Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5125

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2005
Datum publicatie
04-05-2005
Zaaknummer
200407087/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 augustus 2003 heeft appellant sub 1 (hierna: de minister) een verzoek van [appellant sub 2] om overlegging van de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het in het kader van een asielprocedure opgemaakt individueel ambtsbericht van 18 maart 1999, kenmerk […], ingewilligd met uitzondering van enkele passages.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200407087/1.

Datum uitspraak: 4 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    de Minister van Buitenlandse Zaken, en

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 18 augustus 2004 in het geding tussen:

appellant sub 2

en

appellant sub 1.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2003 heeft appellant sub 1 (hierna: de minister) een verzoek van [appellant sub 2] om overlegging van de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het in het kader van een asielprocedure opgemaakt individueel ambtsbericht van 18 maart 1999, kenmerk […], ingewilligd met uitzondering van enkele passages.

Bij besluit van 31 oktober 2003 heeft de minister het daartegen door [appellant sub 2] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 augustus 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant sub 2]     ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de minister binnen vier weken na onherroepelijk worden van de uitspraak met inachtneming van de uitspraak de twee daarin bedoelde passages openbaar dient te maken aan [appellant sub 2]. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2004, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 september 2004, hoger beroep ingesteld. De minister heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 17 september 2004. [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 27 oktober 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 september 2004 heeft [appellant sub 2] de toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Bij brief van 20 oktober 2004 heeft [appellant sub 2] van antwoord gediend.

Bij brief van 25 november 2004 heeft de minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 maart 2005, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.H. Holterman, werkzaam bij het ministerie, en [appellant sub 2] in persoon, bijgestaan door mr. L.M. Straver, advocaat te Utrecht, en A. Dahmani, tolk, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 8:43, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen schriftelijk te repliceren. In dat geval wordt het bestuursorgaan in de gelegenheid gesteld schriftelijk te dupliceren.

    Ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Awb kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen.

2.2.    De minister voert in hoger beroep aan dat de rechtbank, gelet op artikel 8:43, eerste lid, van de Awb, ten onrechte een brief van [appellant sub 2] van 28 juli 2004 bij de beoordeling van het beroep heeft betrokken.

    [appellant sub 2] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank deze brief terecht bij haar beoordeling heeft betrokken, maar ten onrechte heeft overwogen dat de brief niet anders kan worden geduid dan als repliek en geen nieuwe gronden bevat.

2.2.1.    Nu de brief - nog daargelaten hoe deze moet worden geduid - vóór de in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb genoemde termijn van tien dagen is ingediend en naar het oordeel van de Afdeling bestaat uit een aanvulling op en nadere toelichting van reeds eerder in de procedure naar voren gebrachte standpunten, zodat de brief geen nieuwe gronden bevat, kan niet worden staande gehouden dat de rechtbank deze in strijd met een wettelijk voorschrift of met het beginsel van de goede procesorde bij haar beoordeling heeft betrokken.

2.3.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

    Ingevolge het derde lid van artikel 3 wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van de Wob.

    Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wob, voorzover thans van belang, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…)

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

(…)

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2.4.    Bij besluit van 31 oktober 2003 heeft de minister zijn weigering gehandhaafd om uit de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het individuele ambtsbericht dat is opgemaakt in het kader van een asielaanvraag van [appellant sub 2], bepaalde passages te verstrekken die betrekking hebben op namen, functies en werkomgeving van vertrouwenspersonen, geraadpleegde bronnen en gebruikte methoden en technieken van onderzoek.

    Daarbij heeft de minister zich beroepen op het belang van bronbescherming, het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, het belang van bescherming van de gehanteerde methoden en technieken van onderzoek en het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van de in het onderzoek genoemde of de bij het onderzoek betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen.

2.5.    De rechtbank heeft overwogen dat de minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid openbaarmaking van de passages achterwege heeft kunnen laten, behalve met betrekking tot twee nader aangeduide passages in het rapport van de vertrouwenspersoon.

     Ten aanzien van de eerste van deze twee passages heeft de rechtbank overwogen dat, ofschoon uit de weggelaten tekst informatie naar voren komt over een gehanteerde onderzoeksmethode en een daarbij aanwezig kennisniveau, met het weglaten van de betreffende informatie in redelijkheid niet het belang van toekomstige controles wordt gehinderd. De uit de weggelaten passage blijkende toegepaste onderzoeksmethode en het eruit blijkende aanwezige kennisniveau zullen naar het oordeel van de rechtbank voor niemand als verrassing komen en aangenomen mag worden dat elke weldenkende vervalser thans reeds rekening houdt met die onderzoeksmethode en dat kennisniveau, zodat openbaarmaking geen schade brengt.

    Ten aanzien van de tweede passage heeft de rechtbank overwogen dat deze geen informatie bevat die enige onderzoeksmethode of -techniek, of enig kennisniveau openbaart.

2.6.    [appellant sub 2] keert zich allereerst tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister zijn specifieke belangen bij openbaarmaking terecht niet bij de afweging van de belangen inzake openbaarmaking ingevolge de Wob heeft betrokken. [appellant sub 2] betoogt daartoe dat een algemeen belang bestaat bij het openbaar maken van de onderliggende stukken van een individueel ambtsbericht, omdat een ieder moet kunnen beoordelen of de informatie op een juiste wijze tot stand is gekomen en inhoudelijk juist is.

2.7.    Dit betoog faalt. Het recht op openbaarmaking ingevolge de Wob dient, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering, welk belang de Wob vooronderstelt.

    De vraag of een ander dan het openbaarheidsbelang zich voordoet, dient door de rechter integraal te worden beoordeeld. De rechterlijke toetsing van het bestuurlijk oordeel over de vraag of het openbaarheidsbelang meer of minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen, wijkt niet af van de (redelijkheids)toetsing overeenkomstig het tweede lid van artikel 3:4 van de Awb. Bij die toetsing dient het uitgangspunt van de Wob

- openbaarheid is de regel - zwaar te wegen.

2.8.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraken van 6 oktober 2004 in zaak no. 200400880/1 (AB 2004, 366) en 16 februari 2005 in de zaken nos. 200403569/1 en 200405218/1, kan de minister zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat bij openbaarmaking van de stukken die aan een ambtsbericht als hier aan de orde ten grondslag hebben gelegen, in het algemeen de belangen van bronbescherming, van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en van bescherming van de gehanteerde methoden en technieken van onderzoek, zwaarder wegen dan het openbaarheidsbelang, en dat in elk individueel geval dient te worden beoordeeld of de eerstgenoemde belangen zich inderdaad voordoen. Vervolgens dient, indien de minister van oordeel is dat deze belangen zich voordoen, de (uit de wet voortvloeiende) belangenafweging door de minister te worden gemotiveerd.

2.9.    De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de inhoud van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken, in dit geval genoemde belangen aanwezig zijn en dat deze belangen, mede met het oog op toekomstig onderzoek, zich ertegen verzetten dat hij meer informatie verschaft dan de thans aan [appellant sub 2] verstrekte informatie. Dit betreft volgens de minister ook de twee door de rechtbank uitgezonderde passages.

2.10.    Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van de niet aan [appellant sub 2] verstrekte tekstpassages, stelt de Afdeling vast dat de belangen waarop de minister zich heeft beroepen, bij de informatie in al deze passages aan de orde zijn.

    De Afdeling is van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de belangen als genoemd in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, e en g van de Wob, zich in dit geval tegen openbaarmaking van de gevraagde passages verzetten.

    Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat dit ook geldt voor de twee door de rechtbank nader genoemde passages. Openbaarmaking van de eerste passage heeft de minister in redelijkheid achterwege kunnen laten reeds omdat deze passage - zoals de rechtbank terecht heeft overwogen - informatie bevat over een gehanteerde onderzoeksmethode en een daarbij aanwezig kennisniveau. De rechtbank heeft ten onrechte doorslaggevende betekenis toegekend aan haar eigen, mede op veronderstellingen gebaseerde, inschatting van de schade die door openbaarmaking van de desbetreffende passage zou kunnen ontstaan. De tweede passage bevat informatie over een zogenoemd onechtheidskenmerk, hetgeen informatie is over een onderzoeksmethode of -techniek, zodat de minister in redelijkheid het belang, genoemd in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob aan het niet verstrekken hiervan ten grondslag heeft kunnen leggen.

    Het hoger beroep van de minister slaagt derhalve. De aangevallen uitspraak komt op grond hiervan voor vernietiging in aanmerking.

2.11.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het beroep van [appellant sub 2] op artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) faalt. Nog daargelaten dat artikel 6 van het EVRM niet op de onderhavige procedure van toepassing is, aangezien hier het algemeen belang bij openbaarmaking aan de orde is en niet enig burgerrechtelijk recht of enige burgerrechtelijke verplichting van [appellant sub 2], vindt binnen het kader van de in artikel 8:29 van de Awb vervatte procedure niet alleen een procedurele maar ook een inhoudelijke rechtmatigheidscontrole plaats op het handelen van de minister, zodat sprake is van een volledige rechterlijke toetsing van het bestreden besluit. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, vloeit voorts uit artikel 6 van het EVRM geen zelfstandig recht op openbaarmaking voort.

2.12.    Het bovenstaande leidt tot het oordeel dat het hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond is en het hoger beroep van de minister gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Almelo van 18 augustus 2004, 03/1112 WOB AR1 A;

II.    verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Matulewicz

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2005

204-419.