituaties waarin een provinciale ontheffing voor de ligplaatsen ontbreekt niet kunnen blijven voortbestaan, in het algemeen niet onredelijk.

Niet in geschil is dat appellant niet beschikt over een provinciale ontheffing voor de ligplaats van zijn woonschip en dat het gebruik van de gronden als ligplaats ook in strijd was met de voorheen geldende bestemming. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat het als zodanig bestemmen van de ligplaats van het woonschip van appellant in strijd is met het bovengenoemde provinciale beleid. Dat voor de genoemde ligplaats een ontheffing van de APV is verleend maakt niet dat verweerder niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden, aangezien bij het verlenen van deze gemeentelijke ontheffing, in tegenstelling tot het verlenen van de provinciale ontheffing, de belangen van natuur en landschap niet worden betrokken. Evenmin heeft verweerder in het enkele feit dat het woonschip ter plaatse reeds vanaf 1978 is afgemeerd zonder dat daartegen handhavend is opgetreden, aanleiding behoeven te zien van zijn beleid af te wijken. Ook anderszins is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden.

   Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 8] is ongegrond.

2.23.    Ten aanzien van [appellanten sub 9] dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van het college van burgemeester en wethouders van Loenen en de GLTO is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de overige appellanten bestaat voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Loenen, [appellanten sub 9] en de GLTO gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 17 februari 2004, no. 2004reg000042i, voorzover het betreft:

a. de goedkeuring van de plandelen met de bestemming

"Agrarisch gebied met landschapswaarden, deelgebied met cultuurhistorische waarden" voorzover toegekend aan de stroomruggen;

b. de onthouding van goedkeuring aan de plandelen met de bestemming "Woonschepenligplaats" voor de ligplaatsen met WORES nummers […];

III.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1], handelend onder de naam "Hydrotec International", [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellante sub 4] [appellanten sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 11] en [appellanten sub 12] geheel en de beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Loenen, [appellanten sub 9] en de GLTO voor het overige ongegrond;

IV.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht in de door [appellanten sub 9] in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 666,01, van welk bedrag € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Utrecht te worden betaald aan deze appellanten.

V.    gelast dat de provincie aan appellanten genoemd onder I het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (273,00 voor het college van burgemeester en wethouders van Loenen en de GLTO en € 136,00 voor [appellanten sub 9]) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra    w.g. Rop

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2005

270-425.