Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5134

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2005
Datum publicatie
04-05-2005
Zaaknummer
200409977/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 april 2004, kenmerk Mil 04/026, heeft verweerder het verzoek van appellanten om krachtens het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) nadere eisen te stellen met betrekking tot [cafetaria] op het perceel [locatie] te [plaats], afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2005/2123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409977/1.

Datum uitspraak: 4 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Heythuysen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2004, kenmerk Mil 04/026, heeft verweerder het verzoek van appellanten om krachtens het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) nadere eisen te stellen met betrekking tot [cafetaria] op het perceel [locatie] te [plaats], afgewezen.

Bij besluit van 19 oktober 2004, verzonden op 29 oktober 2004, heeft verweerder het hiertegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 7 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 8 december 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 februari 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2005, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. A. Vinkenborg, gemachtigde,

en verweerder, vertegenwoordigd door ing. R.H.M. Wilms en J.H.M. Dierx, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten betogen dat verweerder heeft miskend dat sprake is van een overschrijding van de toegestane geluidgrenswaarden indien de frituurafzuiging van de inrichting tussen 23.00 uur en 01.00 uur in werking is. Volgens appellanten had verweerder bij nadere eis lagere geluidwaarden moeten vaststellen, dan wel gedragsregels of technische voorschriften moeten opnemen ten aanzien van het gebruik en/of de afstelling van de afzuiginstallatie.

2.1.1.    Niet in geschil is dat op de inrichting het Besluit van toepassing is.

   In voorschrift 1.1.1 van Bijlage B, behorende bij het Besluit, is bepaald dat het equivalente geluidniveau op de gevel van woningen in de periode tussen 23.00 uur en 07.00 uur (hierna: de nachtperiode) niet meer mag bedragen dan 40 dB(A).

   In voorschrift 4.1.1. van die bijlage is bepaald dat indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de equivalente geluidniveaus in voorschrift 1.1.1 te hoog of te laag zijn, bij nadere eis hogere of lagere waarden kunnen worden vastgesteld.

   In voorschrift 4.1.4 van die bijlage is bepaald welke nadere eisen kunnen worden gesteld om te bereiken dat aan voorschrift 1.1.1 wordt voldaan.

   Ingevolge artikel 1 moet onder equivalent geluidniveau worden verstaan: het gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in de loop van een bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai, IL-HR-13-01", Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 1981" (hierna: de Handleiding).

2.1.2.    Verweerder heeft bij de inrichting geluidmetingen laten uitvoeren waaruit onder meer blijkt dat de geluidbelasting vanwege de frituurafzuiging ter hoogte van de gevel 40 a 41 dB(A) bedraagt. Omdat de frituurafzuiging maar één stand bevat, is verweerder er vanuit gegaan dat de geluidemissie van die afzuiging gedurende het gehele etmaal feitelijk een constant niveau heeft van 40 a 41 dB(A). Omdat in de nachtperiode de afzuiging maar twee uur in werking is, heeft verweerder overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, IL-HR-13-01, een bedrijfsduurcorrectie toegepast op de gemeten waarden. Volgens verweerder bedraagt daardoor het gemiddelde equivalente geluidniveau gedurende de nachtperiode ter hoogte van de gevel 35 a 36 dB(A). Volgens hem leidt het gebruik van de frituurafzuiging tussen 23.00 en 01.00 uur om die reden niet tot overschrijding van de grenswaarde uit voorschrift 1.1.1. Om die reden heef hij het verzoek van appellanten afgewezen.

2.1.3.    De Afdeling stelt vast dat het Besluit en de Handleiding ervan uit gaan dat op het feitelijk optredende geluidniveau een bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast indien de activiteiten van een inrichting gedurende slechts een deel van de dag-, avond- of nachtperiode plaatsvinden. Aangezien de frituurafzuiging gedurende de nachtperiode alleen tussen 23.00 en 01.00 uur in werking is, is de in het Besluit voorziene bedrijfsduurcorrectie op goede gronden toegepast. Daarbij komt dat het geluidniveau tussen 23.00 uur en 01.00 uur slechts tot een zeer geringe overschrijding van de norm leidt, welke overschrijding als zodanig niet of nauwelijks waarneembaar is. Verder heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat de in het Besluit opgenomen equivalente geluidgrenswaarden ook in dit geval voldoende bescherming bieden en dat er onvoldoende aanleiding bestaat om bij nadere eis strengere normen op te leggen. Deze beroepsgrond faalt.

2.2.    Appellanten betogen voorts dat verweerder heeft miskend dat niet wordt voldaan aan geurvoorschrift 1.4.3, aanhef en onder a, van Bijlage B bij het Besluit. Volgens hen is tenminste een ontgeuringsinstallatie nodig om een adequaat beschermingsniveau te bereiken.

2.2.1.    In voorschrift 1.4.3 is bepaald dat de dampen die vrijkomen in een ruimte waarin voedingsmiddelen worden bereid:

a. ten minste 2 meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen gebouwen worden afgevoerd, of

b. een ontgeuringsinstallatie passeren voor zij naar de buitenlucht worden afgevoerd.

Voorts dienen de dampen die worden afgezogen bij het frituren of bakken in olie of vet, te worden geleid door een verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter alvorens die dampen in de buitenlucht worden afgevoerd.

2.2.2.    Bij besluit van 8 juli 2003 heeft verweerder, ten aanzien van de bakluchtafvoerleiding, waarvoor in onderhavige inrichting is gekozen, de volgende nadere eisen gesteld met toepassing van voorschrift 4.4.1 van Bijlage B:

1. de opening van de afvoerleiding voor bakdampen moet minimaal 6,5 meter boven het hoogste punt - plat dak - van het gebouw van de inrichting (cafetaria/friture) uitmonden en

2. de opening van die bakluchtafvoerleiding moet minimaal 1,00 meter boven de nokhoogte van de woning aan het adres [locatie] te [plaats] uitmonden.

    Verweerder stelt zich op het standpunt dat met deze nadere eisen evenzeer wordt voldaan aan voorschrift 1.4.3.

2.2.3.    De Afdeling stelt vast dat de afvoerleiding van de inrichting voldoet aan de in de nadere eisen voorgeschreven afvoerhoogte ten opzichte van het platte dak en de nok van de inrichting. Ter zitting is echter gebleken dat niet is onderzocht of daarmee de uitmonding van de afvoerpijp zich ten minste twee meter boven de daklijn van de woning van appellanten bevindt, terwijl onbetwist is dat die daklijn binnen 25 meter van de uitmonding is gelegen. Aldus kan niet worden vastgesteld of wordt voldaan aan voorschrift 1.4.3, aanhef en onder a. Door de afwijzing van het verzoek van appellanten om het stellen van nadere eisen ter beperking van geurhinder niettemin op die onbewezen stelling te baseren en evenmin te onderzoeken of er wellicht aanleiding is om andere maatregelen te nemen, is het besluit op dit punt onzorgvuldig voorbereid, hetgeen in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepsgrond slaagt.

2.2.4.    Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient wat het aspect geur betreft te worden vernietigd.

2.3.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heythuysen van 19 oktober 2004 wat het aspect geur betreft;

III.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Heythuysen tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Heythuysen aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de gemeente Heythuysen aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. Stolker

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2005

157-428.