Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4750

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2005
Datum publicatie
27-04-2005
Zaaknummer
200404265/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort het uitwerkingsplan "Vathorst, uitwerkingsplan Randboulevard 2002" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200404265/1.

Datum uitspraak: 27 april 2005.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort het uitwerkingsplan "Vathorst, uitwerkingsplan Randboulevard 2002" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 18 februari 2003, no. 2003REG000212i, beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan.

De Afdeling heeft bij uitspraak van 4 februari 2004, no. 200302189/1, het besluit van verweerder van 18 februari 2003 deels vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 16 maart 2004, no. 2004REG000208li, opnieuw beslist over de goedkeuring van dit deel van het uitwerkingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 22 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 19 augustus 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2005, waar [appellant], in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. M. van Gessel, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort, vertegenwoordigd door D. Schalks, ambtenaar van de gemeente, en het Ontwikkelingsbedrijf Vathorst, vertegenwoordigd door G. van der Vlies en G.J. Groeneveld, gemachtigden.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een uitwerkingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voorzover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Standpunt appellant

2.2.    [appellant] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte opnieuw goedkeuring heeft verleend aan een deel van het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden", dat voorziet in de aanleg van een deel van de ontsluitingsweg de Randboulevard.

2.3.    [appellant] betwist de stelling van verweerder dat de reden voor de verschuiving van het tracé van de Randboulevard ten opzichte van hetgeen het bestemmingsplan "Vathorst" mogelijk maakte, wordt gevormd door de omstandigheid dat daardoor een beter verkeerstechnisch verloop wordt bewerkstelligd. In dit verband stelt hij dat gelet op verkeerswetenschappelijke inzichten geen goede verkeerstechnische redenen bestaan voor de verschuiving van het tracé. Bovendien zal de geluidbelasting op zijn woning als gevolg van het plan volgens hem de 50 dB(A) overschrijden, zodat het uitwerkingsplan niet aan de Wet geluidhinder voldoet.

Bestreden besluit

2.4.    Verweerder heeft dit deel van het uitwerkingsplan niet in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening en heeft het goedgekeurd. Hij stelt dat het stedenbouwkundige plan voor de invulling van de kantorenlocatie ten noordoosten van de Randboulevard noopte tot verschuiving van het tracé naar het zuiden. Hiermee kan volgens verweerder de Randboulevard de grens blijven vormen tussen de kantorenlocatie en het woongebied ten zuiden daarvan. Tevens kan hiermee aan het tracé van de Randboulevard verkeerstechnisch een beter verloop worden gegeven, omdat de knik in het zuidoostelijke deel van de totale aanduiding "hoofdverkeersontsluiting" op de plankaart van het bestemmingsplan "Vathorst", op deze wijze uit het tracé kan worden gehaald, aldus verweerder. Verweerder heeft inmiddels het bestemmingsplan "Vathorst, gedeeltelijke herziening kantorenlocatie 2003" goedgekeurd. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is dat bestemmingsplan in combinatie met de bestemming "Verkeersdoeleinden" in het uitwerkingsplan volgens verweerder aanvaardbaar.

Vaststelling van de feiten

2.5.    Het uitwerkingsplan betreft een gedeeltelijke uitwerking van het bestemmingsplan "Vathorst". Het voorziet in de aanleg van een hoofdverkeersontsluitingsweg voor het gebied Vathorst en in de aanleg van een gedeelte van een spoorweg ter hoogte van het station.

2.5.1.    In de plantoelichting is gesteld dat de noodzaak voor de aanleg van de Randboulevard ligt in een goede verkeersafwikkeling van het gebied Vathorst. De gemeenteraad betoogt dat de Randboulevard tussen de kantorenlocatie en het woongebied ligt, waarmee de logische begrenzing tussen de deelgebieden in Vathorst is gegeven. Het opschuiven van het tracé van de Randboulevard ten opzichte van hetgeen in het bestemmingsplan "Vathorst" mogelijk werd gemaakt, is volgens de gemeenteraad een direct resultaat van het opschuiven van de kantorenlocatie.

2.5.2.    In de plantoelichting is voorts gesteld dat ten aanzien van de aanleg van de Randboulevard in het kader van de totstandkoming van het bestemmingsplan akoestisch onderzoek is verricht ter bepaling van de contouren langs de weg waar de geluidbelasting vanwege het wegverkeer de wettelijke voorkeursgrenswaarde bereikt. Wat betreft de woning van appellant heeft het onderzoek het volgende opgeleverd. De woning Veldbeemd 9 ligt aan de oostzijde van Hooglanderveen en komt in de toekomst te liggen binnen de geluidszone van de Randboulevard. De afstand van de wegas tot de gevel van de woning bedraagt ongeveer 45 meter. De te verwachten geluidbelasting op deze woning bedraagt 48 d(B)A. Hierbij is rekening gehouden met een toeslag voor de nabijgelegen rotonde. Nadere geluidsbeperkende maatregelen voor deze woning zijn niet nodig.

Oordeel van de Afdeling

2.6.    De stelling van appellant dat aan de keuze om de Randboulevard naar het zuiden te verschuiven geen verkeerstechnisch argument ten grondslag kan hebben gelegen, volgt de Afdeling niet. Gelet op de stukken heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze verschuiving het verkeerstechnische verloop van het tracé en de veiligheid ter plaatse ten goede kan komen.      

2.6.1.    Voorts heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek dat is verricht om te kunnen bepalen waar langs de Randboulevard de geluidbelasting vanwege het wegverkeer de wettelijke voorkeursgrenswaarde bereikt, zodanige leemten of gebreken in kennis vertoont dat verweerder zich hierop niet had mogen baseren. In dit verband heeft verweerder in het betoog van appellant dat de te verwachten geluidbelasting op zijn woning de geluidnorm van 50 d(B)A overschrijdt in redelijkheid geen aanleiding behoeven te vinden goedkeuring te onthouden.

2.6.2.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan dit gedeelte van het plan.

Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman    w.g. Kooijman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005.

177-445.