Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5086

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2005
Datum publicatie
04-05-2005
Zaaknummer
200407948/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 februari 2004 heeft de gemeenteraad van Ruurlo, thans Berkelland, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 januari 2004, het bestemmingsplan "Slootsdijk 2/Hillebrandsweg" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2005/590
JOM 2007/359
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407948/1.

Datum uitspraak: 4 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2004 heeft de gemeenteraad van Ruurlo, thans Berkelland, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 januari 2004, het bestemmingsplan "Slootsdijk 2/Hillebrandsweg" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 3 augustus 2004, no. RE2004.24952, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 23 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 28 september 2004, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 20 december 2004 meegedeeld dat geen verweerschrift wordt uitgebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2005, waar appellanten, bij monde van [appellant A], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.J.P.T. van Hemmen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar namens de gemeenteraad G.J. Hans, ambtenaar van de gemeente, gehoord.

2.    Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1.    De beroepsgrond van [appellant B] dat hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze mondeling toe te lichten steunt niet op een bij verweerder ingebrachte bedenking.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in een bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenking.

Dit is slechts anders voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake bedenkingen in te brengen.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

Het beroep van [appellant B] is dan ook in zoverre niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Procedurele aspecten

2.3.    [Appellant A] voert als formeel bezwaar aan dat hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze mondeling toe te lichten.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, stelt de gemeenteraad degenen die hun zienswijze kenbaar hebben gemaakt in de gelegenheid tot het geven van een nadere mondelinge toelichting. Blijkens de stukken heeft de gemeenteraad [appellant A] uitgenodigd om zijn zienswijze nader mondeling toe te lichten in de gemeenteraadsvergadering van 28 januari 2004. Niet gebleken is dat [appellant A] ter plaatse geen mogelijkheid heeft gehad om zijn standpunt naar voren te brengen. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat niet voldaan is aan het gestelde in artikel 23, eerste lid, onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Het bezwaar treft geen doel.

Inhoudelijke aspecten

Standpunt appellanten

2.4.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover dit voorziet in de bouw van een woning aan de Hillebrandsweg te Ruurlo. Zij zijn van mening dat het plan op dit punt in strijd is met het in het Streekplan Gelderland 1996 (hierna: het streekplan) verwoorde ruimte-voor-ruimtebeleid en het beleid voor het Landelijk gebied B. De bouw van de woning leidt tot een aantasting van het open landschap en de toeristische beleving ter plaatse, aldus appellanten. Zij betogen voorts dat het plan in zoverre in strijd is met het aan het bestemmingsplan "Buitengebied 1995" ten grondslag gelegde restrictieve beleid inzake woningbouw in het buitengebied. Tot slot vrezen appellanten dat het perceel waarop de nieuwe woning is voorzien zal worden gebruikt voor agrarische activiteiten.

Het bestreden besluit

2.5.    Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plandeel goedgekeurd.

Hij is van mening dat de omstandigheid dat het plan niet in de bouw van een vervangende woning op het agrarische bouwperceel voorziet, geen aanleiding behoeft te vormen het plan in strijd met het in het streekplan opgenomen ruimte-voor-ruimte beleid te achten. Hiertoe voert verweerder aan dat het streekplan weliswaar als uitgangspunt hanteert de bouw van een vervangende woning op de agrarisch bouwkavel, maar dat het voor uitzonderlijke omstandigheden de ruimte biedt voor afwijking van dit uitgangspunt, zonder daarvoor de in het streekplan vermelde afwijkingsprocedure te volgen. Hij meent dat een dergelijke uitzonderlijke situatie zich in het onderhavige geval voordoet.

Vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.1.    Het plan voorziet in een herziening van de bestemmingsplannen "Buitengebied 1995" en "Zuidelijke Verbindingsweg", om zodoende het opheffen van een agrarisch bouwperceel aan de Slootsdijk 2 te Ruurlo (de saneringslocatie) en de bouw van een woning aan de Hillebrandsweg te Ruurlo (de ontwikkelingslocatie) mogelijk te maken.

Aan de gronden ter hoogte van de ontwikkelingslocatie is in het plan de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden" en de medebestemming "Woning" gegeven. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften - voorzover hier van belang - zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor:

a. de uitoefening van het agrarisch bedrijf en voor het behoud en het herstel en verbetering van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden;

b. voor zover de gronden als zodanig zijn aangewezen zijn zij mede bestemd voor wonen.

De afstand tussen de saneringslocatie en de ontwikkelingslocatie bedraagt ongeveer 2 kilometer.

2.6.2.    De saneringslocatie en de ontwikkelingslocatie zijn in het streekplan aangeduid als "Landelijk gebied C" respectievelijk "Landelijk gebied B". In het streekplan is onder andere als essentiële beleidsuitspraak opgenomen dat het landelijk gebied zoveel mogelijk wordt gevrijwaard van functies die daar niet thuishoren. Voorts is als essentiële beleidsuitspraak opgenomen dat de belangrijkste functie in de landelijke gebieden B en C natuur respectievelijk landbouw is.

In het streekplan, zoals dat luidt na de tweede partiële herziening, is in paragraaf 3.4.2., onder de subparagraaf "Woningbouw op het agrarisch bouwperceel", vermeld dat de realisering van een woning in combinatie met de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen mogelijk is, indien wordt voldaan aan een aantal voorwaarden:

1. In de landelijkgebiedscategorieën B en C en in de kernen is de bouw van een vervangende woning op het agrarisch bouwperceel in beginsel toegestaan. Planologische medewerking is aanvaardbaar indien het bouwperceel niet ligt in een gebied met hoge cultuurhistorische, ecologische of landschappelijke waarden.

(…)

5. De vervangende woning is architectonisch en ruimtelijk zorgvuldig ingepast, rekening houdend met landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

(…)

Blijkens de toelichting op de laatstgenoemde voorwaarde wordt de vervangende woning nabij de bestaande woning op het agrarisch bouwperceel gesitueerd. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden kan hiervan worden afgeweken.

In pagraaf 5.5. van het streekplan onder de subparagraaf "planafwijking" is vermeld: "Wanneer zich een ontwikkeling voordoet die niet past binnen het in dit plan neergelegde beleid zal worden bekeken of er ondanks deze strijdigheid toch redenen aanwezig zijn om een dergelijke ontwikkeling positief tegemoet te treden. Hierbij worden de verschillende belangen tegen elkaar afgewogen. Wanneer wordt geoordeeld dat een dergelijke ontwikkeling mogelijk zou moeten zijn, wordt vervolgens bekeken of deze ontwikkeling niet strijdig is met de essentiële beleidsuitspraken in hiervoor geschetste zin. Indien dit niet het geval is kan door Gedeputeerde Staten een voornemen tot afwijken worden voorgelegd aan de Provinciale Planologische Commissie en de Statencommissie Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting. Daarbij moet worden aangetoond dat de afwijking niet ten koste gaat van de samenhang van het ruimtelijk beleid. De Provinciale Planologische Commissie en de Statencommissie Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting wordt gevraagd zowel over de inhoud van de afwijking als over de te volgen procedure advies uit te brengen."

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    Gezien de bewoordingen van de eerste voorwaarde van het in het streekplan verwoorde ruimte-voor-ruimtebeleid moet het er voor worden gehouden dat de bouw van een vervangende woning in de landelijke gebieden B en C uitsluitend mogelijk is op het desbetreffende agrarisch bouwperceel. Voorzover verweerder ter zitting heeft gewezen op de toelichting op de vijfde voorwaarde van dit beleid overweegt de Afdeling dat deze toelichting in samenhang met de vijfde voorwaarde niet zodanig kan worden uitgelegd dat daarin een uitzondering wordt mogelijk gemaakt op het gestelde in de eerste voorwaarde. Deze uitzondering ziet op het uitgangspunt dat de vervangende woning op het agrarisch bouwperceel in de nabijheid van de bestaande woning wordt gebouwd. In dit geval stelt de Afdeling, gelet op de eerdergenoemde afstand tussen de saneringslocatie en de ontwikkelingslocatie, vast dat het plan niet voorziet in de bouw van een vervangende woning op de agrarische bouwkavel. Gelet op het voorgaande is het plan op dit punt derhalve niet in overeenstemming met het streekplan. De Afdeling stelt verder vast dat het in het onderhavige geval niet-essentiële beleidsuitspraken uit het streekplan betreft.

Zoals in punt 2.6.2. is overwogen is afwijking hiervan slechts mogelijk, indien de in paragraaf 5.5. onder de subparagraaf "planafwijking" van het streekplan opgenomen afwijkingsprocedure wordt gevolgd. Verweerder heeft dit miskend en geen afwijkingsprocedure als hiervoor bedoeld in gang gezet.

2.7.1.    Gelet op het vorenstaande is het beroep van [appellant B], voorzover ontvankelijk, en het beroep van [appellant A] gegrond.

In verband hiermee dient het bestreden besluit, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden" en de medebestemming "Woning", te worden vernietigd wegens strijd met artikel 4a, tiende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Gezien het voorgaande behoeft hetgeen [appellant B] en [appellant A] overigens hebben betoogd met betrekking tot dit plandeel geen bespreking.

Proceskostenveroordeling

2.8.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellant B] niet-ontvankelijk voorzover hij niet de mogelijkheid zou hebben gehad de zienswijze mondeling toe te lichten;

II.    verklaart het beroep van [appellant B], voorzover ontvankelijk, en het beroep van [appellant A] gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 3 augustus 2004, no. RE2004.24952, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden" en de medebestemming "Woning";

IV.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 38,37; dit bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan appellanten;

V.    gelast dat de provincie Gelderland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 136,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto    w.g. Verbeek

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2005

388-466.