Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4742

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2005
Datum publicatie
27-04-2005
Zaaknummer
200410376/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2003, verzonden op 22 mei 2003, en aangevuld bij besluit van 5 juni 2003, heeft appellant [directeur], aangeschreven vóór 1 januari 2004 het met het bestemmingsplan "Benschop Dorp" strijdige gebruik van de garageboxen aan de Theo Kleverstraat, kadastraal bekend gemeente Benschop, sectie […], nos. […], te beëindigen door het (doen) verwijderen en verwijderd te houden van de in deze garageboxen opgeslagen goederen voor zijn gereedschapshandel, onder  oplegging van een dwangsom van € 4.537,80 per maand of een gedeelte van een maand, met een maximum van € 43.780,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2005, 95 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200410376/1.

Datum uitspraak: 27 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Lopik,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 november 2004 in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te [plaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2003, verzonden op 22 mei 2003, en aangevuld bij besluit van 5 juni 2003, heeft appellant [directeur], aangeschreven vóór 1 januari 2004 het met het bestemmingsplan "Benschop Dorp" strijdige gebruik van de garageboxen aan de Theo Kleverstraat, kadastraal bekend gemeente Benschop, sectie […], nos. […], te beëindigen door het (doen) verwijderen en verwijderd te houden van de in deze garageboxen opgeslagen goederen voor zijn gereedschapshandel, onder  oplegging van een dwangsom van € 4.537,80 per maand of een gedeelte van een maand, met een maximum van € 43.780,00.

Bij besluit van 14 oktober 2003, verzonden op 3 november 2003, heeft appellant het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 november 2004, verzonden op 17 november 2004, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 16 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Op 21 februari 2005 is een reactie ontvangen van [wederpartij].

Op 8 april 2005 zijn nadere stukken ontvangen van [wederpartij] Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door G.J. de With, ambtenaar van de gemeente,  is verschenen. Voorts is gehoord [wederpartij], verschenen bij [directeur] en bijgestaan door mr. J.G. Galama, advocaat te Eemnes.

2.    Overwegingen

2.1.       Ingevolge het ter plaatse vigerende bestemmingsplan "Dorp" rust op desbetreffende garageboxen de bestemming "Autoboxen (VAB)".

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor aaneengesloten boxen ten behoeve van het stallen van auto's, scooters, bromfietsen en andere voertuigen.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, is het verboden de bouwwerken als bedoeld in onder meer artikel 20 te gebruiken als winkel, toonzaal of beroeps- of bedrijfsmatige werkruimte.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld  dat het gebruik door [wederpartij] moet worden opgevat als opslagruimte ten behoeve van de door [wederpartij] uitgeoefende gereedschapshandel en niet als een gebruik als beroeps- of bedrijfsmatige werkruimte. Appellant betoogt dat de rechtbank een te enge interpretatie heeft gegeven van het begrip "bedrijfsmatige werkruimte".

2.3.    De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat werkruimte als bedoeld in artikel 32, onder I, eerste lid, van de planvoorschriften niet op één lijn kan worden gesteld met opslagruimte. Dit kan ook worden afgeleid uit het bestemmingsplan zelf, waarin in artikel 32, onder II, opslaan als een aparte activiteit is opgenomen.

Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de opslag van goederen ten behoeve van het bedrijf weliswaar niet in overeenstemming is met artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften, maar dat bij gebreke van een algemeen gebruiksverbod, appellant niet bevoegd was terzake handhavend op te treden.

De door appellant gestelde bedoeling van de planwetgever doet hieraan niet af.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk    w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005

328.