Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5146

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2005
Datum publicatie
04-05-2005
Zaaknummer
200405298/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 15 juli 2003 heeft appellant de stichting Stichting Regionaal Indicatie Orgaan Centraal Twente (hierna: het RIO), verzocht om hem op basis van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) afschriften van alle stukken te verstrekken met betrekking tot de beslissing van 18 maart 2003, waarbij een aanvraag van appellant om hem een indicatiestelling te verlenen, is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405298/1.

Datum uitspraak: 4 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 12 mei 2004 in het geding tussen:

appellant

en

de stichting Stichting Regionaal Indicatie Orgaan Centraal Twente.

1.    Procesverloop

Bij brief van 15 juli 2003 heeft appellant de stichting Stichting Regionaal Indicatie Orgaan Centraal Twente (hierna: het RIO), verzocht om hem op basis van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) afschriften van alle stukken te verstrekken met betrekking tot de beslissing van 18 maart 2003, waarbij een aanvraag van appellant om hem een indicatiestelling te verlenen, is afgewezen.

Bij brief van 11 augustus 2003 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek van 15 juli 2003.

Bij brief van 4 november 2003 heeft appellant beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaarschrift van 11 augustus 2003.

Bij besluit van 6 april 2004 heeft het RIO het door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 mei 2004, verzonden op dezelfde dag, voorzover thans van belang, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard, voorzover het is gericht tegen de beslissing op bezwaar van 6 april 2004 en het RIO veroordeeld in de door appellant gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op €80,50. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 september 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 oktober 2004 heeft het RIO van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door D. Greveling, werkzaam bij Greveling Rechtshulp te Hengelo, is verschenen. De Stichting Centrum indicatiestelling zorg, rechtsopvolger van het RIO, is met bericht van verhindering niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

   Ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Awb wordt het bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit op de aanvraag, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

   Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

   Ingevolge artikel 7:11, tweede lid, van de Awb herroept het bestuursorgaan, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het RIO in de beslissing op bezwaar op juiste gronden de bezwaren van appellant gegrond heeft verklaard. Daartoe voert hij aan geen gelegenheid te hebben gekregen van de rechtbank tijdig voor de behandeling ter zitting nadere gronden aan te voeren tegen de beslissing op bezwaar. Verder is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen acht heeft geslagen op de aangevoerde gronden tegen deze beslissing. Met name klaagt appellant dat de rechtbank niet heeft beslist op het verzoek om toezending van de door hem ingevolge de Wob verlangde stukken.

2.2.1.    Het RIO heeft in de brief van 6 april 2004 het bezwaar van appellant gegrond verklaard, omdat niet binnen twee weken een besluit op de aanvraag is genomen. Artikel 7:11 van de Awb brengt met zich dat het RIO niet kan volstaan met een gegrondverklaring, maar dat tevens een besluit op de aanvraag dient te worden genomen. De enkele gegrondverklaring van het bezwaar kan niet als een besluit worden aangemerkt. De rechtbank heeft de brief van 6 april 2004 derhalve ten onrechte opgevat als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het beroep bij de rechtbank is dan ook alleen gericht tegen het uitblijven van een besluit op het door appellant gemaakte bezwaar, dat ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld.

2.2.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder andere de uitspraak van 3 december 1998 in zaak no. H01.97.1411 (AB 1999, 107) is het met toepassing van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb maken van bezwaar of het instellen van beroep tegen het uitblijven van een beslissing primair te zien als een procedureel middel om een bestuursorgaan tot besluitvorming te bewegen. Het bestuursorgaan zal in het algemeen alsnog een reële beslissing dienen te nemen - dat kan ook hangende de procedure tegen het niet tijdig nemen van een beslissing - waartegen de nodige rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. In de Awb is niet bepaald dat het niet tijdig beslissen op een bepaalde wijze materieel moet worden geduid. In dit geval is ook niet in een bijzondere wet terzake een bepaling opgenomen. De Afdeling acht bij gebreke van een dergelijke bepaling in het algemeen en ook in dit geval geen reden aanwezig om het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar wat betreft de inhoud met een uitdrukkelijk besluit gelijk te stellen. De rechtbank had, nu de wettelijke termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar was verstreken, het beroep van appellant gegrond moeten verklaren en het RIO moeten opdragen alsnog een besluit op bezwaar te nemen.

2.3.    Hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd, dient gelet op het voorgaande buiten beschouwing te blijven.

2.4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep bij de rechtbank gegrond verklaren en het RIO opdragen een besluit op bezwaar te nemen. De Afdeling ziet tevens aanleiding om een termijn van vier weken te stellen voor het nemen van dat besluit.

2.5.    Het RIO dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De Afdeling ziet aanleiding gelet op het gewicht van de zaak een wegingsfactor van 0,25 toe te passen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Almelo van 12 mei 2004, 03/991 AWBZ V1 A;

III.    verklaart het beroep bij de rechtbank gegrond;

IV.    vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op het door appellant gemaakte bezwaar;

V.    draagt de Stichting Regionaal Indicatie Orgaan Centraal Twente op binnen een termijn van vier weken een besluit op bezwaar te nemen;

VI.    veroordeelt de Stichting Regionaal Indicatie Orgaan Centraal Twente in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Stichting Regionaal Indicatie Orgaan Centraal Twente te worden betaald aan appellant;

VII.    gelast dat de Stichting Regionaal Indicatie Orgaan Centraal Twente aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 236,00 (€ 205,00 en € 31,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Zwemstra

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2005

91-440.