Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5100

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2005
Datum publicatie
04-05-2005
Zaaknummer
200404661/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2004:AO8953
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 januari 2002 heeft appellant het op 16 en 17 februari 2002 in de Jaarbeurs te Utrecht te houden evenement "Trance Energy" verboden voor zover meer dan 25.000 bezoekers zouden worden toegelaten.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet
Gemeentewet 172
Gemeentewet 174
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2005/174 met annotatie van J.L.W. Broeksteeg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200404661/1.

Datum uitspraak: 4 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de burgemeester van Utrecht,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 april 2004 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "ID&T Events B.V", gevestigd te Amsterdam

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2002 heeft appellant het op 16 en 17 februari 2002 in de Jaarbeurs te Utrecht te houden evenement "Trance Energy" verboden voor zover meer dan 25.000 bezoekers zouden worden toegelaten.

Bij besluit van 8 februari 2002 heeft appellant het daartegen door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "ID&T Events B.V." (hierna: ID&T) gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 februari 2003 heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door ID&T ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 3 december 2003 inzake no. 200302229/1 heeft de Afdeling het daartegen door ID&T ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, die uitspraak vernietigd en de zaak naar de rechtbank teruggewezen.

Bij uitspraak van 15 april 2004, verzonden op 26 april 2004, heeft de rechtbank het beroep alsnog gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juni 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 2 juli 2004 heeft ID&T van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. J.P.W. Barendse, ambtenaar der gemeente, en J.G. Hendriksen, chef noodhulp van de politie Utrecht, en ID&T, vertegenwoordigd door [gemachtigde], werkzaam bij ID&T, bijgestaan door mr. J.M. Deveer, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet is de burgemeester belast met het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.

   Ingevolge het tweede lid van deze bepaling is de burgemeester bevoegd bij de uitoefening van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, de bevelen te geven die met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn.

   Ingevolge artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet is de burgemeester bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.

2.2.    Appellant heeft het verbod om meer dan 25.000 bezoekers toe te laten uitgevaardigd en in de beslissing op bezwaar gehandhaafd, met toepassing van artikel 174, tweede lid, en artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet. De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar vernietigd op de grond dat onvoldoende met feiten of andere concrete gegevens is onderbouwd dat er ten aanzien van het op 16 en 17 februari 2002 gehouden evenement sprake was van een zodanig concrete en actuele bedreiging van de veiligheid of gezondheid van bezoekers dat van deze bevelsbevoegdheden gebruik kon worden gemaakt.

   Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van dit oordeel bestreden.

2.3.    Het betoog van appellant treft doel. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat appellant zich ten tijde van het primaire besluit en de beslissing op bezwaar op het standpunt heeft mogen stellen dat bij dit evenement op deze locatie en in aanmerking genomen de beschikbare politiecapaciteit, de aanwezigheid van een hoger bezoekersaantal dan 25.000 tot een concrete, zich direct aandienende, de veiligheid of gezondheid bedreigende situatie zou leiden, zodat appellant bevoegd was het onderhavige verbod uit te vaardigen.

Voor dit standpunt is voldoende steun te vinden in de door appellant aan de beslissing op bezwaar ten grondslag gelegde en ter zitting toegelichte adviezen van de politie, waarmee in het zogeheten driehoeksoverleg tussen politie, justitie en appellant is ingestemd. In deze adviezen is aangesloten bij het door het driehoeksoverleg gekozen beleidsuitgangspunt, dat in een in 1999 aan de Jaarbeurs verzonden brief is neergelegd, inhoudende dat het bezoekersaantal van grootschalige muziekfeesten in de Jaarbeurs moet worden beperkt tot 20.000, mede gelet op de samenstelling en leeftijd van het publiek, de aanwezigheid van grote aantallen mensen in een beperkte ruimte, de uren waarop het feest plaatsvindt, en het gebruik van drugs in combinatie met alcohol. In aanvulling hierop heeft het driehoeksoverleg volgens de beslissing op bezwaar op basis van de door ID&T voor dit evenement gepresenteerde extra veiligheidsmaatregelen een bezoekersaantal van maximaal 25.000 mensen aanvaardbaar geacht. Bij een nog hoger aantal bezoekers zal, volgens de door appellant gedeelde mening van het betrokken politiekorps, de situatie bij een op drift geraakte mensenmassa ongeacht de mate van begeleiding, niet in de hand kunnen worden gehouden.

2.4.    De omstandigheid dat het eveneens door ID&T in de Jaarbeurs georganiseerde "Trance Energy 2001" zonder grote ordeverstoringen is verlopen kan, anders dan de rechtbank heeft overwogen, aan het vorenstaande niet afdoen. Ter zitting heeft de toen aanwezige operationeel commandant van politie toegelicht dat de ervaringen met dat evenement, waarbij tegen de zin van appellant 30.000 mensen aanwezig waren en dat om die reden door meer politiemensen is begeleid dan appellant voor het onderhavige evenement aanvaardbaar acht, niet van dien aard waren dat op basis daarvan een verdergaande versoepeling van het beleidsuitgangspunt dan tot 25.000 bezoekers verantwoord kon worden geacht.

Evenmin deelt de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat de aard van de bevelsbevoegdheden zich niet zou verdragen met het daarbij hanteren van een algemeen beleidsuitgangspunt zoals hiervoor omschreven. Waar zulke bevoegdheden vooraf moeten worden aangewend ter voorkoming van calamiteiten moet appellant onvermijdelijk afgaan op een op de deskundigheid en de ervaring van de politie gebaseerde algemene inschatting en weging van de risico's. Dat daarnaast geen op het onderhavige evenement en het in verband hiermee door ID&T gepresenteerde veiligheidsplan toegespitste beoordeling heeft plaatsgehad, is onjuist, aangezien dat plan voor appellant aanleiding vormde om bij dit evenement 5.000 bezoekers extra toe te laten. Appellant heeft naar het oordeel van de Afdeling de hem bij toepassing van de bevelsbevoegdheden toekomende beoordelingsmarge niet overschreden door zich op het standpunt te stellen dat ongeacht de door ID&T getroffen veiligheidsmaatregelen de aanwezigheid van een hoger bezoekersaantal dan 25.000 tot een concreet voorzienbare en actuele dreigende ordeverstoring zou leiden.

2.5.    Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank de beslissing op bezwaar ten onrechte heeft vernietigd. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    vernietigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink    w.g. Haverkamp

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2005

306.