Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5127

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2005
Datum publicatie
04-05-2005
Zaaknummer
200406413/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) het verzoek van appellante om handhaving van het bestemmingsplan Graan voor Visch voor het perceel [locatie] afgewezen. Het verzoek strekt tot verwijdering van een op genoemd perceel door [vergunninghouder] naast zijn woning geplaatste schutting en schuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406413/1.

Datum uitspraak: 4 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 17 juni 2004 in het geding tussen:

appellante, [wederpartijen]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 december 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) het verzoek van appellante om handhaving van het bestemmingsplan Graan voor Visch voor het perceel [locatie] afgewezen. Het verzoek strekt tot verwijdering van een op genoemd perceel door [vergunninghouder] naast zijn woning geplaatste schutting en schuur.

Bij besluit van 2 mei 2000 heeft het college, voorzover thans van belang, het daartegen door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voorzover het betrekking heeft op het verzoek om handhavend op te treden tegen de schuur, en in heroverweging het verzoek om handhaving afgewezen en voor het overige het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 januari 2001 heeft de rechtbank Haarlem (hierna; de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 mei 2000 vernietigd en bepaald dat het college opnieuw op de bezwaren van appellante dient te beslissen.

Bij uitspraak van 24 april 2002 in zaak no. 200101126/1 heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank van 16 januari 2001 bevestigd.

Bij besluit, verzonden op 17 september 2003, heeft het college, voorzover thans van belang, het bezwaar van appellante tegen het in stand laten van de weigering handhavend op te treden ongegrond verklaard.

Het tegen voormeld besluit in zoverre ingestelde beroep is bij uitspraak van 17 juni 2004, verzonden op 21 juni 2004, door de rechtbank ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Hiertegen heeft appellante bij brief van 21 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 22 juli 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 20 december 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brieven van 24 maart 2005 en 25 maart 2005 zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan het college toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2005, waar appellante in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Hoogland, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante betoogt dat de vaste commissie voor de bezwaar- en beroepschriften (hierna: de commissie) niet onpartijdig en niet onafhankelijk is. Dit betoog is voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom dit betoog niet reeds voor de rechtbank had kunnen worden aangevoerd en appellante dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de rechtszekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

2.2.    Appellante betoogt voorts dat het advies van de commissie ten behoeve van de nieuwe beslissing op bezwaar in strijd met artikel 18 van de "Verordening behandeling bezwaar- en beroepschriften gemeente Haarlemmermeer" niet tijdig is uitgebracht.

   Dit betoog kan evenmin leiden tot het daarmee beoogde doel, nu dit voorschrift een bepaling van orde betreft en het niet naleven daarvan nog niet tot het oordeel leidt dat de door het college genomen beslissing op bezwaar reeds daarom rechtens niet in stand kan blijven.

2.3.    In geding is of de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het college bij besluit, verzonden op 17 september 2003, de weigering om handhavend op te treden terecht heeft gehandhaafd. De hierna vermelde besluiten van 11 september 2003 en 18 november 2003, waarbij vrijstelling en bouwvergunning voor de op het perceel gerealiseerde schutting en schuur zijn verleend, liggen in deze procedure niet voor.

   In de uitspraak van 24 april 2002 in zaak no. 200101126/1 heeft de Afdeling, voorover thans van belang, overwogen dat concreet zicht op legalisering van de zonder bouwvergunning gebouwde schutting en schuur ten tijde van het besluit van 2 mei 2000 niet aanwezig was en heeft zij zich verenigd met het oordeel van de rechtbank, dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college had moeten afzien van handhavend optreden.

   In het ter voldoening aan die uitspraak genomen besluit op bezwaar heeft het college zich gebaseerd op het op 1 september 2003 aan het college uitgebrachte advies van de commissie. In dit advies is, voorzover thans van belang, overwogen dat de schutting en de schuur op grond van het beleid met betrekking tot erfafscheidingen grenzend aan het openbaar gebied, neergelegd in de nota "Over de schutting", zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 10 april 2003, in beginsel voor legalisering in aanmerking komen, dat de procedure voor legalisering van die bouwwerken zich al in een vergevorderd stadium bevindt, dat de vergunning voor de schuur en de schutting volgens de informatie van commissie zal worden verleend en dat de legalisering hoogstwaarschijnlijk zelfs al een feit zal zijn voordat het college op het bezwaar heeft beslist.

   Bij besluit van 11 september 2003 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en bouwvergunning verleend voor de schuur en de schutting. Bij besluit van 18 november 2003 heeft het college onder het intrekken van voormeld besluit aan [vergunninghouder]    vrijstelling met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO en bouwvergunning voor genoemde bouwwerken verleend.

   Nu ten tijde van de nieuwe beslissing op bezwaar, verzonden op 17 september 2003, reeds vrijstelling en bouwvergunning voor de schutting en de schuur waren verleend, was ten tijde van deze beslissing niet langer sprake van een illegale situatie, zodat het college, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet bevoegd was om terzake handhavend op te treden.

2.4.    Anders dan appellante betoogt, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat voormelde uitspraak van de Afdeling van 24 april 2002, gelet op het daarin gegeven oordeel over de afwezigheid van concreet zicht op legalisering, in de weg staat aan het verzoek van het college aan [vergunninghouder], gedaan bij brief van 25 oktober 2002, om een aanvraag om bouwvergunning voor de schutting en de schuur in te dienen, nu dit oordeel uitsluitend betrekking had op de situatie ten tijde van het besluit van 2 mei 2000.

   Voorts valt, anders dan appellante betoogt, niet in te zien dat de rechtbank heeft miskend dat het in het thans bestreden besluit verwoorde standpunt van het college, dat concreet zicht op legalisering bestaat, zich niet verdraagt met de uitspraak van de rechtbank van 5 december 2002. Nog daargelaten dat deze uitspraak uitsluitend betrekking heeft op het beroep van appellante tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar, doet het daarin op de toen bestaande situatie toegespitste oordeel dat de beginselplicht tot handhaving nog onverkort gold er niet aan af, dat de rechtbank in haar oordeel over het thans bestreden besluit de inmiddels gewijzigde situatie diende te betrekken.

2.5.    Aan het betoog van appellante, dat de rechtbank bij haar oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van concreet zicht op legalisering van de illegale situatie behalve het beleid, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 10 april 2003, het gehele beleidskader in aanmerking had moeten nemen, wordt, nu het college ten tijde van het op 17 september 2003 verzonden besluit niet bevoegd was handhavend op te treden, niet toegekomen.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met enige verbetering van de gronden waarop zij rust, te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Schortinghuis

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2005

66-423.