Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5096

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2005
Datum publicatie
04-05-2005
Zaaknummer
200500703/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een manege op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 7 januari 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200500703/2.

Datum uitspraak: 27 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Bernheze,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een manege op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 7 januari 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 21 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 24 januari 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 21 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 24 januari 2005, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 april 2005, waar verzoeker, in persoon en bijgestaan door mr. M.K. Weterings, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door L.F.M. van den Boogaard, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghouder daar gehoord, bijgestaan door ing. J.B.M. Lauwerijssen, gemachtigde.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag onvolledig is. In dit verband heeft hij aangevoerd dat een aanvullend akoestisch onderzoek ontbreekt en dat op de tekening van de paardenstal de luchtinlaten ten onrechte niet staan aangegeven.

   Hetgeen verzoeker heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu.

2.3.    Verzoeker heeft aangevoerd dat onduidelijk is welke tekeningen deel uitmaken van de bij het bestreden besluit verleende vergunning.

   Blijkens het dictum van het bestreden besluit maken de aanvraag en de daarbij behorende bescheiden deel uit van de vergunning. Bij de op 11 december 2001 ingediende aanvraag is een plattegrondtekening van de inrichting gevoegd. Op 1 april 2004 is de aanvraag gewijzigd in die zin dat de paardenstal mechanisch in plaats van natuurlijk wordt geventileerd. In dit verband is de plattegrondtekening van de inrichting, voorzover het de paardenstal betreft, vervangen door een nieuwe tekening waarop onder meer een centraal afzuigkanaal en een ventilator zijn aangegeven. De Voorzitter is van oordeel dat voldoende duidelijk is dat beide tekeningen in zoverre deel uitmaken van de vergunning.

2.4.    Verzoeker heeft aangevoerd dat de paardenstal in afwijking van de tekening een open zijgevel heeft. Verzoeker is er verder voor beducht dat door het openen van ramen in de paardenstal het ventilatiesysteem niet zal functioneren.

   Blijkens tekening die is gevoegd bij de op 1 april 2004 gewijzigde aanvraag is de paardenstal niet voorzien van een open zijgevel of ramen. Deze grond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid van het treffen van handhavingsmaatregelen indien de vergunning niet wordt nageleefd.

2.5.    Verzoeker heeft betoogd dat een reële bedrijfsvoering niet mogelijk is, aangezien de mechanische ventilatie van de paardenstal een ongezonde (leef)omgeving voor de paarden met zich brengt.

   De Voorzitter overweegt dat het belang bij een economisch rendabele bedrijfsvoering en het belang bij de wijze waarop de dieren in de inrichting worden gehuisvest niet behoren tot het belang van de bescherming van het milieu als bedoeld in artikel 8.10 van de Wet milieubeheer.

2.6.    Ook in hetgeen verzoeker overigens heeft aangevoerd ziet de Voorzitter geen reden tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.7.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. De Vink

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005

154-399.