Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5089

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2005
Datum publicatie
04-05-2005
Zaaknummer
200408504/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 december 2001 heeft appellant (hierna: het college) de op 8 juli 1999 aan de Stichting Thuiszorgwinkels Flevoland, gevestigd te Lelystad, (hierna: de Stichting) krachtens de Arbeidsplaatsenpremieregeling Flevoland 1997 (hierna: de APR 1997) verleende premie definitief vastgesteld op nihil en verzocht het reeds aan haar toegekende voorschot terug te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408504/1.

Datum uitspraak: 4 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Dronten,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 8 september 2004 in het geding tussen:

de besloten vennootschap UNU Zorg en Mobiliteit B.V., gevestigd te Lelystad

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2001 heeft appellant (hierna: het college) de op 8 juli 1999 aan de Stichting Thuiszorgwinkels Flevoland, gevestigd te Lelystad, (hierna: de Stichting) krachtens de Arbeidsplaatsenpremieregeling Flevoland 1997 (hierna: de APR 1997) verleende premie definitief vastgesteld op nihil en verzocht het reeds aan haar toegekende voorschot terug te betalen.

Bij besluit van 18 juni 2002 heeft het college het daartegen door Icare Thuiszorgwinkels B.V., als rechtsopvolgster van de Stichting, (hierna: Icare) gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 september 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het daartegen door UNU Zorg en Mobiliteit B.V., als rechtsopvolgster van Icare, (hierna: UNU) ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 14 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op 18 oktober 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 november 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 december 2004 heeft UNU een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2005, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A. Deuzeman, ambtenaar bij de gemeente, en UNU, vertegenwoordigd door mr. E.R.J. Helmantel, advocaat te Dronten, vergezeld van P. Dekker, accountant van UNU, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, tweede en vierde lid, van de APR 1997 - voor zover hier van belang - wordt premie verstrekt indien een jaar na het tijdstip waarop het project is uitgevoerd het aantal arbeidsplaatsen in het betrokken bedrijf in Dronten met ten minste 15 is verhoogd ten opzichte van het aantal arbeidsplaatsen van het bedrijf op het moment van het indienen van de aanvraag.

   Ingevolge artikel 23, eerste lid, stelt het college het definitieve bedrag van de premie vast met inachtneming van de artikelen 2 tot en met 4 van de verordening.

   Ingevolge artikel 23, tweede lid, kan het college een eerder toegezegde bijdrage intrekken, dan wel op een lager bedrag stellen, indien niet is voldaan aan de bij of krachtens deze verordening op de ondernemer rustende verplichtingen.

   Onder arbeidsplaats wordt in artikel 1, aanhef en onder h, verstaan een in dienstbetrekking bij een bedrijf duurzaam uit te oefenen samenstel van werkzaamheden, waaraan verdeeld over een aaneengesloten periode van 12 maanden ten minste 1.600 uren loonvorming is verbonden.

2.2.    Bij besluit van 8 juli 1999 heeft het college aan de rechtvoorgangster van UNU ten behoeve van een daarbij beschreven in de vestiging in Dronten uit te voeren project premie verleend onder de voorwaarde dat het aantal arbeidsplaatsen zou toenemen met 21,5 van 16 naar 37,5. Het college heeft de premie op 5 december 2001 definitief vastgesteld op nihil, omdat de toename van het aantal arbeidsplaatsen minder bedraagt dan het minimum aantal van 15.

2.3.    De rechtbank heeft het bij haar bestreden besluit wegens (een aantal) motiveringsgebrek(en) vernietigd.

2.4.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college, hoewel vast staat dat UNU aan de bij het besluit van 8 juli 1999 gestelde voorwaarde niet heeft voldaan, een vaststelling op nihil moest volgen en geen sprake kon zijn van een premievaststelling op een lager bedrag. Ten onrechte is de rechtbank er volgens het college aan voorbijgegaan dat het aantal arbeidplaatsen met minder dan 15 is toegenomen, zodat niet is voldaan aan het minimaal vereiste aantal als bepaald in artikel 2, tweede en vierde lid, voornoemd en het college gehouden was de premie bij vaststelling op nihil te stellen.

2.4.1.    UNU, die stelt wel aan de minimale eis te hebben voldaan. heeft omtrent de niet door het college bij de groei van het aantal arbeidsplaatsen meegetelde werknemers in bezwaar en beroep het volgende naar voren gebracht. Van 5,6 fte werknemers staat in verband met het regionale karakter van werkzaamheden die zij voor UNU verrichten, geen standplaats in de arbeidsovereenkomst. Zij verrichten hun werkzaamheden echter vanuit Dronten, waar zich het distributiecentrum bevindt vanwaar zij elders af te leveren materiaal ophalen en waar zij hun instructies ontvangen. Ter zitting is ter zake toegelicht dat om belastingtechnische redenen geen standplaats maar een werkgebied in de arbeidsovereenkomst van deze werknemers is opgenomen. Verder gaat het om drie werknemers die, aldus UNU, nadat hun werkzaamheden vanuit een andere organisatie waren overgeheveld naar de vestiging in Dronten, op basis van detacheringovereenkomsten in Dronten werkzaam zijn. Zij verrichten duurzaam dezelfde werkzaamheden als werknemers van UNU en worden geheel door UNU aangestuurd, zodat gesproken kan worden van een gezagsverhouding. Het betreft voorts oudere werknemers, die uitsluitend vanwege hun anciënniteit en een betere CAO (formeel) in dienst zijn gebleven van hun oude werkgever.

2.4.2.    De doelstelling van de APR 1997 is stimulering van het scheppen van arbeidsplaatsen door middel van toekenning onder voorwaarden van premies. Bij de vraag of die doelstelling is bereikt en bij de vaststelling van het aantal arbeidsplaatsen dat in dit kader is gerealiseerd, dient naar het oordeel van de Afdeling te worden uitgegaan van de feitelijke situatie. Ter zitting heeft het college verklaard niet te twijfelen aan de weergave die UNU heeft gegeven van de arbeidssituatie van de door het college niet meegetelde werknemers. Gegeven de door UNU geschetste situatie moet worden geconcludeerd, dat de 5,6 fte werknemers, hoewel dat niet is vermeld in hun arbeidscontract, feitelijk hun standplaats in Dronten hadden. De door hen bezette arbeidsplaatsen moeten dan ook worden toegerekend aan het project te Dronten. Hetzelfde geldt voor de arbeidsplaatsen van de drie gedetacheerde werknemers. In het algemeen zal in geval van detachering geen sprake zijn van een duurzame dienstbetrekking als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder h, van de APR 1997. Aan de onderhavige arbeidsplaatsen kan het duurzame karakter echter niet ontzegd worden. De betreffende werknemers bezetten een reguliere arbeidsplaats. Slechts vanwege de betere arbeidsvoorwaarden bij hun oude werkgever, zijn zij op hun verzoek niet bij UNU in dienst gekomen, maar op detacheringsbasis tewerkgesteld. Na hun uitdiensttreding zijn zij, zoals door UNU ter zitting is verklaard, vervangen door werknemers in dienst van UNU. Het college heeft zich voorts niet op grond van de door het college van gedeputeerde staten van Flevoland op 2 februari 2001 vastgestelde nota Uitvoering Arbeidsplaatsenpremieregeling 1998 op het standpunt kunnen stellen dat detacheringcontracten niet onder de begripsomschrijving van arbeidsplaats vallen. Dit al omdat de nota geen betrekking heeft op de APR 1997 maar op die van 1998.

2.4.3.    Uit het voorgaande volgt, dat wel is voldaan aan de eis dat het aantal arbeidplaatsen met ten minste 15 moet toenemen. Gelet op het bepaalde in artikel 23, tweede lid, van de APR 1997 is het college bevoegd om in het geval aan de op de ondernemer rustende verplichtingen niet wordt voldaan de verstrekte premie in te trekken dan wel lager vast te stellen. Dit betekent dat, indien, zoals in dit geval, vast staat dat een bij de premietoekenning opgelegde verplichting niet is nagekomen, maar wel is voldaan aan de minimale eis, het college niet gehouden is de definitieve premie op nihil vast te stellen, maar dat het bij die beslissing de daarbij betrokken belangen dient af te wegen en dient te motiveren waarom de premie niet op een lager bedrag kon worden vastgesteld. De rechtbank is terecht ook tot die slotsom gekomen.

    Het beroep van het college op de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2004, zaaknr. 200302553/1 gaat niet op omdat daarin, anders dan in deze, niet was voldaan aan de minimale eis die in dat geval was gesteld aan het te subsidiëren project en dat project - achteraf bezien - in het geheel niet voor subsidie in aanmerking had behoren te komen.

2.5.    Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Het college dient als het in het ongelijk gestelde bestuursorgaan te worden veroordeeld in de proceskosten van UNU.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Dronten tot vergoeding van bij de besloten vennootschap UNU Zorg en Mobiliteit B.V. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Dronten aan de besloten vennootschap UNU Zorg en Mobiliteit B.V. onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2005

47.