Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4749

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2005
Datum publicatie
27-04-2005
Zaaknummer
200405220/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2004, kenmerk MW03.9083, heeft verweerder de door hem bij besluit van 21 december 1999 krachtens de Wet milieubeheer aan appellante verleende revisievergunning voor een inrichting voor het vervaardigen van gietijzeren producten, gelegen aan de [locatie] te [plaats], ambtshalve gewijzigd krachtens artikel 8.23 van die wet. Het besluit is op 13 mei 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405220/1

Datum uitspraak: 27 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2004, kenmerk MW03.9083, heeft verweerder de door hem bij besluit van 21 december 1999 krachtens de Wet milieubeheer aan appellante verleende revisievergunning voor een inrichting voor het vervaardigen van gietijzeren producten, gelegen aan de [locatie] te [plaats], ambtshalve gewijzigd krachtens artikel 8.23 van die wet. Het besluit is op 13 mei 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 22 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 23 juni 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 1 september 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft op 10 december 2004 een deskundigenbericht uitgebracht. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellante. Afschriften hiervan zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. drs. E. Alders en ing. M. Hillmann, gemachtigden, en [directeur] en verweerder, vertegenwoordigd door M. de Jonge en ing. J.E. van der Schoot, gemachtigden, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij het besluit van 22 april 2004 zijn aan de vergunning van 21 december 1999 de geurvoorschriften 5.4 tot en met 5.7 toegevoegd, waarin in het bijzonder de maximale geurvracht vanaf 30 oktober 2007 is bepaald.

2.2.    Ingevolge artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.

   Ingevolge het derde lid van die bepaling zijn met betrekking tot de beslissing terzake en de inhoud van de beperkingen en voorschriften de artikelen 8.7 tot en met 8.17 van overeenkomstige toepassing.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Bij de toepassing van artikel 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3.    Appellante stelt zich op het standpunt - kort weergegeven - dat verweerder zich bij de vaststelling van het acceptabele geurhinderniveau ten onrechte heeft gebaseerd op het provinciale geurbeleid. Zij voert hierbij aan dat dit beleid alleen in de provincie Gelderland van kracht is en afwijkt van de Nederlandse Emissierichtlijnen Lucht (hierna: de NeR), omdat in het provinciale geurbeleid een relatie wordt gelegd tussen de aard van de geur en de geurnormering. In dit kader wijst zij op de brief van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 juni 1995, waaruit volgens haar blijkt dat die relatie niet kan worden gelegd. Voorts voert zij aan dat een belevingsonderzoek had moeten plaatsvinden ter vaststelling van de mate van geurhinder.

2.3.1.    Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder bij de invulling van de hem toekomende beoordelingsvrijheid, wat betreft de beoordeling van geurhinder, aansluiting gezocht bij de systematiek van de NeR en heeft hij toepassing gegeven aan het provinciale geurbeleid, dat is neergelegd in de nota "Gelders Geurbeleid voor Milieuvergunningen" van 17 september 2002.

   In het provinciale geurbeleid zijn drie waarden voor geurhinder geformuleerd: de bovenwaarde, de streefwaarde en de richtwaarde. Hiermee worden respectievelijk het plafond van redelijke hinder, het niveau waarbij geen hinder optreedt en het niveau van redelijke hinder weergegeven. Het acceptabele geurhinderniveau wordt vastgesteld aan de hand van onder meer de aard van de geur (hedonische waarde) en de omgeving waarin de inrichting is gelegen.

2.3.2.    De Afdeling heeft in eerdere uitspraken - bijvoorbeeld in zaak nr. 200100632/1 - het provinciale geurbeleid van verweerder aanvaardbaar geacht. Ten aanzien van hetgeen tegen dit beleid is aangevoerd, overweegt de Afdeling dat de NeR niet uitsluit dat een relatie wordt gelegd tussen de aard van de geur en de geurnormering. In de brief van de Minister van 30 juni 1995 wordt er op gewezen dat niet voor iedere soort geur eenzelfde concentratie, uitgedrukt in ge/m3, als bovengrens kan gelden vanwege de zeer uiteenlopende hinderlijkheid van diverse soorten geur. Dit houdt, anders dan appellante kennelijk meent, niet in dat er geen relatie is te leggen tussen de aard van de geur en de geurnormering. Verder kan de mate van geurhinder volgens de NeR ook op andere manieren dan door een belevingsonderzoek worden vastgesteld. Hetgeen is aangevoerd, geeft de Afdeling dan ook geen aanleiding om thans anders te oordelen over dit beleid. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in dit geval geen toepassing had mogen geven aan het provinciale geurbeleid. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.4.    Appellante stelt dat ter voorkoming van geurhinder een richtwaarde van 3 ge/m3 als 98 percentiel uitgangspunt zou moeten zijn.

2.4.1.    In het besluit is verweerder uitgegaan van de richtwaarde 1 ge/m3 als 98 percentiel. Het acceptabele geurhinderniveau heeft hij vastgesteld op 3 ge/m3 als 98 percentiel (bovenwaarde).

2.4.2.    Volgens het in opdracht van appellante opgestelde geurrapport van Tauw van 28 februari 2001, waarvan verweerder is uitgegaan, bedraagt de hedonische waarde van de bij de inrichting vrijkomende geuren H=-2, dat wil zeggen dat die geuren als onaangenaam worden ervaren. Deze mate van hinderlijkheid doet zich bij de inrichting voor bij concentraties van 4,2 - 5,9 ge/m3. Artikel 4.2 van de provinciale geurnota schrijft bij die concentratie en bij een gebiedscategorie woonomgeving als richtwaarde voor 1 ge/m3 als 98 percentiel en als bovenwaarde 3 ge/m3 als 98 percentiel. Aldus komt de richtwaarde in het besluit overeen met het beleid. De beroepsgrond treft geen doel.

2.5.    Appellante acht het nemen van procesgeïntegreerde maatregelen vanuit milieuhygiënisch oogpunt verkieslijker dan het verhogen van de schoorsteen. Zij stelt dat, indien procesgeïntegreerde maatregelen worden genomen, het niet nodig is geheel te voldoen aan de bovenwaarde van 3 ge/m3 als 98 percentiel, omdat er dan naar verwachting nauwelijks nog geurklachten zullen zijn.

2.5.1.    Verweerder heeft met voorschrift 5.4 beoogd de huidige geurbelasting ter hoogte van de woningen van derden terug te brengen tot (onder) het acceptabele geurhinderniveau van 3 ge/m3 als 98 percentiel. Dit voorschrift is in lijn met het van toepassing zijnde provinciale geurbeleid. De beroepsgrond treft geen doel. Overigens heeft verweerder ter zitting te kennen gegeven dat appellante ook aan het doel en de strekking van dat voorschrift mag voldoen door een reductie van de geurvracht in combinatie met een verhoging van de schoorsteen. Desgevraagd zal het voorschrift in die zin worden aangepast.

2.6.    Appellante stelt dat de in voorschrift 5.4 gestelde termijn te kort is voor het uitvoeren van procesgeïntegreerde maatregelen.

2.6.1.    Verweerder heeft bij het stellen van de termijn aansluiting gezocht bij de termijn in de Richtlijn 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: de IPPC-richtlijn) en het op basis daarvan opgestelde "reference document for Best Available Techniques in de Smitheries en Foundries Industry" (BREF). Deze aansluiting is gezocht om te voorkomen dat maatregelen worden getroffen, waarvan achteraf zou blijken dat deze na het toepassen van de beste beschikbare technieken - op grond van de IPPC-richtlijn - niet noodzakelijk zijn. Dit acht de Afdeling niet onredelijk.

   De termijn als zodanig is gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, niet als te kort aan te merken om te kunnen voldoen aan de geurvoorschriften. De beroepsgrond treft dan ook geen doel.

2.7.    Appellante stelt dat natuurlijke ventilatie in de nok van de daken noodzakelijk is voor de afvoer van warmte en voor de aanvoer van voldoende verse lucht ter compensatie van de af te zuigen hoeveelheden lucht. Zij kan zich dan ook niet vinden in voorschrift 5.7.

2.7.1.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevels en de daken gesloten moeten zijn om diffuse geuremissie te voorkomen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is echter niet gebleken dat onderzocht is wat er vrijkomt bij ventilatie via de openingen in de nok. Ook anderszins is niet aannemelijk gemaakt dat die diffuse emissie vanuit de bedrijfsruimten zodanig is dat beperkende voorzieningen noodzakelijk zijn. Het besluit is in zoverre onvoldoende gemotiveerd, hetgeen in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepsgrond treft derhalve doel.

2.8.    Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het voorschrift 5.7 betreft. Voor het overige is het beroep ongegrond.

2.9.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 22 april 2004, kenmerk MW03.9083, voorzover het voorschrift 5.7 betreft;

III.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 355,70, waarvan € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de provincie Gelderland aan appellante te worden betaald;

V.    gelast dat de provincie Gelderland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Stolker

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005

157-424.