Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5106

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-04-2005
Datum publicatie
04-05-2005
Zaaknummer
200409814/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 24 november 2004 heeft verweerder (hierna: het dagelijks bestuur) appellante gewaarschuwd dat zij een met het lidmaatschap van de raad van de deelgemeente IJsselmonde (hierna: de deelraad) onverenigbare functie vervult.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409814/1.

Datum uitspraak: 28 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente IJsselmonde

(gemeente Rotterdam),

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij brief van 24 november 2004 heeft verweerder (hierna: het dagelijks bestuur) appellante gewaarschuwd dat zij een met het lidmaatschap van de raad van de deelgemeente IJsselmonde (hierna: de deelraad) onverenigbare functie vervult.

Daartegen heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 december 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 10 december 2004 heeft het dagelijks bestuur een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 december 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. B. Vermeirssen, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door H.J. van Dijk en drs. R.M. van Loon, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 19, eerste lid, eerste volzin, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: EG) bezit iedere burger die verblijf houdt in een Lid-Staat, waarvan hij geen onderdaan is, het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen in de Lid-Staat, waar hij verblijft, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die Staat.

   Ingevolge artikel 3 van het Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het Protocol) verbinden de Hoge Verdragsluitende Partijen zich om met redelijke tussenpozen vrije, geheime verkiezingen te houden onder voorwaarden die de vrije meningsuiting van het volk bij het kiezen van de wetgevende macht waarborgen.

   Ingevolge artikel X1, eerste lid, van de Kieswet houdt een lid van een vertegenwoordigend orgaan op lid te zijn, zodra onherroepelijk is komen vast te staan dat hij een van de vereisten voor het lidmaatschap niet bezit of een met het lidmaatschap onverenigbare betrekking vervult.

   Ingevolge artikel X5, eerste lid, geeft een lid van de gemeenteraad wanneer hij komt te verkeren in een van de gevallen, genoemd in het eerste lid, van artikel X1, hiervan kennis aan de raad, met vermelding van de reden.

   Ingevolge artikel X5, tweede lid, waarschuwen burgemeester en wethouders de belanghebbende schriftelijk, indien de kennisgeving niet is gedaan en zij van oordeel zijn, dat een lid van de gemeenteraad verkeert in een van de gevallen, genoemd in het eerste lid van artikel X1.

   Ingevolge artikel 89, eerste lid, aanhef en onder q, van de Gemeentewet is een lid van de deelraad niet tevens ambtenaar, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt.

2.2.    Appellante betoogt primair dat het besluit van 24 november 2004 onbevoegd genomen is, aangezien ingevolge artikel X5, eerste lid, van de Kieswet niet het dagelijks bestuur maar uitsluitend het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) een waarschuwing, als in die bepaling bedoeld, kan geven.

2.2.1.    Bij besluit van 7 februari 2002 hebben de gemeenteraad, het college en de burgemeester, ieder voorzover het zijn bevoegdheden betreft, de Deelgemeenteverordening 2002 vastgesteld. Deze verordening is van toepassing op de deelgemeente IJsselmonde. Ingevolge artikel 12 van die verordening zijn voor de verkiezing van de leden van de deelraad de bepalingen van de Kieswet inzake de verkiezing van de leden van de gemeenteraad van overeenkomstige toepassing. Redelijke uitleg van deze bepaling brengt met zich dat dit evenzeer geldt voor het bepaalde in hoofdstuk X van die wet, waarin het einde van de lidmaatschap is geregeld. Gelet hierop en gezien het bepaalde in artikel 6, aanhef en onder d, van de verordening, was het dagelijks bestuur bevoegd aan appellante een waarschuwing te geven, als het heeft gedaan. Het betoog faalt.

2.3.    Appellante betoogt voorts dat een verbod op het vervullen van de in artikel 89, eerste lid, van de Gemeentewet vermelde betrekkingen onverenigbaar is met de ratio van deze bepaling. Wil daaraan recht worden gedaan dan moet er, aldus appellante, ruimte zijn voor een beoordeling of het vervullen van één van die betrekkingen daadwerkelijk zal kunnen leiden tot belangenverstrengeling.

2.3.1.    Het onderhavige geval betreft uitsluitend de toepassing van artikel 89, eerste lid, aanhef en onder q, van de Gemeentewet. Anders dan bij het criterium 'ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur', waarop de door appellante vermelde uitspraak van de Afdeling van 20 februari 1997 (AB 1997, 200) ziet en waarvan toepassing naar zijn aard een beoordeling vergt of in het concrete geval van ondergeschiktheid sprake is, is er bij het criterium 'aangesteld door of vanwege het gemeentebestuur', als onder meer opgenomen in artikel 89, eerste lid, aanhef en onder q, van de Gemeentewet, geen ruimte om per geval te beoordelen of van belangenverstrengeling sprake is of kan zijn. Zodanige aanstelling is steeds onverenigbaar met het lidmaatschap van de deelraad. Nu de tekst van de bepaling duidelijk is en niet voor meerdere uitleg vatbaar, komt aan de geschiedenis van de totstandkoming ervan niet de betekenis toe die appellante daaraan gehecht wil zien.

2.4.    Appellante betoogt tenslotte tevergeefs dat de onverenigbaarheid van het lidmaatschap van de deelraad met een aanstelling door of vanwege het gemeentebestuur tot gevolg heeft dat haar in strijd met artikel 3 van het Protocol en artikel 19, eerste lid, eerste volzin, EG het passief kiesrecht voor de verkiezing van de leden van de deelraad en haar door dat verdrag beschermde recht op vrije arbeid wordt ontnomen.

2.4.1.    Artikel 19 EG heeft blijkens de bewoordingen slechts betrekking op het actief en passief kiesrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen van burgers die verblijf houden in een Lid-Staat, waarvan zij geen onderdaan zijn. Daarvan is in dit geval geen sprake, zodat - anders dan appellante kennelijk beoogt te betogen - deze bepaling in dit geval toepassing mist. Evenzeer faalt het beroep van appellante op het recht op vrije arbeid dat besloten ligt in de artikelen 39 en 40 EG. Deze bepalingen hebben naar inhoud en strekking slechts ten doel het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap te waarborgen.

2.4.2.    De aanstelling van appellante als ambtenaar bij de gemeente Rotterdam staat er niet aan in de weg dat zij zich voor de verkiezing van de leden van de deelraad kandidaat stelt en wordt verkozen, zodat van het ontnemen van het passief kiesrecht geen sprake kan zijn. Dat appellante, indien zij wordt gekozen, alvorens tot de deelraad te kunnen worden toegelaten haar aanstelling als ambtenaar zal moeten opgeven, kan niet worden beschouwd als een beperking van het passief kiesrecht. Zij wordt aldus slechts geconfronteerd met het gevolg van haar keuze om zich ondanks haar aanstelling bij de gemeente Rotterdam kandidaat te stellen voor de verkiezing als lid van de deelraad.

2.5.    Blijkens het besluit van 25 augustus 2000 is appellante met terugwerkende kracht tot 1 augustus 1999 door het college aangesteld in vaste dienst van de gemeente Rotterdam. Zij vervult aldus een betrekking die ingevolge artikel 89, eerste lid, aanhef en onder q, van de Gemeentewet met het lidmaatschap van de deelraad onverenigbaar is. Nu zij geen kennisgeving aan de deelraad, als bedoeld in artikel X5, eerste lid, van de Kieswet, heeft gedaan, heeft het dagelijks bestuur haar terecht met toepassing van het bepaalde in het tweede lid van dat artikel een waarschuwing gegeven.

2.6.    Het beroep is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. M. Vlasblom, Leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb    w.g. Van Loon

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2005

284.