Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5142

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2005
Datum publicatie
04-05-2005
Zaaknummer
200408887/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juni 2003 heeft het dagelijks bestuur van het Regionaal Orgaan Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) de op de voet van de Verordening Woninggebonden Subsidie van het Regionaal Orgaan Amsterdam 1995 aan appellant voor de woning [locatie] te Amsterdam verleende geldelijke steun gedeeltelijk ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408887/1.

Datum uitspraak: 4 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het Regionaal Orgaan Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2003 heeft het dagelijks bestuur van het Regionaal Orgaan Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) de op de voet van de Verordening Woninggebonden Subsidie van het Regionaal Orgaan Amsterdam 1995 aan appellant voor de woning [locatie] te Amsterdam verleende geldelijke steun gedeeltelijk ingetrokken.

Bij besluit van 28 augustus 2003 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 september 2004, verzonden op 22 september 2004, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 2 november 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 november 2004 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. C. Lubben, gemachtigde, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. M.A.H. van der Hijden, ambtenaar bij de Dienst Wonen van de gemeente Amsterdam, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij erop mocht vertrouwen dat hij, hoewel hij in strijd met de ter zake aan de subsidieverlening verbonden voorwaarde zijn pand in appartementsrechten heeft gesplitst, die subsidie niet gedeeltelijk zou behoeven terug te betalen. Hij wijst in dat verband op de rol van de heer K. Veerman, ambtenaar van het stadsdeel Oud-Zuid van de gemeente Amsterdam (hierna: Veerman), als projectleider bij de verbouwing van de panden aan de [locatie].

2.2.    Dit betoog faalt. De rechtbank heeft, in aanmerking genomen dat Veerman in zijn brief van 18 augustus 2003 aan de Afdeling Bezwaar en Beroep voor de Dienst Wonen heeft ontkend met betrekking tot de subsidieaanvraag van appellant te hebben gezegd dat splitsen mocht, terecht overwogen dat appellant zijn bewering niet aannemelijk heeft gemaakt. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht maakt dit niet anders. Hij heeft daarbij gewezen op de rol die Veerman als ambtenaar in dienst van het Stadsdeel Oud Zuid heeft gehad bij de renovatie en splitsing van zijn pand. Blijkens de genoemde brief van Veerman heeft deze appellant toen gewezen op de voorwaarden bij de subsidietoekenning en aangegeven dat de uiteindelijke beslissing daarover niet bij het stadsdeel ligt, maar bij het bestuursorgaan dat over de subsidieverlening heeft beslist. Ook de rechtbank heeft er met juistheid op gewezen dat de subsidieregeling niet door het stadsdeel werd uitgevoerd, zodat Veerman daarover ook geen uitlatingen kon doen. Dientengevolge kunnen de door appellant in zijn hoger beroepschrift aangehaalde verklaringen van buurtbewoners over de vermeende uitlatingen van Veerman niet leiden tot een andersluidend oordeel. Dat de brief van Veerman inhoudelijk onjuist zou zijn is verder niet gebleken.

   Appellant heeft in zijn hoger beroepschrift nog gewezen op een tweetal uitspraken van de Afdeling betreffende een beroep op het vertrouwensbeginsel. Die uitspraken betreffen evenwel geheel andere situaties dan die welke zich hier voordoet. Van vergelijkbare gevallen is dan ook geen sprake.

2.3.    Tot slot heeft appellant stukken overgelegd met betrekking tot een pand van de vader van appellant waaruit blijkt dat na de splitsing van dat pand in drie appartementen, de hem toegekende subsidie niet behoeft te worden terugbetaald. De in die stukken vervatte mededeling ziet evenwel op een andere verordening en is bovendien afkomstig van een ander bestuursorgaan. Gelet hierop faalt het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2005

47-384.