Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5144

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2005
Datum publicatie
04-05-2005
Zaaknummer
200409416/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij bezwaarschrift van 17 mei 2002, waarvan de gronden op 25 juni 2002 zijn ingediend, en voorzover thans van belang, hebben appellant en [wederpartij] bezwaar gemaakt tegen het niet in behandeling nemen door het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) van hun aanvraag om een eindejaarsuitkering over het jaar 2000.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:2
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2005/187 met annotatie van F.A.M. S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409416/1.

Datum uitspraak: 4 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Groningen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 23 oktober 2003 in het geding tussen:

appellant en [wederpartij], wonend te Groningen

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

1.    Procesverloop

Bij bezwaarschrift van 17 mei 2002, waarvan de gronden op 25 juni 2002 zijn ingediend, en voorzover thans van belang, hebben appellant en [wederpartij] bezwaar gemaakt tegen het niet in behandeling nemen door het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) van hun aanvraag om een eindejaarsuitkering over het jaar 2000.

Bij besluit van 11 juli 2002 heeft het college alsnog aan appellant een eindejaarsuitkering 2000 toegekend.

Bij brief van 10 september 2002 heeft appellant verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand.

Bij beslissing op bezwaar van 22 oktober 2002, voorzover thans van belang, heeft het college het verzoek van appellant om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand afgewezen.

Bij uitspraak van 23 oktober 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank), voorzover van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Centrale Raad van Beroep ingekomen op 28 oktober 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 november 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 december 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 9 november 2004 heeft de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep van appellant doorgestuurd naar de Afdeling.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 5 april 2005. Beide partijen zijn met bericht niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

2.2.    Het betoog van appellant komt erop neer dat hij meent dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte de kosten van het maken van bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om toekenning van de eindejaarsuitkering 2000 niet heeft vergoed. Dit betoog faalt. Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb voorziet uitsluitend in de mogelijkheid om de kosten te vergoeden indien het bezwaar leidt tot een herroeping van het primaire besluit. Daarvan is in dit geval geen sprake geweest en kan ingeval van bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit ook geen sprake zijn omdat dit slechts kan leiden tot een gegrondverklaring van het bezwaar. De rechtbank is dan ook terecht tot de slotsom gekomen dat het college de gevraagde vergoeding terecht heeft afgewezen.

2.3.    Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is en dat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2005

47-384.