Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5115

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2005
Datum publicatie
04-05-2005
Zaaknummer
200502178/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 januari 2005, kenmerk MPM571/MW03.24867, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een agrarisch loonwerkbedrijf met sloop-, bestratings- en grondverzetwerkzaamheden en een milieustraat, gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 2 februari 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502178/2.

Datum uitspraak: 29 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2005, kenmerk MPM571/MW03.24867, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een agrarisch loonwerkbedrijf met sloop-, bestratings- en grondverzetwerkzaamheden en een milieustraat, gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 2 februari 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft onder meer verzoeker bij brief van 8 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 14 maart 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 8 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 14 maart 2005, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 april 2005, waar verzoeker, vertegenwoordigd door ing. E.G.M. Bonekamp en ing. W.H.F. Kerpershoek, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. A.A. Sulter, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verzoeker acht de aanvraag onvolledig en is van mening dat verweerder deze niet in behandeling had kunnen nemen. In dit kader voert verzoeker aan dat gegevens ontbreken met betrekking tot de aard en de omvang van de belasting van het milieu door de inrichting, met betrekking tot de maatregelen en voorzieningen ten behoeve van het voorkomen of beperken van het ontstaan van afvalstoffen in de inrichting en het nuttig toepassen dan wel het geschikt maken voor nuttige toepassing van de afvalstoffen die in de inrichting ontstaan, en met betrekking tot de wijze waarop gedurende het in werking zijn van de in de belasting van het milieu, die de inrichting veroorzaakt, wordt vastgesteld en geregistreerd.

   Voorts heeft vergunninghoudster volgens verzoeker ten onrechte niet in of bij de aanvraag vermeld de procedure van acceptatie en controle van de inkomende afvalstoffen, de wijze van financiering van de activiteiten, alsmede een schatting van de omvang van de investeringen die worden gedaan, en de tarieven die vergunninghoudster voor het nuttig toepassen of verwijderen wil vaststellen, alsmede de wijze waarop de tarieven zijn samengesteld.

2.2.1.    Verweerder betoogt dat de aanvraag voldoende gegevens bevat dan wel voldoende inzicht geeft om in behandeling te kunnen nemen. Verder heeft hij naar aanleiding van ingebrachte bedenkingen aan voorschrift 7.18 toegevoegd dat een beschrijving van het A&V-beleid en een beschrijving van de procedures AO/IC voor de te accepteren afvalstromen mest, grond, zand, puin en bermmaaisel binnen twee maanden na het in werking treden van de vergunning ter goedkeuring aan gedeputeerde staten moet worden toegezonden.

2.2.2.    Vergunninghoudster heeft op 23 december 2003 bij verweerder een aanvraag om een revisievergunning ingediend als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor het veranderen van een agrarisch loonwerkbedrijf. Verweerder heeft bij brief van 13 februari 2004 verzocht om nadere gegevens bij de aanvraag. Vergunninghoudster heeft deze gegevens bij verweerder ingediend op 9 april 2004. De Voorzitter stelt vast dat de nadere gegevens geacht moeten worden deel uit te maken van de aanvraag om vergunning.

   Verweerder heeft zich naar het oordeel van de Voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat kan worden volstaan met het overleggen van deze gegevens ná de vergunningverlening, zoals is vastgelegd in voornoemd voorschrift 7.18.

   Gelet op het stukken en het verhandelde ter zitting is de Voorzitter dat eventuele gebreken in de aanvraag niet van dien aard zijn dat ze het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigen.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4.    Verzoeker acht een hogere geluidnorm dan 40 dB(A) in de dagperiode in strijd met het ALARA-beginsel. Verder stelt hij dat een aantal activiteiten niet is meegenomen in het van de aanvraag deel uitmakende akoestisch onderzoeksrapport. Als gevolg hiervan acht hij de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden niet naleefbaar. Hij betoogt onder meer dat ten onrechte het gebruik van de weegbrug in de nachtperiode niet is geweigerd.

2.4.1.    Verweerder heeft bij de beoordeling van de geluidaspecten hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van oktober 1998 (hierna: de Handreiking) gehanteerd. Bij het vaststellen van de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau heeft hij de Handreiking aldus toegepast dat hij aansluiting heeft gezocht bij de richtwaarde die in dat hoofdstuk wordt aanbevolen voor een landelijke omgeving, te weten een etmaalwaarde van 40 dB(A). Uit de Handreiking volgt dat overschrijding van de richtwaarden mogelijk is tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Op grond van een bestuurlijk afwegingsproces kan overschrijding van het referentieniveau tot ten hoogste 55 dB(A) in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht.

2.4.2.    Bij de aanvraag om vergunning is een akoestisch onderzoeksrapport overgelegd van Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V., kenmerk 2002.2483-1, van 19 december 2003. In het akoestisch onderzoek is nagegaan welke geluidbelasting de inrichting ter plaatse van de in de nabijheid van de inrichting gelegen woningen van derden zal veroorzaken. Tevens is nagegaan welke geluidbelasting de onderhavige inrichting op de verschillende referentiepunten zal hebben. In het akoestisch onderzoeksrapport is voorts aangegeven welke maatregelen kunnen worden getroffen om de optredende geluidniveaus te reduceren. Verder heeft vergunninghoudster bij brief van 10 maart 2004 aanvullende gegevens overgelegd. In december 2003 is door verweerder een rapport, kenmerk GLU-03-38, opgesteld waarin de resultaten van de op 10 en 16 december 2003 verrichte metingen ter bepaling van het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse van de inrichting van vergunninghoudster, zijn opgenomen. De metingen, die hebben plaatsgevonden tussen 6.00 en 7.00 uur, zijn representatief voor de gehele nachtperiode, aldus verweerder.

2.4.3.    Uit voorschrift 3.1 in samenhang met tabel 5.1 van het akoestisch onderzoeksrapport blijkt dat de richtwaarde voor het LAr,LT in de avond- en nachtperiode wordt overschreden met respectievelijk 5 en 6 dB(A). Uit de door verweerder uitgevoerde metingen naar het ter plaatse heersende referentieniveau blijkt dat de overschrijding van het LAr,LT in de nachtperiode ten opzichte van het referentieniveau in de periode van 6.00 tot 7.00 uur 2 dB(A) bedraagt.

   Wat betreft het betoog van verzoeker dat een hogere geluidnorm dan 40 dB(A) in de dagperiode in strijd is met het ALARA-beginsel, is naar het oordeel van de Voorzitter niet gebleken dat sprake is van een zodanig geluidniveau dat, in afwachting van de behandeling van de hoofdzaak, te dien aanzien een voorlopige voorziening dient te worden getroffen.

   Wat betreft de stelling van verzoeker dat een aantal activiteiten niet is meegenomen in het van de aanvraag deel uitmakende akoestisch onderzoeksrapport en dat als gevolg hiervan de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden niet naleefbaar zijn, ziet de Voorzitter in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de deugdelijkheid wat betreft het akoestisch onderzoek. Voorzover verzoeker vreest dat de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften niet worden nageleefd, merkt de Voorzitter op dat dit bezwaar geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en reeds om die reden niet kan slagen.

   Wat betreft het gebruik van de weegbrug in de nachtperiode, overweegt de Voorzitter dat, nu in voorschrift 3.5 nachtelijke (pluim)veetransporten binnen de inrichting niet zijn toegestaan, het gebruik van de weegbrug gedurende die periode evenmin noodzakelijk is, zodat de Voorzitter hierin geen aanleiding ziet een voorlopige voorziening te treffen.

2.5.    Verzoeker betwist dat het afstromend hemelwater afkomstig van het verharde terrein schoon hemelwater is. Gelet hierop en nu het waterschap geen nieuwe lozingsvergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren zal verlenen aangezien dit in strijd is met haar waterbeheersplan, is verzoeker van mening dat ten onrechte onvoldoende maatregelen aan onderhavige revisievergunning zijn verbonden om nieuwe lozingen op het oppervlaktewater te voorkomen.

2.5.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat het hemelwater afkomstig van het verharde terrein van de inrichting niet verontreinigd is. Verder is hij van mening dat ter bescherming van het openbaar riool en de kwaliteit van het rioolslib voldoende maatregelen in hoofdstuk 4 en 5 van onderhavige vergunning zijn voorgeschreven.

2.5.2.    In de aanvraag om revisievergunning is vermeld dat binnen de inrichting hemelwater, bedrijfsafvalwater (was- en tankplaats) en sanitair afvalwater (woning en kantine) vrijkomt. Vaststaat dat voor het bedrijfsafvalwater afkomstig van de was- en tankplaats en voor het sanitair afvalwater reeds een lozingsvergunning is verleend. Dit wordt door verzoeker overigens ook niet betwist. Voorts is in hoofdstuk 4 en 5 van het bestreden besluit een aantal voorschriften opgenomen met betrekking tot de bescherming van de bodem en het openbaar riool.

   De Voorzitter kan thans niet overzien of verontreinigd hemelwater afkomstig van het verharde terrein van de inrichting in het oppervlaktewater terechtkomt. Gelet op het vorenstaande en na afweging van de betrokken belangen ziet de Voorzitter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

2.6.    Verzoeker vreest dat de opslag van en handelingen met asbest binnen de inrichting leidt tot bodemverontreiniging nu zijns inziens ter voorkoming hiervan in de aan het bestreden besluit verbonden voorschriften onvoldoende maatregelen zijn voorgeschreven. Voorts is niet duidelijk of het personeel voldoende gekwalificeerd is. Verder komt de lijst met Eural codes voor afvalstoffen in voorschrift 7.6 niet overeen met de lijst in de considerans van het bestreden besluit en is niet duidelijk welke bouw- en sloopafval door vergunninghoudster wordt geaccepteerd. Verzoeker vreest dat andere gevaarlijke afvalstoffen dan asbest worden geaccepteerd. Verder is niet duidelijk of bouw- en sloopafval van particulieren wordt gescheiden en afgevoerd of wordt verwerkt in de puinbreker, aldus verzoeker.

2.6.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat de opslag van en handelingen met asbest binnen de inrichting voldoende is geregeld. Hij verwijst hierbij onder meer naar de voorschriften 7.6, 7.10, 7.12 tot en met 7.15, 8.12 en 8.13 waarin maatregelen en voorzieningen met betrekking tot de acceptatie van en controle op de kwaliteit van het afval in het algemeen en asbest in het bijzonder zijn voorgeschreven. Verder wijst hij erop dat in voorschrift 7.10 is vereist dat acceptanten/controleurs van puin en bouw- en sloopafval een cursus asbestherkenning met aantoonbaar positief resultaat dienen te hebben afgesloten. Verweerder acht voldoende duidelijk wat de aard en herkomst van afvalstoffen is. Ter zitting heeft hij toegelicht dat aangeboden bouw- en sloopafval van particulieren - overeenkomstig de aanvraag van 23 december 2003 - wordt gebroken in de puinbreker, nadat eventueel puin is verwijderd. Verder wordt het puin uit eigen sloop-, bestratings- en grondverzetwerkzaamheden gescheiden en afgevoerd, aldus verweerder.

2.6.2.    Wat betreft de opslag van en handelingen met asbest binnen de inrichting is de Voorzitter, gelet op de in hoofdstuk 7 en 8 van de vergunning opgenomen voorschriften ten aanzien van afvalstoffen en de opslag, overslag en bewerking van (afval-)stoffen, van oordeel dat voor onaanvaardbare bodemverontreiniging niet behoeft te worden gevreesd.

    Wat betreft de acceptatie van afvalstoffen dient de lijst met Eural codes voor diverse stoffen in voorschrift 7.6 als bepalend te worden beschouwd, nu aan hetgeen in de considerans is overwogen geen rechten kunnen worden ontleend. Gelet hierop is de Voorzitter van oordeel dat voldoende duidelijk is welke afvalstoffen door vergunninghoudster mogen worden geaccepteerd en opgeslagen.

   Wat betreft de acceptatie van bouw- en sloopafval van particulieren blijkt uit de aanvraag dat dit afval wordt gebroken in de puinbreker.

2.7.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.T. Heijstek-van Leussen, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Heijstek-van Leussen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2005

353.