Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5112

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2005
Datum publicatie
04-05-2005
Zaaknummer
200409620/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 augustus 2003 heeft het dagelijks bestuur van stadsdeel Amsterdam-Noord van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) appellante onder oplegging van een dwangsom gelast de witte ark, zoals afgebeeld op een bij het besluit behorende bijlage, uit de wateren van het stadsdeel te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409620/1.

Datum uitspraak: 4 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 18 oktober 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van stadsdeel Amsterdam-Noord van de gemeente Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2003 heeft het dagelijks bestuur van stadsdeel Amsterdam-Noord van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) appellante onder oplegging van een dwangsom gelast de witte ark, zoals afgebeeld op een bij het besluit behorende bijlage, uit de wateren van het stadsdeel te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 11 augustus 2004 heeft het dagelijks bestuur het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 oktober 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd voorzover het de aan de dwangsom verbonden termijn betreft en bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat het dagelijks bestuur de termijn zodanig vaststelt, dat deze niet verstrijkt binnen twaalf weken na ontvangst van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 26 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 december 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij besluit van 30 november 2004 heeft het dagelijks bestuur, gevolg gevend aan de uitspraak van de voorzieningenrechter, de aan de dwangsom verbonden begunstigingstermijn opnieuw vastgesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij brief van 25 januari 2005 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

Bij brieven van 2 maart 2005 en 24 maart 2005 heeft appellante nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in kopie aan het dagelijks bestuur toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2005, waar appellante in persoon, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. T.M. van Gorsel, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Gelet op de artikelen 6:18 en 6:19, in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), moet het hoger beroep geacht worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 30 november 2004, waarbij het dagelijks bestuur gevolg heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak en de aan de dwangsom verbonden begunstigingstermijn opnieuw heeft vastgesteld.

2.2.    Ingevolge artikel 5:21 van de Awb wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichting is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

   Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

   In artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

   Ingevolge artikel 2.1, aanhef en onder a, van de Verordening op de haven en het binnenwater 1995 (hierna: de verordening), voorzover hier van belang, wordt onder woonboot verstaan een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, dat hoofdzakelijk wordt gebruikt als of is bestemd tot woonverblijf.

   In artikel 2.1, aanhef en onder d, van de verordening is bepaald dat onder pleziervaartuig wordt verstaan een schip, hoofdzakelijk gebruikt en bestemd voor niet-bedrijfsmatige varende recreatie.

   Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, eerste volzin, van de verordening is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders met een woonboot ligplaats in te nemen.

   Ingevolge artikel 2.4, eerste lid, van de verordening is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een woonboot te vervangen.

2.3.    De aanschrijving heeft betrekking op een witte ark die appellante heeft afgemeerd in Zijkanaal K te Amsterdam, naast het eveneens bij haar in gebruik zijnde vaartuig [naam vaartuig]. Appellante gebruikt dat laatste vaartuig reeds geruime tijd voor recreatiedoeleinden. Hoewel het dagelijks bestuur destijds heeft geweigerd hiervoor een ligplaatsvergunning te verlenen, is het vaartuig gedoogd als recreatievaartuig.

2.4.    Het betoog van appellante dat de beslissing op bezwaar niet voldoet aan de eisen die worden gesteld aan de formulering van de dwangsom omdat in dictumonderdeel 5 van dat besluit de term "opleggen" wordt gebruikt, faalt. De voorzieningenrechter heeft terecht vastgesteld dat in dat dictumonderdeel ten onrechte de term "opleggen" van een dwangsom is gehanteerd, waar kennelijk bedoeld is: "verbeuren". Met de voorzieningenrechter is de Afdeling van oordeel dat het gebruik van eerstgenoemde term als een kennelijke verschrijving moet worden aangemerkt, die bij appellante geen misverstand heeft gewekt.

2.5.    Eveneens heeft de voorzieningenrechter terecht en op goede gronden geoordeeld dat noch in de wijze van behandeling van het bezwaarschrift van appellante door het dagelijks bestuur noch in de inhoud van het bestreden besluit een argument is gelegen om te concluderen dat het besluit van 11 augustus 2004 niet als een beslissing op het bezwaarschrift maar als een nieuw primair besluit moet worden aangemerkt. Het hiertegen gerichte betoog van appellante faalt derhalve.

Evenmin volgt de Afdeling appellante in haar betoog dat na de hoorzitting in bezwaar aan het dagelijks bestuur nieuwe feiten of omstandigheden bekend zijn geworden die voor de beslissing op het bezwaarschrift van appellante van aanmerkelijk belang waren en dat derhalve ten onrechte geen toepassing is gegeven aan artikel 7:9 van de Awb.

2.6.    Niet is in geschil dat de in geding zijnde witte ark, gelet op de uiterlijke kenmerken zoals onder andere blijkt uit de overgelegde foto's, gekwalificeerd dient te worden als woonboot in de zin van de verordening.

Voorts is niet in geschil dat appellante niet beschikt over de op grond van artikel 2.2 van de verordening vereiste ligplaatsvergunning, zodat het dagelijks bestuur bevoegd was terzake handhavend op te treden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7.    Ten aanzien van de door appellante gewenste vervanging van haar gedoogde vaartuig [naam vaartuig] door de witte ark is de Afdeling met de voorzieningenrechter van oordeel dat de in artikel 2.4 van de verordening voorziene bevoegdheid tot verlening van een vergunning voor het vervangen van een woonboot uitsluitend betrekking heeft op gelegaliseerde woonboten en derhalve niet op [naam vaartuig]. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat het zich met de strekking van dit artikel niet zou verdragen, indien door toepassing daarvan de weg zou kunnen worden geopend naar legalisatie van illegaal aanwezige woonboten doordat de enkele vervanging daarvan een recht op een ligplaats zou kunnen vestigen. Concreet zicht op legalisatie van de witte ark ontbreekt derhalve.

   Dat, zoals appellante betoogt, in het kanaal waar zij met haar vaartuig ligplaats heeft andere boten wel zijn vervangen door nieuwe woonboten, is niet een bijzondere omstandigheid op grond waarvan van het dagelijks bestuur had mogen worden gevergd van handhavend optreden af te zien, reeds omdat het dagelijks bestuur ter zitting onweersproken heeft aangevoerd dat deze woonboten wel over ligplaatsvergunningen beschikken. Het door appellante ter zitting naar voren gebrachte argument dat de vorige eigenaar op haar ligplaats wel een ligplaatsvergunning had, kan de Afdeling - wat hier ook van zij - als strijdig met een goede procesorde niet in haar beoordeling betrekken, nu het pas ter zitting in hoger beroep is aangevoerd en het dagelijks bestuur hierop niet inhoudelijk heeft kunnen reageren.

   Eveneens juist is het oordeel van de voorzieningenrechter dat appellante geen zodanig zwaarwegend belang heeft gesteld bij het niet voldoen aan de aanschrijving dat het dagelijks bestuur daaraan in redelijkheid meer betekenis had moeten toekennen dan aan het belang van een strikte handhaving van de voorschriften. Anders dan appellante betoogt is haar voorkeur voor het vervangen van het inmiddels betrekkelijk oude vaartuig [naam vaartuig] door de kwalitatief betere witte ark ook niet als een zodanig zwaarwegend belang te beschouwen.

2.8.    Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het beroep tegen het besluit van 30 november 2004 is evenzeer ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het beroep tegen het besluit van 30 november 2004 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.F. Egmond, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Egmond

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2005

97-426.