Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4751

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2005
Datum publicatie
27-04-2005
Zaaknummer
200402427/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2003 heeft de gemeenteraad van Amersfoort, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 juni 2003, het bestemmingsplan "Vathorst, gedeeltelijke herziening Kantorenlocatie 2003" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2005/2379
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200402427/1.

Datum uitspraak: 27 april 2005.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de Belangenvereniging Hooglanderveen (hierna te noemen: de Belangenvereniging), gevestigd te Hooglanderveen,

2.    [appellant sub 2], wonend te Hooglanderveen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2003 heeft de gemeenteraad van Amersfoort, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 juni 2003, het bestemmingsplan "Vathorst, gedeeltelijke herziening Kantorenlocatie 2003" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 27 januari 2004, no. 2004REG000097i, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben de Belangenvereniging bij brief van 19 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2004, en [appellant sub 2] bij brief van 22 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 5 juli 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht (hierna: het deskundigenbericht) uitgebracht, gedateerd 28 oktober 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van de gemeenteraad van Amersfoort. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2005, waar de Belangenvereniging, vertegenwoordigd door G.G. Hilhorst, gemachtigde, [appellant sub 2], in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. M. van Gessel, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad, vertegenwoordigd door D. Schalks, ambtenaar van de gemeente, en Ontwikkelingsbedrijf Vathorst Beheer B.V., vertegenwoordigd door G. van der Vlies en G.J. Groeneveld, gemachtigden.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Standpunt appellanten

2.2.    Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het bestemmingsplan.

2.2.1.    Volgens hen miskende verweerder dat de gemeenteraad blijk heeft gegeven van onbehoorlijk bestuur, nu hij slechts enkele maanden na de vaststelling van het bestemmingsplan "Vathorst" is overgegaan tot een ingrijpende herziening van dit bestemmingsplan. De Belangenvereniging stelt voorts dat het bestemmingsplan in feite een vergroting van de kantorenlocatie mogelijk maakt, hetgeen gezien de leegstand van kantoren momenteel ook blijk geeft van onbehoorlijk bestuur. De Belangenvereniging betoogt bovendien dat het bestemmingsplan, ten opzichte van hetgeen waarin het bestemmingsplan "Vathorst" voorzag, een verschuiving van de kantorenlocatie in de richting van het dorp Hooglanderveen mogelijk maakt van ongeveer 125 meter. [appellant sub 2] stelt in dit verband dat de kantorenlocatie zes hectare groter wordt. Volgens appellanten is het voorgaande in strijd met de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2004, no. 200302189/1. Door de verschuiving van de kantorenlocatie kunnen volgens appellanten minder woningen worden gebouwd tussen de ontsluitingsweg de Randboulevard en Hooglanderveen, hetgeen een aantasting van het draagvlak voor het voorzieningenniveau van dit dorp tot gevolg heeft en een aantasting van het woongenot van [appellant sub 2]. Voorts vrezen appellanten voor een aantasting van de identiteit van Hooglanderveen, doordat het bestemmingsplan de bouw van twee woontorens met een maximale bouwhoogte van 56 respectievelijk 38 meter mogelijk maakt op geringe afstand van dit dorp.

Het bestreden besluit

2.3.    Verweerder heeft het bestemmingsplan niet in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening en heeft het goedgekeurd. Hij stelt dat de gemeenteraad voldoende duidelijk heeft gemotiveerd waarom het noodzakelijk is om kort na de vaststelling van het bestemmingsplan "Vathorst" over te gaan tot een herziening daarvan en dat er derhalve geen aanleiding is om onbehoorlijk bestuur van de zijde van de gemeenteraad aanwezig te achten. Voorts brengt het bestemmingsplan volgens verweerder geen verandering in de in het bestemmingsplan "Vathorst" opgenomen maximale oppervlakte aan kantoren. Volgens verweerder doet zich geen aantasting van het draagvlak van het voorzieningenniveau in Hooglanderveen voor, nu dit draagvlak met name gezocht moet worden in het dorp zelf en niet afhankelijk is van de te bouwen woningen in de wijk Vathorst. De identiteit van Hooglanderveen wordt volgens verweerder evenmin aangetast, omdat het kantoorgebouw met een maximale bouwhoogte van 38 meter op ongeveer 280 meter afstand van het dorp komt te staan en het kantoorgebouw met een maximale bouwhoogte van 56 meter op een afstand van ongeveer 480 meter.

Vaststelling van de feiten

2.4.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.1.    Met het bestemmingsplan wordt het bestemmingsplan "Vathorst" herzien, voorzover het betreft de ontwikkeling van het plandeel met de bestemming "Uit te werken woondoeleinden, bedrijfsdoeleinden en kantoordoeleinden -UWBK-" met de aanduiding "stationslocatie" (hierna: de kantorenlocatie) in het noordoosten van het stadsdeel Vathorst langs de Rijksweg A28. Voor de invulling van de kantorenlocatie is na de vaststelling van het bestemmingsplan "Vathorst" een stedenbouwkundig plan gemaakt. De volgens dat plan beoogde bebouwing en inrichting van de kantorenlocatie wijken af van de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan "Vathorst". Een gedeelte van de nieuwbouw is hoger dan op grond van deze uitwerkingsregels is toegestaan en bovendien treedt het plan voor de kantorenlocatie gedeeltelijk buiten de grenzen van het voor kantoren in het bestemmingsplan "Vathorst" aangewezen gebied. Daarnaast wordt plaatselijk de plangrens van bestemmingsplan "Vathorst" aan de zijde van de A28 overschreden.

2.4.2.    In de plantoelichting wordt gesteld dat in het stedenbouwkundige plan een zodanige inrichting van het plangebied, dat door grootschalige infrastructuur als de Rijksweg A28, een spoorlijn en de ontsluitingsweg de Randboulevard wordt omsloten, wordt voorgestaan, dat daarmee een kantorenlocatie kan worden aangelegd met een campusachtige uitstraling. Naast kantoren met een totale omvang van maximaal 150.000 m² bruto kantooroppervlak voorziet het plan in een multifunctionele bebouwing rondom het station, waarin onder andere publieke en commerciële voorzieningen, horeca en woningen zijn opgenomen. Voorts is ruimte gereserveerd voor de mogelijke ontwikkeling van een transferium. Met betrekking tot de openbare ruimte wordt gestreefd naar een sterk centraal hart van de campus met een landschappelijke inrichting en waterpartijen. Tevens is tussen de A28 en de campus een brede landschappelijke bufferzone voorzien, waarin rekening is gehouden met de toekomstige toegangsweg vanaf de nieuwe afslag van de A28. Verder is in het plan gekozen voor een duidelijke verbindingsas van het hart van de campus naar het nieuwe station.

   De gemeenteraad acht verschuiving en vergroting van de kantorenlocatie noodzakelijk teneinde de campusachtige uitstraling van de kantorenlocatie te kunnen bewerkstelligen. In dit verband stelt de gemeenteraad dat de hoogwaardige kwaliteit van de kantorenlocatie met een dergelijke uitstraling mede wordt bepaald door de grote onbebouwde landschappelijke gebieden in het plan, waarmee de ontwikkeling van de locatie aan beide zijden van de spoorverbinding zich niet verdraagt. Om deze reden is gekozen voor de ontwikkeling van een samenhangende kantorenlocatie aan de oostzijde van het spoor, aldus de gemeenteraad.

2.4.3.    Ingevolge artikel 4, tweede lid, onder 2.1.5., sub 3, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Vathorst" mag ten behoeve van de kantoren ter plaatse een bedrijfsvloeroppervlakte van ten hoogste 150.000 m² worden aangewezen.

In het thans bestreden bestemmingsplan is geen artikel opgenomen dat ziet op het voorgaande, waardoor dit voorschrift onverkort van toepassing blijft.

2.4.4.       In haar uitspraak van 4 februari 2004, no. 200302189/1, met betrekking tot het uitwerkingsplan "Vathorst, uitwerkingsplan Randboulevard 2002", heeft de Afdeling onder meer het volgende overwogen:

       "Zoals in 2.1 is overwogen dient verweerder naast de toetsing aan de uitwerkingsregels te bezien of het plan binnen deze regels niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening en het recht.

   Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verschuiving van de randboulevard het gevolg is van de wens van de gemeenteraad om het gebied dat op de kaart van het bestemmingsplan de bestemming "UWBK" en de aanduiding "stationslocatie" (hierna: de kantorenlocatie) heeft, te vergroten in zuidelijke richting en van het in de toelichting van het bestemmingsplan opgenomen uitgangspunt dat de hoofdverkeersontsluitingsweg de begrenzing vormt tussen dit gebied en het woongebied. Het bestemmingsplan voorziet echter niet in vergroting van de kantorenlocatie. Door de verschuiving van de randboulevard kan de kantorenlocatie worden vergroot. Ten behoeve van herziening van de grens van de kantorenlocatie was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een ontwerpbestemmingsplan in procedure gebracht. Met de vergroting van de kantorenlocatie wordt het mogelijk dat de kantoren, tentoonstellings- en beursgebouwen, waarin de bestemming "UWBK" met de aanduiding "stationslocatie" voorziet, op een afstand variërend van 150 tot 200 meter van de bebouwing van Hooglanderveen worden gebouwd.

   Nu verweerder het uitwerkingsplan heeft goedgekeurd zonder dit plan in samenhang te bezien met de mogelijke vergroting van de kantorenlocatie, is het bestreden besluit naar het oordeel van de Afdeling genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De Afdeling acht hierbij van belang dat de in de uitwerkingsregels opgenomen ruimte voor de ligging van de randboulevard is gebruikt ten behoeve van een ontwikkeling die niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan.

       Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart."

2.4.5.    In het deskundigenbericht wordt gesteld dat de in het bestreden bestemmingsplan mogelijk gemaakte vergroting van de kantorenlocatie een verkleining betekent van het gebied tussen deze locatie en Hooglanderveen. In dit gebied waren in het bestemmingsplan "Vathorst" woningen voorzien. Als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan kunnen ter plaatse minder woningen worden gebouwd, waardoor het aantal potentiële klanten en/of gebruikers van de dorpsvoorzieningen zal afnemen. Bestaande ondernemers in Hooglanderveen kunnen echter wel profiteren van het koopgedrag van het toekomstige kantoorpersoneel, aldus het deskundigenbericht. Hieruit wordt in het deskundigenbericht geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat als gevolg van het bestemmingsplan het draagvlak voor het voorzieningenniveau ten opzichte van de huidige situatie zal dalen.

2.4.6.    Voorts is in het deskundigenbericht gesteld dat de afstand tussen de woning van [appellant sub 2] en de kantorenlocatie ongeveer 65 meter wordt. Het bestemmingsplan heeft aanzienlijke gevolgen voor de situatie van appellant, aldus het deskundigenbericht.

2.4.7.    Ingevolge artikel 4, vierde lid, onder 4.4., sub 2, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Vathorst", voor zover hier van belang, mag de hoogte van de bouwwerken voor kantoren ten hoogste 30 meter bedragen.

Ingevolge artikel 3 van de planvoorschriften van het bestreden bestemmingsplan wordt aan artikel 4, vierde lid, onder 4.4., van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Vathorst" een bepaling sub 3 toegevoegd die als volgt luidt: In afwijking van het bepaalde onder 2. mag in het deelgebied Kantorenlocatie Vathorst ongeveer ter plaatse van de nadere aanduidingen daartoe op de plankaart de hoogte van de gebouwen ten hoogste 38 respectievelijk 56 meter bedragen.

   In de plantoelichting wordt gesteld dat de kantorenlocatie een belangrijke beeldbepalende functie heeft voor de wijk Vathorst vanaf de omliggende infrastructuur. Het stedenbouwkundige plan bevat daarom twee gebouwen die hoger zijn dan de andere voorziene kantoorgebouwen in het gebied, hetgeen vervolgens met het bestemmingsplan mogelijk is gemaakt. Volgens de gemeenteraad is hiermee voorzien in twee hoogteaccenten, welke zijn bedoeld om een hoogwaardig plan te verkrijgen en het gebied temidden van grootschalige begrenzingselementen een eigen gezicht te geven.

   Gelet op het deskundigenbericht is de kortste afstand van het kantoorgebouw met een maximale bouwhoogte van 56 meter tot de bebouwing binnen de kern Hooglanderveen ongeveer 550 meter. De kortste afstand tussen het kantoorgebouw met een maximale bouwhoogte van 38 meter tot de bebouwing binnen de kern Hooglanderveen is ongeveer 300 meter, aldus het deskundigenbericht. Voorts wordt in het deskundigenbericht gesteld dat Hooglanderveen gekenmerkt wordt door kleinschaligheid. In het buitengebied komen verspreid vrijstaande woningen voor. Volgens het deskundigenbericht komt Hooglanderveen als gevolg van het plan te liggen in een stedelijke omgeving. Desalniettemin bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat het karakter van Hooglanderveen als gevolg van het bestemmingsplan onaanvaardbaar zal worden aangetast, aldus het deskundigenbericht.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.    Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de gemeenteraad geen blijk heeft gegeven van onbehoorlijk bestuur door het bestemmingsplan "Vathorst" betrekkelijk kort na de vaststelling daarvan te herzien. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de gemeenteraad de noodzaak van de herziening van genoemd bestemmingsplan voldoende heeft gemotiveerd. Het standpunt van verweerder dat het bestemmingsplan niet voorziet in een uitbreiding van de maximale bedrijfsvloeroppervlakte voor kantoren is juist. Aan het betoog van de Belangenvereniging dat het bestemmingsplan de bouw van meer kantoren mogelijk maakt dan in het bestemmingsplan "Vathorst" mogelijk was terwijl een grote hoeveelheid kantoren momenteel leegstaat, heeft verweerder geen overwegende betekenis behoeven toe te kennen. Ook op dit punt ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder heeft miskend dat de gemeenteraad blijk heeft gegeven van onbehoorlijk bestuur.

2.5.1.     Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de Afdeling in haar uitspraak, die in overweging 2.4.4. is aangehaald, de samenhang tussen het bestemmingsplan "Vathorst" en het uitwerkingsplan "Vathorst, uitwerkingsplan Randboulevard 2002" heeft erkend en het destijds bestreden besluit heeft vernietigd omdat verweerder het uitwerkingsplan ten onrechte niet had bezien in samenhang met de mogelijke vergroting van de kantorenlocatie. De uitspraak strekte derhalve, in tegenstelling tot hetgeen appellanten stellen, niet tot de conclusie dat de vergroting en verschuiving van de kantorenlocatie in strijd is met hetgeen de Afdeling in voornoemde uitspraak heeft overwogen.

2.5.2.    Mede gelet op het deskundigenbericht heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich als gevolg van het plan niet een zodanige aantasting van het draagvlak van het voorzieningenniveau van Hooglanderveen zal voordoen dat hieraan doorslaggevende betekenis dient te worden toegekend.

2.5.3.     Gezien het deskundigenbericht heeft het bestemmingsplan en dan met name de verschuiving van de kantorenlocatie gevolgen voor het woongenot van [appellant sub 2]. Desalniettemin bestaat, mede gezien het belang van de aanleg van de kantorenlocatie op de wijze als in het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, geen aanleiding voor het oordeel dat het woongenot van appellant zozeer wordt aangetast dat verweerder daaraan in redelijkheid doorslaggevende betekenis had moeten toekennen.

2.5.4.    De Afdeling is op grond van de stukken, waaronder het deskundigenbericht, niet gebleken dat met de bouw van de twee kantoren met een maximale bouwhoogte van 38 respectievelijk 56 meter, zoals het bestemmingsplan mogelijk maakt, de identiteit van Hooglanderveen in ernstige mate wordt aangetast.

2.5.5.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

De beroepen zijn ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman    w.g. Kooijman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005.

177-445.