Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT5082

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2005
Datum publicatie
04-05-2005
Zaaknummer
200502795/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 februari 2005, kenmerk 2005/3460, heeft verweerder het verzoek van verzoeker om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot het productiebedrijf voor diervoeding en kauwartikelen voor honden van [vergunninghouder], gelegen aan de [locatie] te [plaats], afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502795/1.

Datum uitspraak: 25 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Almelo,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2005, kenmerk 2005/3460, heeft verweerder het verzoek van verzoeker om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot het productiebedrijf voor diervoeding en kauwartikelen voor honden van [vergunninghouder], gelegen aan de [locatie] te [plaats], afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Bij brief van 29 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2005, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 april 2005, waar verzoeker in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. ing. M. de Wever en M.T. Hendriks, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij uitspraak van 19 januari 2005 inzake no. 200401608/1 heeft de Afdeling het besluit van verweerder van 6 januari 2004, kenmerk 03.09/M41, waarbij een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer was verleend aan vergunninghouder, vernietigd. Vergunninghouder dient derhalve te voldoen aan de bij besluit van 1 september 1998 verleende oprichtingsvergunning en de daaraan verbonden voorschriften.

2.2.    Het verzoek om handhaving heeft betrekking op de naleving van voorschrift 8.1 behorende bij de oprichtingsvergunning van 1 september 1998. Verzoeker stelt dat de droogcapaciteit van de droogkamers ten opzichte van de vergunde situatie is uitgebreid en dat voorts de droogkamers niet slechts voor het drogen van botten worden gebruikt. Verder is de inrichting na het verlenen van de oprichtingsvergunning uitgebreid met de panden [locaties]. Als gevolg hiervan kan zijns inziens niet aan de in voorschrift 8.1 opgenomen geurnorm worden voldaan. Verzoeker is  van mening dat onderzoek had moeten worden verricht naar de geurhinder vanwege de inrichting.

2.2.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van overtreding van voorschrift 8.1. Hij erkent dat binnen de inrichting feitelijk een aantal wijzigingen heeft plaatsgevonden, maar dit heeft er zijns inziens niet toe geleid dat de geurbelasting is toegenomen. Verweerder wijst er in dit verband op dat door de realisatie van twee zeecontainers (droogkamers) op het buitenterrein van elk twaalf meter in plaats van elk zes meter de capaciteit van het droogproces niet is vergroot. Dit heeft volgens hem te maken met de ruimte in de containers die nodig is voor de luchtcirculatie en met de begrenzing van de hoeveelheid te verwerken vleesproducten door het verwerkingsproces binnen de inrichting. Het drogen van andere producten dan botten was reeds vergund in de oprichtingsvergunning, aldus verweerder. De uitbreiding met de eerdergenoemde panden leidt volgens verweerder evenmin tot een toename van de geurbelasting nu het daar op- en overslag van eindproducten betreft. Verweerder acht zich dan ook niet bevoegd handhavend op te treden.

2.2.2.    Ingevolge voorschrift 8.1 van de oprichtingsvergunning mogen de uit de inrichting afkomstige geurstoffen op het industrieterrein op 200 m van de erfafscheiding van het terrein van de inrichting, de uurgemiddelde immissieconcentratie van 1,1 geureenheid per m3 gedurende 98% van de tijd per jaar niet overschrijden.

2.2.3.    De Voorzitter is, gelet op de thans bekende feiten en omstandigheden, van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de inrichting niet aan de in voorschrift 8.1 opgenomen geurnorm voldoet, wat er ook zij van de feitelijke vergroting van de droogkamers op het buitenterrein en van de uitbreiding van de inrichting met de panden [locaties]. De Voorzitter ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder het verzoek van verzoeker om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen niet had mogen afwijzen.

2.3.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe dient te worden afgewezen.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.T. Heijstek-van Leussen, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Heijstek-van Leussen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2005

353.