Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT4737

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2005
Datum publicatie
27-04-2005
Zaaknummer
200406937/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 januari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beuningen (hierna: het college) het verzoek van appellanten geweigerd om toepassing te geven aan de wijzigingsbevoegdheid, als bedoeld in artikel 4.4.2 van het bestemmingsplan "Buitengebied" ten behoeve van een niet-agrarische activiteit, zijnde een grond-, weg- en waterbouwbedrijf en opslag van niet voor de handel bestemde goederen en producten op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406937/1.

Datum uitspraak: 27 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 juli 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Beuningen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 januari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beuningen (hierna: het college) het verzoek van appellanten geweigerd om toepassing te geven aan de wijzigingsbevoegdheid, als bedoeld in artikel 4.4.2 van het bestemmingsplan "Buitengebied" ten behoeve van een niet-agrarische activiteit, zijnde een grond-, weg- en waterbouwbedrijf en opslag van niet voor de handel bestemde goederen en producten op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 9 september 2002 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 maart2003 heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Bij besluit van 9 juli 2003 heeft het college het tegen het besluit van 2 januari 2002 gemaakte bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juli 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 18 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 september 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 oktober 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 2 maart 2005 heeft het college een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2005, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. J.J. Vermeulen, advocaat te Middelharnis, en T.P.M. Derks en het college, vertegenwoordigd door N.J.A. Arts, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" heeft het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden", met als nadere aanduiding "Agrarisch bedrijf". Niet in geschil is dat het bestemmingsplan het bedrijf van appellanten, waar hun verzoek betrekking op heeft, ter plaatse niet toestaat.

2.2.    Ingevolge artikel 4.4.2, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders, met inachtneming van de in artikel 3 opgenomen beschrijving in hoofdlijnen, het plan wijzigen teneinde agrarische bedrijven om te zetten in niet-agrarische bedrijvigheid zodat hergebruik van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen en het bijbehorende erf mogelijk is, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

a. (…)

(…)

c. Het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast. Uitsluitend zijn toegestaan bedrijven uit maximaal categorie 2 van de bijgevoegde Staat van bedrijfsactiviteiten (Bijlage 1) danwel bedrijven die daarmee naar aard en invloed vergelijkbaar zijn. Ten aanzien van de vergelijkbaarheid wordt een terzake deskundige gehoord. Indien deze negatief adviseert, kan de vrijstelling slechts worden verleend na een verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten.

d. (…)

e. Teneinde het kleinschalige karakter van niet-agrarische bedrijfsmatige activiteiten in het buitengebied te waarborgen, mag maximaal 250 m² bebouwd oppervlak voor niet-agrarische bedrijfsmatige activiteiten gebruikt worden. Een groter bebouwd oppervlak is toelaatbaar voor:

1. opslag van goederen en producten, zonder dat sprake is van bewerking of handel (zgn. "dode opslag", bijv. inpandige caravanstalling);

2. (…).

(…).

2.3.    Het college heeft bij zijn besluit van 9 juli 2003 geweigerd toepassing te geven aan de in artikel 4.4.2 van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid omdat niet aan de daaraan gestelde eisen wordt voldaan. Het heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan de in onderdeel c neergelegde voorwaarde, omdat geen sprake is van een bedrijf uit maximaal categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten of een bedrijf dat daarmee naar aard en invloed vergelijkbaar is en in dit verband verwezen naar het advies van Royal Haskoning B.V. van 1 juli 2003. Voorts wordt volgens het college niet voldaan aan de in onderdeel e opgenomen voorwaarde, omdat meer dan 250 m² van de bebouwde oppervlakte voor niet-agrarische activiteiten wordt gebruikt.

2.4.    In het advies van Royal Haskoning, dat is gebaseerd op de door appellanten overgelegde bedrijfsrapportage van 27 juni 2003, is het bedrijf van appellanten vergeleken met de in de Staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen bedrijven. Aangegeven is dat het bedrijf van appellanten het beste kan worden gekarakteriseerd als een agrarisch dienstverlenend bedrijf met machineverhuur c.q. werken met landbouwmachines dan wel met een algemeen bouwbedrijf, die worden aangemerkt als bedrijven van categorie 3, als bedoeld in de VNG-brochure "Bedrijven en Milieuzonering" uit 1992, waar de planwetgever bij de categorie-indeling in de Staat van bedrijfsactiviteiten bij heeft aangesloten. Het advies wijst er op dat de structurele vervoersbewegingen van zware voertuigen maken dat sprake is van een duidelijk onderscheid in invloed op de omgeving met de in de Staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen bedrijven. Voorts is volgens het advies het bedrijf van appellanten te typeren als een onderneming die, gelet op het machinepark, is gericht op (grote) infrastructurele projecten, zodat de aard van het bedrijf eveneens verschilt met de in de Staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen ambachtelijke bedrijven. Gelet op het voorgaande is het bedrijf, aldus het advies, naar aard en invloed niet vergelijkbaar met de in de Staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen bedrijven.

2.5.    Niet is gebleken dat het advies van Royal Haskoning B.V. naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dat niet ten grondslag heeft mogen leggen aan het onderdeel van zijn besluit dat ziet op artikel 4.4.2, onderdeel c, van de planvoorschriften.

   Het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat de in de Staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen bedrijven kleinschalige ambachtelijke bedrijven betreffen, zodat de door Royal Haskoning B.V. gemaakte vergelijking met een ambachtelijk bedrijf niet opgaat, faalt. Niet in geschil is dat het bedrijf van appellanten niet voorkomt in de in bijlage 1 van het bestemmingsplan opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten, zodat, gelet op voormeld artikel, Royal Haskoning B.V. de aard en de invloed van het bedrijf van appellanten terecht heeft vergeleken met die van de wel opgesomde bedrijven. In de bij het bestemmingsplan behorende plantoelichting is aangegeven dat bij het toestaan van niet-agrarische bedrijfsmatige activiteiten moet worden gedacht aan bepaalde kleinschalige arbeidsintensieve ambachtelijke bedrijven. Van deze bedrijven is in de bij de planvoorschriften behorende bedrijvenlijst een indicatie gegeven, aldus de toelichting. Gelet hierop kan niet worden staande gehouden dat het inzetten van het machinepark voor grote infrastructurele projecten niet als onderscheidende omstandigheid met de in de Staat van bedrijfsactiviteiten voorkomende ambachtelijke bedrijven mag worden gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een bedrijf als bedoeld in artikel 4.4.2, onderdeel c, van de planvoorschriften. Dat het bedrijf van appellanten niet voorkomt in deze bedrijvenlijst, betekent niet dat een individuele beoordeling van de aard en invloed van hun bedrijf had moeten plaatsvinden zoals door appellanten bedoeld. Niet kan worden staande gehouden dat in dit verband voor de karakterisering van het bedrijf van appellanten ten onrechte is aangesloten bij de in de VNG-brochure opgenomen bedrijven. Dat naar recente inzichten een ander afstandscriterium geldt voor deze ter vergelijking met het bedrijf van appellanten genoemde bedrijven, wat daar verder ook van zij, betekent niet dat de conclusie in het advies dat het bedrijf naar aard en invloed niet vergelijkbaar is met de in de Staat van bedrijfsactiviteiten genoemde bedrijven onjuist is. Met het door appellanten overgelegde advies van BMD Advies van 16 september 2003 is dit niet aannemelijk gemaakt. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het standpunt van het college dat een bloembollen-, droog- en prepareerbedrijf, dat is opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten, anders dan appellanten betogen, niet vergelijkbaar is met het bedrijf van appellanten, gelet op met name het verschil in verkeersintensiteit, niet onredelijk is.

   Gelet op het voorgaande kan niet worden staande gehouden dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 4.4.2, onderdeel c, laatste volzin.  

2.6.    Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat evenmin wordt voldaan aan de in artikel 4.4.2, onderdeel e, van de planvoorschriften opgenomen voorwaarde.

   Uit zowel de door appellanten overgelegde bedrijfsrapportage als het controlerapport van 29 juli 2003 blijkt dat meer dan 250 m² van het bebouwd oppervlak voor het bedrijf van appellanten gebruikt wordt. Het betoog van appellanten dat sprake is van "dode opslag" als bedoeld in onderdeel e, sub 1, van de planvoorschriften faalt, nu de opslag van de machines ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten van appellanten niet kan worden aangemerkt als opslag van goederen en producten, zonder dat sprake is van bewerking of handel, als bedoeld in dit planvoorschrift.

2.7.    De rechtbank is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat het college op goede gronden geen toepassing heeft gegeven aan de in artikel 4.4.2 van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid, nu niet aan de daaraan gestelde voorwaarden is voldaan.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Duursma

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005

378.