Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4746

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2005
Datum publicatie
27-04-2005
Zaaknummer
200406377/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Monster, thans Westland, (hierna: het college) aan [aanvrager] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het verbouwen en vergroten van een bedrijfsruimte op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406377/1.

Datum uitspraak: 27 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 juni 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Monster, thans Westland, (hierna: het college) aan [aanvrager] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het verbouwen en vergroten van een bedrijfsruimte op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […].

Bij besluit van 20 februari 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juni 2004, verzonden op 21 juni 2004, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 30 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 augustus 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 oktober 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 13 september 2004 heeft [aanvrager] een memorie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 maart 2005, waar appellant in persoon, en het college, vertegenwoordigd door B. Schuit, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is verschenen [aanvrager], bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, gemachtigde.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in een uitbreiding van de bedrijfsruimte met 384 vierkante meter, waarvan 83 vierkante meter is voorzien op gronden waarop ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Groenvoorziening" rust en overigens op gronden met de bestemming "Agrarisch gebied, kassen toegestaan". Niet in geschil is dat het bouwplan, voorzover het voorziet in uitbreiding van de bedrijfsbebouwing binnen de bestemming "Groenvoorziening", strijdig is met het bestemmingsplan.

    Om niettemin de gehele uitbreiding van de bedrijfsruimte mogelijk te maken heeft het college voor het met het bestemmingsplan strijdige gedeelte van het bouwplan toepassing gegeven aan de door de gemeenteraad aan hem gedelegeerde bevoegdheid vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).  

2.2.    Ingevolge artikel 19, eerste lid, eerste en tweede volzin, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Ingevolge het vierde lid van artikel 19 van de WRO wordt vrijstelling krachtens het eerste lid niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, van de WRO is herzien of geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, van de WRO is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte de ruimtelijke onderbouwing van het college niet onvoldoende heeft geacht.

2.4.    Het college heeft met betrekking tot de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan het volgende naar voren gebracht. De strook grond met de bestemming "Groenvoorziening" is in eigendom van de gemeente. De groenvoorziening heeft geen enkele functie en past feitelijk niet binnen het agrarische gebied. Het gebied is in het Regionaal Structuurplan Haaglanden aangewezen als duurzaam glastuinbouwgebied. Het bouwplan past binnen de agrarische hoofdfunctie van het gebied.

2.5.    Nu de vrijstelling slechts een beperkt gedeelte van het bouwplan, dat voor het overige past binnen het bestemmingsplan, betreft en de groenvoorziening ook na realisering van het bouwplan grotendeels gehandhaafd blijft, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de ruimtelijke uitstraling van het plan beperkt is en dat niet kan worden gesproken van een grote inbreuk op het bestaande planologische regime.

    Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat de ruimtelijke onderbouwing, hoewel beknopt, niet als onvoldoende kan worden aangemerkt. Het betoog van appellant faalt.

2.6.    Het betoog van appellant dat de afgifte van de verklaring van geen bezwaar door provinciale staten van Zuid-Holland berust op een onvolledige voorstelling van feiten faalt eveneens, nu uit de aanvraag van deze verklaring, de bijgevoegde stukken en de ruimtelijke onderbouwing de aard en omvang van het project voldoende duidelijk naar voren komt.

2.7.    Voorts betoogt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat geen vrijstelling is verleend van artikel 58, lid A, onder 1.b, van de voorschriften bij het bestemmingsplan, waarin is bepaald dat bij het bouwen van bouwwerken (..) bij wegen waaraan op de kaart de aanduiding "klasse II" is gegeven, een Uitstralingszone van 15 meter, uit de as van de weg gemeten, in acht moet worden genomen.

2.8.    Niet langer in geschil is dat aan de Madeweg, waaraan het bouwplan is gelegen, de aanduiding "klasse II" is gegeven. De afstand tot het bouwplan bedraagt vanuit de as van de weg gemeten 11,5 meter. Derhalve is sprake van strijd met artikel 58, lid A, onder 1.b, van de planvoorschriften.

    Vrijstelling is verleend van het bestemmingsplan waar het gaat om de bestemming "Groenvoorziening" met de daarbij behorende voorschriften. Uit het besluit van 26 november 2002, noch het besluit op bezwaar van 20 februari 2003 kan worden opgemaakt dat het college vrijstelling van artikel 58, lid A, onder 1.b, van de planvoorschriften heeft verleend. Het door het college ter zitting bij de rechtbank gedane verzoek, herhaald in hoger beroep, om de besluiten aldus te willen lezen dat daarbij impliciet vrijstelling is verleend, kan uit een oogpunt van rechtszekerheid niet worden gevolgd. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat het bouwplan niet voldoet aan het bepaalde in artikel 58, lid A, onder 1.b, van de planvoorschriften.

        Er is geen sprake van een schending van een vormvoorschrift die, zoals het college heeft bepleit, met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden gepasseerd.

   Gelet op het vorenstaande slaagt het betoog.

2.9.    Hetgeen appellant overigens aanvoert, kan niet tot het daarmee beoogde resultaat leiden, nu dit niet ziet op het in deze procedure aan de orde zijnde besluit van 20 februari 2003.

2.10.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het besluit op bezwaar van 20 februari 2003 vernietigen. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.11.    Niet is gebleken van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en beroep opgekomen proceskosten.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 juni 2004, AWB 03/1463 WW44;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Monster, thans Westland, van 20 februari 2003, met kenmerk 2002/158;

V.    gelast dat de gemeente Westland aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 321,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005

218-444.