Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5104

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2005
Datum publicatie
04-05-2005
Zaaknummer
200407584/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) appellant gelast het door hem gebouwde in overeenstemming te brengen met de aan hem verleende bouwvergunning van 27 januari 1999, onder oplegging van een dwangsom van ƒ 5.000,00 (€ 2.268,90) per week met een maximum van ƒ 250.000,00 (€ 113.445,05) voor iedere week dat het door hem gebouwde niet in overeenstemming met de aan hem verleende bouwvergunning is gebracht "na voornoemde termijn van drie maanden".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407584/1.

Datum uitspraak: 4 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 2 augustus 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) appellant gelast het door hem gebouwde in overeenstemming te brengen met de aan hem verleende bouwvergunning van 27 januari 1999, onder oplegging van een dwangsom van ƒ 5.000,00 (€ 2.268,90) per week met een maximum van ƒ 250.000,00 (€ 113.445,05) voor iedere week dat het door hem gebouwde niet in overeenstemming met de aan hem verleende bouwvergunning is gebracht "na voornoemde termijn van drie maanden".

Bij besluit van 20 juni 2000 heeft het college de verbeurte van de dwangsom opgeschort tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 20 augustus 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en bepaald dat appellant de overtredingen binnen een termijn van drie maanden, ingaande de dag na de dag van verzending van dit besluit, dient te beëindigen.

Bij uitspraak van 2 augustus 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 9 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 10 september 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij besluit van 15 september 2004 heeft het college met toepassing van artikel 5:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)  de in het besluit van 20 augustus 2003 opgenomen looptijd van de last opgeschort in die zin dat deze twee maanden na de uitspraak van de Afdeling aanvangt.

Bij brief van 24 november 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Bij besluit van 17 januari 2005 heeft het college het door appellant tegen het besluit van 7 maart 2000 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant en van het college. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2005, waar appellant in persoon is verschenen. Het college is, met bericht, niet ter zitting verschenen.

Na afloop van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend teneinde een nader stuk van het college te verkrijgen. Bij brief van 18 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 22 maart 2005, heeft het college dit stuk toegezonden. Appellant is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Met toestemming van partijen heeft de Afdeling een nadere zitting achterwege gelaten.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de bij besluit van 7 maart 2000 opgelegde last geacht moet worden te zijn ingetrokken.

   Dit betoog faalt. Bij besluit van 20 juni 2000 heeft het college de verbeurte van de dwangsom opgeschort tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De aldus gestelde termijn valt, naar de rechtbank terecht en op goede gronden heeft overwogen, op zichzelf niet als onredelijk lang aan te merken. Voorts wordt, gelet op die termijn, geen grond gevonden voor het oordeel dat sprake is van een begunstigingstermijn voor onbepaalde tijd. Anders dan appellant betoogt, wordt in de omstandigheid dat de beslissing op bezwaar vervolgens ruim drie jaar na het besluit van 20 juni 2000 tot stand is gekomen, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, bovendien geen grond gevonden voor het oordeel dat de bij besluit van 7 maart 2000 opgelegde last geacht moet worden te zijn ingetrokken. Hierbij is in aanmerking genomen dat gesteld noch gebleken is dat van de zijde van het college op enigerlei wijze de indruk is gewekt dat het in afwijking van de bouwvergunning gebouwde definitief gehandhaafd zou mogen blijven. De door appellant genoemde uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van 10 juni 1989, in zaak no. R03.87.1281 (AB 1990, 206), doet hieraan niet af, nu in die uitspraak een beslissing op bezwaar achterwege is gebleven en in plaats daarvan na een periode van drie jaar een nieuwe aanschrijving is uitgegaan.

2.2.    Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

   Niet in geschil is dat door appellant in afwijking van de op 27 januari 1999 verleende bouwvergunning is gebouwd. Daarom kon het college terzake handhavend optreden.

2.3.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1996" rust op het perceel [locatie], waarop in afwijking van de bouwvergunning is gebouwd, de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden".

   Ingevolge artikel 8.2.5 van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, is per bouwperceel de bouw van een kantine toegestaan. De oppervlakte daarvan mag - inclusief daarbij behorende voorzieningen, zoals een keuken, vergaderruimte en een theorielokaal - 200 m² bedragen; de kantine moet een ondergeschikt onderdeel van de manege zijn.

   Bij besluit van 7 april 1998 is door gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: gedeputeerde staten) goedkeuring onthouden aan (onder meer) artikel 8.2.5 van de planvoorschriften, voorzover in dit artikel de bouwmogelijkheid voor een kantine de 100 m² te boven gaat.

2.5.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat geen sprake is van concreet uitzicht op legalisatie.

   Dit betoog faalt. De stelling van appellant dat uit het besluit van gedeputeerde staten 7 april 1998 kan worden afgeleid dat het opnemen in het bestemmingsplan van een vrijstellingsmogelijkheid voor het realiseren van een kantine met een oppervlakte van maximaal 200 m² voor hen acceptabel is, biedt onvoldoende concreet uitzicht op legalisatie. De stelling van appellant dat gedeputeerde staten bij genoemd besluit een zodanige wijziging in artikel 8.2.5 van de planvoorschriften hebben aangebracht dat deze bepaling onverbindend is, biedt evenmin concreet uitzicht op legalisatie.  Gelet op de redactie van artikel 8.2.5, zoals deze bepaling na (gedeeltelijke) goedkeuring door gedeputeerde staten luidt, vindt de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het goedgekeurde deel van deze bepaling als gevolg van het besluit van gedeputeerde staten in strijd is met de rechtszekerheid en derhalve verbindende kracht mist. Het besluit van gedeputeerde staten staat, nog daargelaten dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat dit besluit in rechte onaantastbaar is, in deze procedure niet ter beoordeling. De brieven van het college van 3 januari 1997 en 17 februari 1997 kunnen evenmin tot het oordeel leiden dat sprake is van concreet zicht op legalisatie, nu deze brieven tot stand zijn gekomen vóór het besluit van gedeputeerde staten van 7 april 1998.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Afdeling ziet geen aanleiding om de begunstigingstermijn te verlengen tot vier maanden na de uitspraak van de Afdeling, zoals door appellant in hoger beroep is verzocht voor het geval het hoger beroep ongegrond zou worden verklaard. Nog daargelaten dat het college de aanvang van de looptijd van de last reeds meerdere malen heeft opgeschort, laatstelijk bij het na het instellen van hoger beroep genomen besluit van 15 september 2004 tot twee maanden na de uitspraak van de Afdeling, kan de Afdeling, gelet op het bepaalde in artikel 8:70, aanhef en onder d, van de Awb, en artikel 8:72, eerste en vierde lid, van de Awb, in onderlinge samenhang, juncto artikel 39, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, uitsluitend een langere begunstigingstermijn vaststellen als het hoger beroep gegrond zou zijn.

2.7.    Bij besluit van 15 september 2004 heeft het college met toepassing van artikel 5:34, eerste lid, van de Awb de in het besluit van 20 augustus 2003 opgenomen looptijd van de last opgeschort tot twee maanden na de uitspraak van de Afdeling. Dit besluit wordt ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding. Tegen dit besluit heeft appellant geen andere gronden aangevoerd dan hiervoor reeds besproken. Het beroep tegen dit besluit kan dan ook niet slagen.

2.8.    Bij besluit van 17 januari 2005 heeft het college het door appellant tegen het besluit van 7 maart 2000 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Ook dit besluit wordt ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb geacht onderwerp te zijn van dit geding.

   Appellant betoogt tevergeefs dat het college zich in dit besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het door appellant gebouwde in strijd is met redelijke eisen van welstand. In het besluit is ingegaan op het door appellant in de bezwaarfase overgelegde tegenadvies van 30 november 2002 van ing. M.J. Dollen (hierna: het tegenadvies). Gelet op de inhoud van het tegenadvies valt niet in te zien dat het college zich in het besluit in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat hierin onvoldoende is ingegaan op het uiterlijk en de plaatsing van het gebouwde op zichzelf. Voorts is het gebouwde naar aanleiding van het tegenadvies opnieuw voorgelegd aan de welstandscommissie. Deze heeft op 24 december 2004 opnieuw negatief geadviseerd. Onder deze omstandigheden heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat het gebouwde niet in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand. Voorts valt, gelet op het in het advies van 24 december 2004 overwogene, niet in te zien dat de welstandscommissie de gevelafwerking uitsluitend heeft getoetst aan het gemeentelijk welstandsbeleid dat met ingang van 1 juli 2004 in werking is getreden.

2.9.    De conclusie is, dat niet kan worden geoordeeld dat het college van handhavend optreden behoorde af te zien. Hieruit volgt, dat de beroepen tegen de besluiten van 15 september 2004 en 17 januari 2005 ongegrond zijn.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het beroep tegen de besluiten van 15 september 2004 en 17 januari 2005 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Schortinghuis

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2005

66-423.